Dertig jaar later

Nota bene — Deze blog verkeert in statu nascendi. Je mag rustig een kijkje nemen, maar het item is nog niet helemaal af. ((Het woord blog mag mannelijk/vrouwelijk en onzijdig gebruikt worden. Hoewel je de laatste tijd steeds vaker het blog ziet staan, volg ik de voorkeursvorm van het Genootschap Onze Taal door het mannelijke lidwoord de toe te passen.)) Er is zoveel over dit onderwerp te zeggen dat het misschien wel simpelweg onvoltooid moet blijven. Een continuing story?

Kreupele restanten

De Antoniuskapel in Servaaskerk te Maastricht (1874-1900) met een deels wel en deels niet gerestaureerde uitmonstering van Pierre J.H. Cuypers. ((Hubar, Eenheid in het vele, in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 120, 135, noot 80.)) Foto auteur, 2014.

Zeg niet dat dit mooi is, want dat is het niet, dit kreupele restant van Cuypers’ uitmonstering in de Maastrichtse Servaaskerk (1864-1908). Natuurlijk, het beeld van Antonius onder zijn neogotische baldakijn staat er nog, de geschilderde tapisserie tegen de wand is superbe en de epische schilderingen met scènes uit het leven van de heilige blijven hun verhaal vertellen, maar toch … het klopt niet. Ik heb de kapel nog gekend toen ze helemaal gaaf was: toen waren ook de schalken met de muraalbogen en het gewelf daarboven rijk gesjabloneerd. Op de zware pijlers richting schip zat schijnmetselmerk dat voor een evenwichtige dimensionering zorgde. Decennia verwaarlozing en een zoutuitbloei van jewelste hadden hun tol geëist, maar het gehele polychrome schema in deze ruimte was er nog. Een halfslachtige Cuypers resteerde na de restauratie van de Servaaskerk in 1983-1989.

Waarom ik hier aan denk? Misschien omdat ik er laatst weer eens was. Niet geheel vrijwillig, want ik kom er niet graag. Iedere keer als ik de kerk binnenstap is het een klap in mijn gezicht. Ik mis het geschilderde triforium in het schip, de kloeke blokverbanden van de pijlers en de weelde aan geschilderde tapisserieën die volgens een oeroude iconografische traditie door heel de kerk uit eerbied en pure verering waren aangebracht. Maar soms moet ik er wel naar toe, omdat tussen alle fragmenten bijzonderheden zitten die ik nodig heb voor onderzoek. Neem bijvoorbeeld de litanie van Loreto in de Mariakapel met al die oeroude Mariatitels, waarvan er een aantal op veel oudere culturen dan die van het christendom teruggaat.

Maar ik denk er ook aan, omdat ik laatst mijn eerste artikel over de iconografie van Cuypers, Alberdingk Thijm, De Stuers en hun tijdgenoten onder ogen kreeg. Dat verscheen in 1984 in het themanummer over de Servaaskerk in het Bulletin KNOB. Wies van Leeuwen, met wie ik dat jaar het Cuypersgenootschap heb opgericht, had dit bedacht om een wetenschappelijke bijdrage aan de restauratieproblematiek te kunnen leveren. ((Leeuwen, Wies van, red., ‘Van de redactie’ [themanummer restauratie Servaaskerk Maastricht], in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 103-104.)) Dat was ook nodig omdat kort ervoor twee publicaties van de restauratiestichting verschenen, waarin Cuypers met vereende krachten naar de verdoemenis was geschreven. Op liturgisch gebied werd dit weerlegd door een helder artikel van Kees Peeters, die dit schreef omdat hij vond dat verantwoording afgelegd moest worden voor het tribunaal van de geschiedenis (een zin die ik nooit meer ben vergeten). Daarna volgden Wies en ik met respectievelijk een evaluatie van wat er in de jaren zestig met de inrichting van Cuypers was gebeurd in de Munsterkerk en het iconografisch programma van de Servaaskerk, en tenslotte het enige artikel dat effect zou sorteren, dat van Jos Koldeweij over het Bergportaal. Toen men daar eenmaal was aangekomen met de werkzaamheden was het kwartje gevallen. Waarschijnlijk heeft men toen al ingezien wat voor een blamage de aanpak van het interieur was gebleken, ook al werd iedere kritiek overstemd door enigszins overspannen jubelgeluiden.

Kapel van het heilig Aanschijn in de Servaaskerk te Maastricht

Een iconografische zeldzaamheid vormt de kapel van het heilig Aanschijn (1893-1894) uit het atelier van Cuypers, waar de doek van Veronica wordt vereerd en de muur bezet is met votiefstenen die qua vorm en kleur passen in het decoratieschema. ((Hubar, Eenheid in het vele, in: http://bit.ly/Themanummer-Servaaskerk-KNOB84, pp. 120, 129-131, 134.)) Rondom het altaar bevonden zich op de muur geschilderde draperieën, niet alleen bedoeld als lambrisering, maar ook om het beeld van gordijnen rondom een heilige plaats op te roepen. Versluiering was een teken van eerbied en paste bij het mysterie. De gordijnen werden verwijderd en geheel tegen de polychrome wetten in vervangen door schijnmetselwerk dat gewoon naar beneden doorgetrokken werd. Hierdoor is ook de dimensionering van de kapel geweld aangedaan. Foto auteur, 2014.

Wies heeft toen doorgezet dat we de restauratie zouden evalueren. En dat gebeurde ook, in het blad van het Cuypersgenootschap, De Sluitsteen. ((Van Leeuwen en Hubar, ‘De beginselloosheid tot adagium verheven’, in: http://bit.ly/Evaluatie-1991-Servaaskerk, pp. 75-97.)) Hierdoor is er een behoorlijk goed gevulde portfolio van deze casus. De opmaat werd gevormd door de publicatie over het symposium van de Jan van Eyckacademie in 1979, geïnitieerd door de latere oprichter van de SRAL, Anne van Grevenstein. Daarna de reeks artikelen van Wies en van mij, waaronder het themanummer van het Bulletin KNOB en de publicaties in Heemschut, en tenslotte onze evaluatie. Het gros van de artikelen kan inmiddels gedownload worden. Zelf ben ik aangenaam verrast dat met name de iconografische artikelen actueel zijn gebleven en nog steeds worden gebruikt.

Ik ben nog altijd trots op wat we toen met die hele groep van het Cuypersgenootschap hebben gedaan, met Jenny Bierenbroodspot die onze artikelen kritisch doorlas en redigeerde, Jules Bonnet die voor foto’s zorgde, Guido Hoogewoud als onvermoeibaar klankbord, Gert van Kleef die z’n eerste schreden op het Cuyperspad zette, wijlen Pieter Singelenberg als onze onbetwiste autoriteit en Ruud van Hövell die ons juridisch advies gaf en leerde hoe we bij de Raad van State moesten optreden. Maar ook al heeft de geschiedenis ons gelijk gegeven – de reconstructie van de uitmonstering van Cuypers in het Rijksmuseum legt daar iedere dag getuigenis van af – de pijn blijft als ik het schip van de Servaaskerk betreed.

Sic erat in fatis, zou De Stuers zeggen.

B. ((Het lag in het lot besloten! Het bovenstaande item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Dertig jaar later’, op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/1QPcsPN (2014).))

Downloads

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten gebruik ik onder meer verkorte titels die volledig aangehaald zijn in de bibliografie van deze site.

De Urbanuskerk in Nes aan de Amstel

Urbanuskerk Nes aan de Amstel

De Urbanus van Nes aan de Amstel (1889-1891) geldt als het eerste kerkgebouw dat Joseph Cuypers zelfstandig als architect heeft ontworpen. Foto auteur 2014

Al eens de Urbanuskerk in Nes aan de Amstel bezocht? Dat zou ik zeker een keer doen, want het is echt een juweeltje. Ze oogt wat somber van de buitenkant, maar dat heeft vooral met vervuiling te maken. Aan de binnenkant is het één feest van kleur, licht en glans, ook al lijden verschillende muren aan vochtproblemen en zoutuitbloei. Alles bij elkaar een verbazingwekkende primeur van Joseph Cuypers, die zoals zijn tijdgenoten zeiden, niet alleen een droit de naissance kende, maar ook een droit de conquête (oftewel, je hebt weliswaar een streep voor als zoon van een beroemde architect, maar o, wat is het zwaar om tegen zo’n grootheid op te moeten boksen).

Wat die wisselwerking bij de Urbanuskerk heeft gebracht, kun je vinden onder deze knop.

Joseph Cuypers Urbanuskerk Nes aan de Amstel

Joseph Cuypers Urbanuskerk Nes aan de Amstel — Dit jeugdwerk van Joseph Cuypers is een echte aanrader om te bezoeken! Dat kan in ieder geval tijdens de Open Monumentendagen op ZONDAG 12 september vanaf 11:00 tot 16:30 uur. Dankzij de actieve Vrienden van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel die je op Facebook kunt volgen, staat de kerk sinds juni 2021 aan de oostkant in de steigers om het glas in lood te restaureren. De vrienden zijn goed bezig, maar er moet nog heel wat gedaan worden om dit gebouw in staat van onderhoud te brengen. Dus als je de Urbanuskerk bezoekt, doe dan ook gelijk een donatie, want alle bijdragen helpen.1

Een groot deel van de foto’s in deze diaserie is gemaakt in het kader van de productie van mijn boek over de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal Haarlem door Sjaan van der Jagt in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), in 2015. Spijtig genoeg zijn deze foto’s nog steeds niet opgenomen op de beeldbank van de RCE. De volledige set kan bekeken worden via deze link. Je kunt de diashow overigens op pauze zetten en eventueel sprekersnotities openen et cetera door de drie verticale puntjes aan te klikken naast de dianummering.

Op naar Nes aan de Amstel

In 2014, toen me de opdracht was gegund voor het schrijven van een boek over de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal Haarlem, bracht ik een werkbezoek aan de Urbanuskerk in Nes aan de Amstel.2 Waarom dat nodig was? Heel simpel, omdat het hier allemaal begonnen is. We hebben het over het eerste werk van de architecten Cuypers, waar alleen de handtekening van Joseph onder staat. Hij werkte hieraan zonder de slagschaduw van zijn vader die bij andere – ook latere – projecten zwaar leunde op de arm van zijn zoon.

Maar wat zeker zo belangrijk was, is dat Joseph Cuypers hier bij de kerkwijding vicaris-generaal A.J. Callier ontmoette – de rechterhand van bisschop Bottemanne – die de opdracht zou regelen voor de nieuwe Bavo. Op de thuisreis hadden ze, naar Joseph later vertelde, ‘een langdurig en diepgaand gesprek over kerkbouw en symboliek’.3 De overlevering wil dat dit gesprek plaatsvond op een trekschuit; een draadje op Twitter leidde tot de ontdekking dat het een stoomboot geweest moet zijn van maatschappij De Volharding die Nes aandeed op weg van Amsterdam naar Gouda en vice versa (zie bovenstaande diashow).4

Bij de Urbanuskerk werkte de architect samen met bouwpastoor M.A. van Zanten, net als Callier oud-docent van het kleinseminarie Hageveld. Later, vanaf 1898, zou hij als pastoor van de ‘kathedraal’ van Amsterdam, de Willibrordus buiten de Veste, opnieuw met Joseph Cuypers aan de slag gaan. Pas toen kreeg dit Amsterdamse bouwwerk, waarvan de bouw 24 jaar had stilgelegen, eindelijk het aanzien van een echte kerk: Joseph Cuypers voegde schip, zijbeuken, viering en transept toe; alles bij elkaar een volume dat vele malen groter was, dan de oostpartij die in 1873 onder zijn vader tot stand kwam.5

In Nes hebben Van Zanten en Joseph Cuypers samen een vernieuwend stukje kerkelijke architectuur gerealiseerd dat onder de volgende pastoors, M.P.R. Droog (tot 1908) en J. Opmeer (tot 1928) verder ingericht zou worden. Dit gebeurde waarschijnlijk voor een deel nog volgens een programma dat door de bouwpastoor en zijn architect was samengesteld. Het ademt de sfeer van de ‘modernistische’ katholieke kunstkring De Violier, waarvan Van Zanten en Joseph Cuypers beiden actief lid waren.6 

Joseph bleef tot circa 1910 als ontwerper en producent van onderdelen van de uitmonstering bij de Urbanuskerk betrokken.7 Hoe vernieuwend ook die laatste was, blijkt alleen al uit de iconografie van de schipvloer en de doopkapel (1899), in welke laatste ruimte het geijkte element van het water op een aparte manier is gecombineerd met andere thema’s. Daarnaast is ook aan andere standaardonderdelen veel aandacht besteed, zoals de volledig betegelde kruisweg laat zien met haar lambrisering van gestileerde passiebloemen, rozen en lelies.

Juist die rijke keramiek vormt een van de meest opvallende aspecten van de kerk. Bij de doopkapel staat op één van de tegels aangegeven dat ze geproduceerd zijn door de bekende plateelbakkerij Rozenburg in Den Haag (ontwerp Joseph Cuypers, 1899). De betegelde kruisweg is eveneens van de hand van Joseph Cuypers en gemaakt door de firma Brantjes te Purmerend (1904). De hoogst zeldzame uitvoering van het Benedicite in de tegelvloer, naar ontwerp van Theo Molkenboer (eveneens actief in De Violier), blijkt gemaakt te zijn in een Engelse fabriek (1904).8 De Urbanuskerk zou eigenlijk een keer opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden van de opvattingen over kunst van De Violier. In mijn boek over de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal wordt uitgelegd dat het raam in de kerk onder Paus Leo XIII even openstond, waardoor innovaties mogelijk waren. De Haarlemse kathedraal vormt daar het ongeslagen hoogtepunt van, maar ook de Urbanuskerk maakt deel uit van deze zeldzame groep werken, waaraan een thomistisch symbolisme ten grondslag ligt.9

Kruisweg

Over de kruisweg moet ik ook nog iets kwijt. Dankzij het onderzoek dat ik deed voor De genade van de steiger (2013) is meer bekend geworden over de receptie van de artistieke idealen van de Beuroner school die haar uitvalsbasis had in de benedictijner abdij van Beuron in de deelstaat Baden-Württemberg van Duitsland. Onder leiding van pater Desiderius Lenz ontstond een type kunst dat heel Europa van conservatief tot progressief – om deze versleten termen maar te gebruiken – in zijn greep nam. In Nederland gebeurde dat na de publicatie van drie opstellen van Lenz in 1899. Joseph Cuypers memoreerde later dat zijn familiebedrijf met haar werk al veel eerder een weg had ingeslagen in die richting, want:

‘Parallel aan dat werk zien wij het type der Beuronner school zich ontwikkelen en reeds vroeger in Engeland de Praerafaelisten.’ 10

Joseph Cuypers geeft hier eigenlijk aan dat de kunstzinnige productie van zijn familiebedrijf zich kan meten met deze majeure stromingen. Hoewel dit zeker het geval is, bleef enige wisselwerking niet uit, want we zien al vrij vroeg Beuroner tendensen in de uitmonsteringen van de firma Cuypers, onder meer in de Dominicuskerk te Amsterdam die in 1883-1893 werd gebouwd. Maar dat geldt niet minder voor de kruisweg van de Urbanuskerk in Nes: héél karakteristiek zijn de egale, blauwe achtergronden, waarin vrijwel alleen de stad Jeruzalem in de verte als coulisse toe wordt gelaten. Daarnaast is ook de natuurlijke, weinig gecompliceerde plooival van de gewaden – iets waar Lenz zich zeer druk om maakte – , het zachte kleurenpalet en de ingehouden dramatiek van de haast klassieke poses en gebaren van de figuren zeer Beuronesk. Hét model hiervoor waren de wandschilderingen met de kruisweg in de Mariakerk van Stuttgart van Desiderius Lenz uit 1884. In de Nederlandse vaktijdschriften van die tijd werd daar vanaf 1893 aandacht aan besteed.11

Betegelde kruisweg met lambrisering in de Urbanuskerk van Jospeh Cuypers in Nes aan de Amstel (1889-1891).
Met de betegelde kruisweg van de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel laat de firma Cuypers & Co zien hoe ze de Beuroner invloeden heeft verwerkt. Foto bvhh.nu 2014.

Om de vernieuwende inbreng van Joseph te illustreren kan de kruisweg van Nes het beste vergeleken worden met een ander betegeld exemplaar van de firma Cuypers & Co, te weten de kruisweg uit De Liefde (helaas gesloopt in 1990) die duidelijk de hand van Cuypers senior verraadt. Dankzij het Nederlands tegelmuseum in Otterloo, waar alle staties zijn opgeslagen, kunnen we ons hier een beeld van vormen. Volgens de site van het museum zou de kruisweg vrij snel na de voltooiing van deze Amsterdamse kerk in 1885 tot stand gekomen zijn:

‘Nederland kende al vele eeuwen een rijke traditie van tegelfabrieken, maar halverwege de negentiende eeuw verdwenen deze de een na de ander, omdat ze de concurrentie met industriële buitenlandse fabrieken niet aankonden. Cuypers koos er echter nadrukkelijk voor om zijn tegels bij een oud, traditioneel bedrijf te laten maken, hoewel zijn neogotische ontwerpen in stijl en kleurgebruik sterk afweken van de oud-Hollandse tegels. Hij kwam uit bij de tegelfabriek van Jan van Hulst in Harlingen, waar zijn tegels geschilderd werden door de eerste schilder Joseph Witte (1843-1909). Het gaat hier om één van de grote tegelopdrachten die aan het eind van de negentiende eeuw de herleving van de Nederlandse tegelindustrie inluidden’.12

Beide kruiswegen werden in een gestileerde architectuuromlijsting gevat. Maar die van De Liefde is veel gedetailleerder en vertoont een veel sterker neogotisch idioom dan de inkadering van het exemplaar in Nes die haast tot het hoognodige gereduceerd is. De blauwe fonds hebben de beide werken gemeen, maar als je kijkt naar de figuren valt in het Amsterdamse exemplaar de uitbundige middeleeuwse plooival van de gewaden op, met bijna gebeeldhouwde geknikte driepunten. Een ander verschil is de klassiek aandoende anatomie van de personages in het exemplaar in Nes tegenover de wat schrale en tanige actoren in dat van De Liefde. Opvallend is ook het gebruik van de gotische minuskel in de al even gotische banderollen tegenover de veel neutralere tekstband in de Urbanuskerk. Daar is ten slotte de bloemenrand eveneens minder gedetailleerd en qua opzet kloeker dan die in De Liefde.

Kruisweg uit De Liefde van Pierre J.H. Cuypers (na 1885).
De kruisweg uit De Liefde van Pierre J.H. Cuypers (na 1885) ligt opgeslagen in het Nederlands tegelmuseum. Vergeleken met die van de Urbanuskerk in Nes, ontworpen door Joseph Cuypers, valt op hoeveel neogotischer van signatuur die van zijn vader is. Herkomst: Nederlands Tegelmuseum 2008. In de zomer van 2018 is de kruisweg tentoongesteld in het Heiligenbeeldenmuseum in de oudste nog bestaande Cuyperskerk te Kranenburg bij Vorden.13

Al vanaf 1979 ben ik met Cuypers bezig, en hoewel we met een groot aantal kunst- en architectuurhistorici – onder meer binnen het Cuypersgenootschap – veel onderzoek hebben gedaan en gepubliceerd, valt telkens weer op hoe weinig we van bepaalde zaken weten. Met het inventariseren en ontsluiten van de Joseph Cuypers Collectie op het gemeentearchief van Roermond, vinden we heel wat antwoorden, maar doemen als vanzelf weer nieuwe vragen op. Dat maakt ons vak ook zo spannend en boeiend. 

Wordt vervolgd!

;-) B (&M)

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!



Ook in 2021 doet de Urbanuskerk weer mee aan de Open Monumentendag (12 september). Volg de mededelingen op Facebook.

Bronnen en andere verwijzingen

  1. Voor de bezoektijden, raadpleeg verder de site, mail een van de bestuursleden of bel met de pastorie: 0297-582 232. Jammer genoeg is het informatieve boekje van de kerk uitverkocht: Mascini, Rob, Urbanuskerk Nes aan de Amstel, Nes aan de Amstel, z.j. Het komt misschien online op de site van de vrienden.
  2. Dit webartikel is in augustus 2021 vrijwel geheel herschreven. Sedert ons schrijverscollectief – Marij Coenen en ik – bezig zijn met de Joseph Cuypers Collectie in Roermond hebben zich nieuwe inzichten voorgedaan. Die zijn grotendeels verwerkt, wat ook geldt voor de gegevens uit de publicatie van Timmermans, Huub, Margaret Timmermans, en Elly van Rooden. “125 jaar Sint Urbanuskerk – Nes aan de Amstel 1891 – 2016 – jubileumkrant”. UrbanusparochieNes.nl, 2016. http://bit.ly/2ukgf1l. De volledige URL is https://www.urbanusparochienes.nl/pdf/Urb.jub.krant-125jr.-final.pdf.
  3. Het citaat over de ontmoeting met Callier komt van Looyenga, in: Erftemeijer, Getooid als een bruid, p. 40 (zie bibliografie). 
  4. Perkamentus. ‘Met een stoomboot van de “Volharding”, die ook in De Nes aanlegde. 😊’. Tweet. @Perkamentusblog (blog), 30 juni 2021.https://twitter.com/Perkamentusblog/status/1410244341201833991. Geschiedenisvanzuidholland.nl. ‘Aanlegplaats Stoomboot De Volharding’. Geraadpleegd 30 juni 2021. https://geschiedenisvanzuidholland.nl/collecties/aanlegplaats-stoomboot-de-volharding. Helaas werkt deze link niet meer door een ingrijpende transformatie van deze website. Een deel valt te achterhalen via de WayBackMachine van Archive.org.
  5. Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem (zie bibliografie). Meer informatie over het boek is te vinden onder deze link. Wat betreft de Urbanuskerk volg in het register online van de monografie de zoektermen Urbanuskerk, Nes of Nes aan de Amstel.
  6. Voor M.A. van Zanten volg het register online van Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem (zie bibliografie). Idem voor de betekenis van De Violier voor de kerkelijke kunst van die tijd. Voor het thomistisch symbolisme zie dit item op onze site. Voor de ambtsperiode van de hier genoemde pastoors zie de volgende bronnen:
    1. M.A. van Zanten (1866-1898): Timmermans, Timmermans en Van Rooden, 125 jaar Sint Urbanuskerk, p. 13. Pius-almanak …; jaarboek van katholiek Nederland, jrg 24, 1898, 1898. Geraadpleegd op Delpher op 05-08-2021, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKDC04:000791001:00009
    2. M.P.R. Droog (1898-1908): Zie de almanak hiervoor en Onze Pius-Almanak voor het jaar des Heeren …, jrg 8, 1907, 1907. Geraadpleegd op Delpher op 09-08-2021, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKDC04:002643001:00009
    3. J. Opmeer (1908-1928): Zie de almanak hiervoor en Pius-almanak …; jaarboek van katholiek Nederland, jrg 34, 1908, 1908. Geraadpleegd op Delpher op 05-08-2021, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKDC04:000795001:00009 en Timmermans, Timmermans en Van Rooden, 125 jaar Sint Urbanuskerk, p. 21.
  7. NHI Rotterdam, CUBA.110380522 Bouw en decoratie van de rooms-katholieke St. Urbanuskerk en pastorie in de Nes- en Zwaluwenbuurt (Nes aan de Amstel), door J.Th.J. Cuypers. 1888-1903. NHI Rotterdam, CUCO.110384089 Decoratie van de rooms-katholieke St. Urbanuskerk in de Nes- en Zwaluwenbuurt (Nes aan de Amstel). 1891, z.j. NHI staat voor Nederlands Architectuurinstituut, waar zich zowel het archief van de architecten Cuypers bevindt, als dat van hun atelier voor kerkelijke kunst: Cuypers & Stoltzenberg, vanaf 1892 Cuypers & Co (Van Leeuwen, Pierre Cuypers, architect, pp. 35-36 (zie bibliografie).
  8. Timmermans, Timmermans en Van Rooden, 125 jaar Sint Urbanuskerk, pp. 4, 15. Zie het lemma op Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Plateelbakkerij_Rozenburg. Heel informatief is ook de brochure van de RACM, thans de RCE: Nijenhuis, Henk, Tegels in de twintigste eeuw, brochure cultuurhistorie 13, RACM Amersfoort 2008.
  9. Zie noot 6 voor De Violier, Leo XIII en het thomistisch symbolisme. Naar deze groep kerken, waar in ieder geval de vroege kerken van de vennootschap Joseph Cuypers en Jan Stuyt (vanaf 1900) toe behoren, is tot op heden nauwelijks onderzoek gedaan. 
  10. Hubar, De genade van de steiger, p. 227 (zie bibliografie).
  11. Hubar, De genade van de steiger, pp. 468-469: over de Beuroner school en haar invloed; pp. 227-238: over de Beuroner school en Joseph Cuypers; pp. 190-191, 222, 263, 339, 469: de kruisweg van Desiderius Lenz in de Mariakerk van Stuttgart uit 1884. Op één voorstelling na is deze tijdens de Tweede Wereldoorlog geheel vernietigd (zie bibliografie).
  12. Spijtig genoeg is deze informatieve pagina over de Amsterdamse Cuyperskerk De Liefde van de site van het tegelmuseum verwijderd. 
  13. “Thematentoonstelling | Heiligenbeeldenmuseum Kranenburg”, Heiligenbeeldenmuseum, 2018. http://bit.ly/2rnC5Pt-Evernote. Deze informatie is eveneens vervangen en door het ontbreken van een zoektoets op de site ook verder onvindbaar; ik ben blij dat ik die pagina destijds opgeslagen heb op Evernote!
  14. Voor verdere informatie over dit jeugdwerk van Joseph Cuypers zie ook de site van Monumenten Ouder-Amstel en Reliwiki

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Joseph Cuypers Urbanuskerk Nes aan de Amstel | VanHH.org’. Onder redactie van Marij Coenen. VanHellenbergHubar.org, 2014-2021. https://bit.ly/1Ot6l2T-JCC.

Over Joseph Cuypers is meer te vinden bij de Joseph Cuypers Collectie, De nieuwe Bavokathedraal en Cuypers assortiment.

Het project komt verder met grote regelmaat aan de orde op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB
Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat de berichten over Joseph Cuypers en zijn werk een nog grotere actieradius bereiken!

Wil je de Urbanuskerk bezoeken, controleer dan van te voren de openingstijden op de site of op de Facebookpagina van de vrienden!
Het kan in ieder geval op de Open Monumentendag op zondag 12 september vanaf 11:00 tot 16:30 uur.

Verkorte link van dit item: https://bit.ly/1Ot6l2T-JCC

Matthieu Wiegman schildering in de Obrechtkerk

Nota bene — Het fragment uit het boek volgt na deze kleine terugblik op de aanbieding van het boek aan Henk van Os in 2013.



Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam. De centrale Christusfiguur met het heilig Hart wordt omringd door engelen die de passiewerktuigen dragen (1930). Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012.

Bij de presentatie van De genade van de steiger, november 2013, kreeg Henk van Os het eerste exemplaar aangereikt vanwege zijn inzet voor de restauratie van de schilderingen in de Obrechtkerk te Amsterdam. Hij was aangenaam verrast door het boek, zoals ook uit bijgaand signalement in Kunstschrift blijkt.

Over de heilig Hartschildering van Matthieu Wiegman vertelt Van Os:

Toen ik in 1990 voor het eerst in die kerk kwam samen met wijlen Wim Beeren, overviel me de totale onverschilligheid waarmee een halve eeuw lang met de kunst in die kerk was omgegaan. Een kapel met muurschilderingen van Otto van Rees – een van zijn belangrijkste werken – was volledig ontmanteld. De schilderingen waren grotendeels overgeschilderd. Schilderingen van Matthieu Wiegman en anderen waren vrijwel verdwenen onder het vuil. Wim en ik knielden tijdens de misviering voor een Christusgestalte met zo veel zoutuitbloei (die eufemistische benaming heb ik uit het boek gehaald!) dat zijn gelaat bijna onzichtbaar was geworden.

Wat Van Os betreft, is de moraal van het verhaal:

Misschien zal er niet veel van de monumentale kerkelijke kunst uit het interbellum overblijven. Eén ding is zeker: zo’n voortreffelijk boek als dit helpt om de winter van verguizing en verwaarlozing door te komen. Deze kunst is dankzij dit boek waardig gebleken kunstgeschiedenis te worden. En ook nog goede en interessante kunstgeschiedenis. Ooit zal de geschiedenis van de kunstproducten van de negentiende en twintigste eeuw geheel bevrijd worden van de letterlijk verwoestende vooroordelen die het modernisme met zich mee heeft gebracht. Aan dat proces van vrijmaking levert dit werk van Bernadette van Hellenberg Hubar en kompanen een belangrijke bijdrage.

Het boek is inmiddels uitverkocht!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Fragment uit ‘De genade van de steiger’ (pp. 422-423)


Heilig Hart schildering Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit 'De genade van de steiger' (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.
De pagina met de Heilig Hart schildering van Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk te Amsterdam uit ‘De genade van de steiger’ (2013). Screenshot bvhh.nu 2014.

7.5.4 Reflectie op de beeldspraak

In de inleiding van dit hoofdstuk werd al opgemerkt dat Wiegman op een eigen manier invulling gaf aan de traditionele iconografie door deze te transformeren tot persoonlijke duidingen en dragers. Van de manier waarop hij dat deed, wist hij ook anderen te overtuigen, zoals blijkt uit zijn gesprek met de sociale priester Henricus Poels die onder de mijnwerkers in Limburg werkte. Aalmoezenier Poels bezocht met een aantal van hen in 1929 de tentoonstelling die Jean Adams op Rolduc had georganiseerd:

  • ‘Hij zei toen tegen zijn mijnwerkers: “De kunstenaar was vast dronken toen hij deze schilderijen maakte!” Matthieu, die op de tentoonstelling aanwezig was, hoorde dit, ging naar PoeIs toe en stelde zich voor als de schilder van deze werken. “Wat U vertelt over mijn dronkenschap”, zei Matthieu, “zou ik graag willen toelichten”. Zo wees Matthieu hem op het spel van de muggen in het zonlicht; het spel van de paring en het rythmisch spel van de vruchtbaarheid. “De kunst”, zo ging Matthieu verder, “is het rythmisch spel van de vruchtbaarheid van alles wat leeft, het rythme van de drift en [423] met die drift kristalliseert de kunstenaar een hogere wereld”. Toen vroeg Mgr. Poels: “Waarom schilder je de bloemen die daar staan niet precies zoals ze zijn?” Matthieu antwoordde: “Waarom zegt U in uw gebeden tot Maria: Geestelijke Roos, Toren van David, Deur des hemels, Morgenster? Bent U dan niet even dronken als ik? Ook U stijgt met die woorden boven Uzelf uit, U wordt een dichter, die met de beeldspraak zijn gevoelens onder woorden brengt!” Toen zei Poels: “Wiegman, je hebt een tien!” “ja”, ging Matthieu verder: “De doelstelling van de kunst is een moeilijk onderwerp. Een boom kun je tweeërlei zien: als een zakelijk object waar je planken uit kunt zagen, maar ook als een verbinding tussen hemel en aarde. De doelstelling van de kunst is zwarter dan zwart en witter dan wit, dus uitersten. Dan hindert het niet of je heiligen of appeltjes schildert!”’[152]

Niet alleen onthult het antwoord van de schilder de fel zinnelijke en puur metafysische visie op de kunst, die ook Engelman en Maritain graag naar voren brachten, maar ook de rol van de beeldspraak bij het vertolken van gevoelens. Of die beeldspraak nu traditioneel en talig van inhoud was, of dat zij een beroep deed op letterlijk klassieke sentimenten als de pathos, of dat ze berustte op het intuïtieve stemmingsteken dat de kunstenaar uit de ritmische driften van de natuur naar boven haalt, maakte voor Wiegman niet uit. Voor beide, heiligen én appeltjes, ritme én drift, het apollinische en het dionysische, het klassieke én het barokke, en vooral niet te vergeten, het optische en het haptische is plaats.[153] Zijn werk in de Obrechtkerk vormt daar een bijzondere getuigenis van. Deze paragraaf wordt dan ook afgesloten met de apotheose van Wiegman in de H. Hartkapel (1930) (afb. 361).

De H. Hartkapel vormt als ruimte eigenlijk niet meer dan een apsidiool in de noordoostelijke transeptarm. Wiegman buitte hier de ronding van de concha uit die benadrukt wordt door de belijning van de penseelstreken in de factuur van de achtergrond. De beschouwer ervaart de centripetale kracht van de holling door de bijna minimalistische compositie. Deze start met de figuren links en rechts aan de voet, die als het ware de voorhoede vormen van de kerkgangers rond het altaar. Zij leiden het oog naar het hart van de apsidiool waar Christus, zwevend in de concaaf, op een bolvormige kosmos is weergegeven. Rond is het aureool om zijn hart, rond is zijn nimbus, terwijl de engelen om hem heen cirkelen in een ovaal die deels in goudachtige en deels zilverachtige schakeringen is weergegeven. Alles is erop afgestemd om de bezoeker dit concave universum binnen te trekken, waarin de onvoorwaardelijke – mystieke – liefde centraal staat. De opzet daarvan legde Wiegman aan Poels uit in het hierboven gegeven citaat. De kunstenaar brengt in een persoonlijke, religieuze beeldspraak – stemmingsdragers – zijn gevoelens bij dit thema over, waarbij hij zuiver ‘schilderlijk’ te werk gaat, om een term van Engelman te gebruiken, en zich optimaal van de architectonische ambiance bedient om de toeschouwer te bereiken. In dit werk heeft Wiegman de barokke opmaten op superbe wijze tot klassieke rust gesublimeerd. De beoogde, intieme sfeer van devotie, van mens tot God, was bereikt.

 


Postscriptum

Voor een beter begrip van de tekst hierboven, is het handig om de inleiding van dit hoofdstuk te lezen, waarin een herzien beeld wordt geschetst van de expressionisten in de monumentale kunst. Dit wordt gedragen door de criteria die met name uit het kunstkritische onderzoek van hoofdstuk 4 naar voren kwamen.

Noten
  • 152) Worm en Wiegman, Matthieu, pp. 105, 180
  • 153) Voor dat laatste zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.

De verkorte titel verwijst naar de bibliografie in het boek.