Termen en begrippen | Genade van de steiger (2013)

Termen en begrippen — Bij het boek De genade van de steiger zijn verschillende termen en begrippen gebruikt, waarvan een groot deel nieuw is, doordat ze ontleend zijn aan de contemporaine kunstkritiek. Gebruik de zoektoets om ze snel te vinden of doorloop de lijsten op alfabetische volgorde!

Genade van de steiger | Afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0209 detail (2012).

Opmaat | A.J. Derkinderen

Het lijkt niet erg spannend, zo’n overzicht van termen en begrippen. Maar als je er doorheen scrolt, dan krijg je wel in kort bestek een indruk waar De genade van de steiger over gaat. Ongetwijfeld zitten er kwaliteiten en kwalificaties in die je nog niet kent. Dat heeft te maken met de rol die aan de contemporaine kunstkritiek is toegekend. Er was zo weinig bekend over de monumentale kunst uit het interbellum dat voor de waardering onder meer gekeken is naar hoe men die kunst destijds apprecieerde, in welke woorden men de op- en aanmerkingen in recensies omschreef en welke idealen en visies daaraan ten grondslag lagen. 

Ga eens kijken bij factuur of makelij, klassiek/klassiek-barok-modern, decorum, gestileerd, haptische modus versus optische modus en zo verder.

In het boek is deze bijlage niet geïllustreerd. Hier hebben we ervoor gekozen om dat wel te doen vanwege de afwisseling en om in de lange rol naar beneden oriëntatiepunten te creëren. Uit de serie foto’s die in het kader van dit project zijn gemaakt – en die de RCE helaas nog steeds niet allemaal on line heeft gezet – hebben we het glasraam van A.J. Derkinderen gekozen in het universiteitsgebouw van Utrecht. Sjaan van der Jagt heeft dat in in 2012 in zijn totaliteit en in verschillende onderdelen gefotografeerd die een treffend beeld geven van het verfijnde ontwerp van een van de oudste monumentale glazen van deze kunstenaar. Door de later spelende conflicten rond de ramen voor de Beurs van Berlage is dit glas in de vergetelheid geraakt. De termen en begrippen die hierop van toepassing zijn, zijn met name: ambachtelijkheid, Beuroner stijl, combinerende verbeelding, decoratief (in de zin van monumentaal), gemeenschapskunst, iconografie, stijlindicator (de gestileerde ‘boom’ links en rechts van de personificaties is typisch Beuroner stijl) en symboliek. Voor wie tijd heeft een aardige oefening om na te gaan welke begrippen en kwalificaties waarbij horen.

Waardenstellende termen en begrippen

Uitgangspunten*

In dit overzicht zijn termen en begrippen opgenomen die enerzijds een verklarende woordenlijst vormen en anderzijds bruikbaar zijn voor het stellen van waarden. In het laatste geval wordt uitgegaan van de drie hoofdcriteria van de Monumentenwet: schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde. Aan het slot van ieder hoofdstuk van de canon is globaal aangegeven waar de toets van deze criteria toe leidt bij de drie hoofdstromingen. In een groot aantal gevallen zijn ze bovendien tussentijds per kunstenaar of groep geverifieerd. Hierdoor is een kapstok voorhanden om waardenstellingen op een meer gedetailleerd niveau uit te werken.

Bij een waardenstelling is het goed om enkele vuistregels aan te houden:

  • De vragen die primair moeten worden beantwoord, zijn: waar getuigt een bepaald kunstwerk of fenomeen van, waar is het de uitdrukking van, aan welke regels van de kunst voldoet het?
  • De drie hoofdcriteria kunnen worden gedifferentieerd naar gelang het type opdracht. Daarbij staan subcriteria ter beschikking zoals onder meer geformuleerd in de Handleiding selectie en registratie jongere stedebouw en bouwkunst (1850-1940) van de RCE (toen nog RdMz) uit 1991. Weliswaar zijn deze specifiek voor het gebouwde erfgoed ontwikkeld, maar verschillende ervan zijn ook bruikbaar voor de monumentale schilderkunst. Een voorbeeld is: de plaats van een werk in het oeuvre van de kunstenaar.[1]
  • Een aanvullende differentiatie kan plaatsvinden met behulp van onderstaande termen en begrippen, die enerzijds als subcriteria (ambachtelijkheid) en anderzijds als sleutelwoorden kunnen worden ingezet (Beuroner school).
  • In principe kan de onderzoeker zelf bepalen hoe de subcriteria zouden moeten worden verdeeld over de hoofdcriteria, zolang het maar eenduidig gebeurt. De esthetische, zintuiglijke waarden horen zonder meer onder schoonheid, maar bij betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarden is de grens moeilijker te bepalen. Meer cognitieve zaken als stijlaanduidingen, technieken, iconografie en typologie zouden kunnen worden gerangschikt onder wetenschap, terwijl die aspecten die een werk in een breder verband relateren aan een specifieke denkwereld of mentaliteit eerder een cultuurhistorisch cachet dragen. In dit laatste verband kan worden gedacht aan de rol van de kerk bij de acceptatie of veroordeling van een kunstsoort of de invloed van een groep als De Violier of De Gemeenschap. Overlappingen zijn daarbij onvermijdelijk.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen verklarende en verwijzende termen en begrippen. Bij het verklarende segment is met name gebruik gemaakt van de relevante paragrafen in dit boek, die vermeld worden in de bijbehorende noot, en voorts van de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.[2] De verwijzende categorie betreft de meer toegankelijke begrippen, voor de uitleg waarvan direct wordt verwezen naar de paragrafen, waarin ze aan de orde komen. Daarnaast is een aantal woorden in de uitleg aangeduid met een*: deze worden nader toegelicht in een afzonderlijk lemma en/of kunnen bij de waardenstelling worden ingezet als te beoordelen kwalificatie.

Genade van de steiger | A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie tussen attributen, emblemen en wapens. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie tussen attributen, emblemen en wapens. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort /Interbellum_0209 (2012).

Verklarende termen en begrippen

Ambachtelijkheid[1]

In het kader van de esthetica van Jacques Maritain – Art et scholastique (1920); Kunst en scholastiek (1924) – krijgt de ambachtelijkheid in de zin van technisch kunnen en meesterschap een zwaar accent, omdat alleen zo de Goddelijke schoonheid in een kunstwerk zou kunnen worden geïncarneerd. Dit speelt met name in de kunstkritiek van Pieter van der Meer de Walcheren en Jan Engelman.

Barok[2] (zie ook: nieuwe barok)

Verwijst naar een stijl en periode in de architectuur, beeldende kunst, muziek en literatuur in West-Europa en Amerika van circa 1590 (volgens de vooroorlogse literatuur vanaf 1520) tot 1750. De stijl kenmerkt zich door grote dynamische effecten door het gebruik van krachtige diagonalen, curven, getordeerde bewegingen, concaven en convexen en sterke contrasten tussen licht en donker, en massa en leegte met spectaculaire ruimte-effecten. Emoties als grootsheid en pathos werden doelbewust ingecalculeerd.

Beuroner school[3]

De Beuroner school dankt haar naam aan de benedictijner abdij van Beuron in Sigmaringen (Baden-Württemberg, Duitsland), waar de beeldhouwer Peter Lenz als pater Desiderius Lenz een nieuwe leer voor kerkelijke kunst ontwikkelde en uitdroeg. Op zoek naar de eeuwige wetten van de kunst kwam hij terecht bij de Egyptische en de Griekse cultuur. Hier meende hij een verhoudingensysteem te hebben (her)ontdekt dat gebaseerd zou zijn op de universele wetten van de geometrie. De overtuiging dat ideale verhoudingen leiden tot perfecte schoonheid, bracht Lenz ertoe om zijn ontwerpen te maken op (de onder)grond van een patroon dat met passer en liniaal was geconstrueerd. De uitgangspunten die Lenz in het verlengde hiervan hanteerde, doen behoorlijk ‘klassiek’ aan: aspecten als rust, evenwicht, sterke contourenlijnen, een eenvoudige plooival van de gewaden en vlakke, lege achtergronden werden gecombineerd met hiëratische composities, statische figuren en onpersoonlijke gelaatsuitdrukkingen. Lenz adviseerde kunstenaars om een beperkt aantal typen koppen te ontwikkelen. Thematisch valt een terugkeer op naar de voorbeelden van het vroege Christendom uit onder meer Ravenna en Rome. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat dit idioom in Nederland vooral werd gereserveerd voor het domein van de overwinnende kerk* in de apsis, het priesterkoor en eventueel een deel van het transept met de vieringskoepel. In de strijdende kerk* van het schip waren meer epische voorstellingen toegestaan uit de sfeer van de historieschilderkunst. Lenz zette daarvoor zelf de toon met zijn kruisweg in de Mariakerk van Stuttgart, waarvan hij de dramatiek zou kunnen hebben gelegitimeerd aan de hand van het meer dynamische segment van de Griekse vaasschilderkunst. De egale achtergronden zonder landschappen of architectuurverwijzingen en de smalle podia zijn daar zeker aan ontleend.

De invloed van de Beuroner school was heel groot, onder meer dankzij pater Willibrord – Jan – Verkade die als klasgenoot van Toorop, Derkinderen en Roland Holst, en als voormalige Nabis de relatie met de eigentijdse kunstenaars bestendigde. Verkade richtte ook de zaal in van de Beuroner school tijdens de Wiener Sezession van 1906. In Nederland worden zowel de kerkelijke kunstenaars als de symbolisten sterk door Beuron beïnvloed. Een belangrijke rol daarbij vervulde de katholieke kunstkring De Violier, waarin de jonge generatie kunstenaars en intellectuelen zich kort na 1900 verenigde. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat de schilders wel de principes van de Beuroner school aanvaardden, maar met behoud van hun eigen stijl. Hierdoor is in Nederland een grote diversiteit ontstaan in de door Beuron beïnvloede werken.

Biblia pauperum / biblium pauperum[4]

De biblia pauperum gaat als begrip terug op de middeleeuwse armenbijbels. Hoewel er in Nederland al langer belangstelling voor bestond, publiceerde Alberdingk Thijm in 1866 als eerste in Nederland een transcriptie van een dergelijke armenbijbel. Men meende dat deze boeken gemaakt waren voor de eenvoudige man die aan de rijke illustraties zijn bijbelkennis ontleende. Metaforisch gezien vormde de kerk met zijn uitmonstering van beelden, schilderingen en glazen eveneens een armenbijbel. In die zin is het begrip nauw verwant met dat van het ‘boek der leken’ (Gregorius van Tours, zesde eeuw), dat Alberdingk Thijm in De Heilige Linie herintroduceerde ter aanduiding van het kerkgebouw. Tijdens het interbellum komt de term biblium (enkelvoud) of biblia pauperum vaak voor, zowel in vakbladen als de dagbladpers, en wordt hij zowel gebruikt door critici als kunstenaars.

Bidimensionaal[5]

Sarcastisch bedoelde term van Joep Nicolas, met name gericht tegen Roland Holst, waarmee hij zich afzette tegen het principe dat de tweedimensionaliteit van de muur bij wandschilderingen en glas-in-lood leidend diende te zijn voor ontwerp en uitvoering.

Combinerende verbeelding[6]

In het interbellum speelde zowel de verbeelding in de zin van puur originele vondsten een rol als de verbeelding die tot een nieuwe combinatie van op zich bekende elementen leidt. Binnen de context van de geijkte christelijke iconografie was weinig speelruimte voor de introductie van volledig nieuwe beelden. Wel had de kerkelijke kunstenaar de mogelijkheid om verrassende combinaties te bedenken. De classicistische herkomst van dit concept is onder meer herkenbaar in de opvatting van Poussin dat de originaliteit in de schilderkunst in beginsel niet wordt bepaald door een nieuw onderwerp, maar door een ongekende dispositie en expressie, waardoor het onderwerp van gewoon en oud transformeert in bijzonder en nieuw. Hoe sterk dit in het interbellum leefde, blijkt uit de variant die Engelman hanteerde. Met name de kruiswegen, die aan zéér strenge regels waren gebonden, illustreren dit principe bij uitstek.

Contrapost[7]

Bij deze stijlfiguur gaat het, aldus de AAT, om de ‘evenwichtige doch asymmetrische positie van het afgebeelde menselijk lichaam, waarin het draaien of het buigen van de verticale as van het lichaam een verandering van de richting van heupen, schouders en hoofd tot gevolg heeft’. De contrapost is een stijlindicator om het barokke element op te sporen dat verwijst naar – de wisselwerking tussen – de trits gotisch-barok-expressionisme* en klassiek-barok-modern*.

Decoratief, decoratie[8]

Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw tot ver in de twintigste eeuw was het woord decoratief (werk) synoniem met monumentaal (werk) in de zin van muur- en gewelfschildering. Op deze manier werd het gebruikt door De Stuers, Joseph Cuypers, Aurier, Plasschaert en Toorop: de nadruk lag op de verheven strekking van de figuratieve voorstellingen (historieschilderkunst*) en een zo tweedimensionaal (bidimensionaal) mogelijk karakter om de ruimtewerking van de architectuur niet te verstoren. Net zoals voorheen in de geschilderde polychromie van Viollet-le-Duc en Cuypers senior gebeurde, hadden de omlijstende siermotieven een abstracte, vaak geometrische opzet, ook daar waar ze ingezet werden ter benadrukking van de constructie (kolommen, gewelfribben) of van de architectonische opbouw (de neggen van ramen, boogvelden). In het laatste geval vond – in het voetspoor van Cuypers senior – afstemming plaats op de materiaalpolychromie, zoals te zien is in het werk van de gebroeders Dunselman in Lisse. Op de kalligrafie na zal zowel het aantal als de uitwerking van de siermotieven lopende het interbellum steeds sterker afnemen. Tegenwoordig wordt onder decoratie nauwelijks nog het figuratieve, maar vrijwel uitsluitend het sierende deel van een uitmonstering begrepen.

Decorum[9]

Decorum is een begrip uit de klassieke retorica dat tijdens de renaissance in – de theorie van – de beeldende kunsten (met name de historieschilderkunst) werd overgenomen: het staat voor het principe dat bij een bepaald onderwerp ook een bepaalde stijl hoort en dat met name verheven thema’s op een waardige manier dienen te worden uitgedrukt. In de loop van de achttiende eeuw wordt dit principe overgebracht op de architectuur: dan gaat het om het type gebouw dat de stijl bepaalt. Het stijlpluralisme in zowel de architectuur als in de schilderkunst is dan ook in sterke mate door het decorum bepaald. Doordat de monumentale schilderkunst sterk schatplichtig was aan de historieschilderkunst en zich bij voorkeur richtte op verheven taferelen, speelde het decorum in dit genre een grote rol. Dat gold al helemaal voor kerkelijke kunst, die immers moest passen bij de waardigheid van de liturgie* die in de kerk werd gevierd. Het katholieke decorum werd daarom niet alleen gerelateerd aan de (beheersing van) gevoelsuitdrukking, maar ook aan de correcte vorm. De discussie daarover leidde tot de veroordeling van de kruisweg van Albert Servaes, de veroordeling van het expressionisme voor de kerkelijke kunst en uiteindelijk na de oorlog nog tot de verwijdering van de kruisweg van Aad de Haas uit de kerk van Wahlwiller op last van Rome.

Expressionisme[10]

Het expressionisme (van Latijn: expressio, uitdrukking) is een stroming in de Europese kunst en de literatuur, die zich manifesteerde vanaf circa 1910 tot 1940. In tegenstelling tot het impressionisme waarbij de weergave van de indruk van de werkelijkheid op de schilder centraal staat, gaat het bij het expressionisme om de uitdrukking van wat de kunstenaar voelt bij diens ervaring van de werkelijkheid. In principe wordt daarbij voortgeborduurd op het symbolisme, omdat opnieuw het innerlijke, het on(der)bewuste en het intuïtieve van de kunstenaar een dominante rol spelen. Anders dan bij het symbolisme zoekt deze echter niet meer naar een corresponderend teken, maar wordt de weergave zelf het teken waarin hij zijn – vaak met emoties beladen – visie neerzet. Het persoonlijke handschrift dat tijdens het symbolisme al aan betekenis had gewonnen, en de factuur* of makelij worden dan ook steeds belangrijker. Tegelijkertijd gaan de kleurtransposities, die met name te herleiden zijn tot Gauguin en Van Gogh, als uitdrukkingsmiddel een toonaangevende rol spelen. Deze ontwikkelingen zijn weer nauw verbonden met een van de aspecten die uiteindelijk als hét kenmerk van het expressionisme geldt: de vervorming van de werkelijkheid, in het interbellum vaak aangeduid met het adjectief gedefigureerd of gedenatureerd.

Vanuit de R.K. Kerk is het expressionisme tot tweemaal toe sterk veroordeeld: de eerste keer in het kielzog van de veroordeling van de kruisweg van Albert Servaes in 1921, de tweede keer als reactie op de tentoonstelling Religiöse Kunst der Gegenwart in het Folkwang-Museum, Essen 1932. Juist het misvormen van de werkelijkheid was, zoals Maritain in 1925 in De Gemeenschap uitlegde, volgens de Una sancta* een zonde tegen de katholieke leer en in strijd met de soevereine waardigheid van Christus. In zijn Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924) – had Maritain dit harde standpunt gepareerd: wilde de kunstenaar de Geest Gods in zijn werk laten ademen, dan ‘móét hij de stoffelijke uiterlijkheden der natuur eenigermate vervormen, herbouwen en van gedaante veranderen’. Aan het religieuze expressionisme heeft Maritain een invloedrijke esthetisch-filosofische legitimatie verschaft, die de R.K. Kerk echter niet heeft bereikt. Het afwijzende standpunt van Rome tegenover het expressionisme leidde uiteindelijk in Nederland tot een hoge vlucht van de nieuwe barok*.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0210 (2012).

Factuur of makelij[11]

Hiermee wordt zowel het schildermateriaal (de verf) aangeduid als de wijze waarop het te beschilderen oppervlak (het doek, de muur et cetera) wordt bedekt: al dan niet met dikke borstelstreken, bewerkt met een plamuurmes, of juist heel vlak en glad. In die zin raakt de factuur ook de textuur van een werk, terwijl de term daarnaast wordt gebruikt als synoniem van het persoonlijke handschrift van de kunstenaar. Onder invloed van het expressionisme werd dit een steeds belangrijker artistiek medium. Met textuur wordt overigens niet de tactiele weergave van stoffen door de schilder bedoeld, maar de tastbare structuur van de oppervlakte door verf en drager. In de kunstkritiek lijkt de term factuur vooral te slaan op de creatieve meerwaarde van de behandeling (waaronder het handschrift) van de stoffelijke componenten in een kunstwerk.

Gemeenschapskunst[12]

De term gemeenschapskunst werd in 1892 door Jan Veth geïntroduceerd ter omschrijving van het ideaal dat aan de basis lag van het werk van zijn studiegenoot en vriend A.J. Derkinderen. De grondslag hiervan vormde het ideologische beeld van een harmonische maatschappij, waarin men gezamenlijk, als gemeenschap, tot grote prestaties zou komen. Zowel katholieken als socialisten zagen dit belichaamd in de middeleeuwse kathedraal. In deze visie hoorde kunst een dienende functie te hebben voor de gemeenschap en dus een boodschap uit te dragen die de beschaving ten goede kwam. Dit model werd enerzijds gevolgd in het Rijksmuseum van Cuypers (het ideaal bestond lang voordat de term gemeenschapskunst werd geïntroduceerd) en anderzijds in de Beurs van Berlage. Beide projecten vormen tevens een indrukwekkend voorbeeld van een gesamtkunstwerk*.

Geometrische module; ‘aesthetische geometrie’; ‘bezielde geometrie’[13]

Het idee van de voorman van de Beuroner* school, Desiderius Lenz, om kunst te ontwerpen op basis van een geometrisch systeem, als universele matrix van de schoonheid, is niet nieuw. In de middeleeuwen al ontwierp men op basis van de gelijkzijdige driehoek, de Egyptische driehoek (stelling van Pythagoras) en de gulden snede. Tijdens de renaissance hielden verschillende kunstenaars zich bezig met de ideale maatverhoudingen (Da Vinci, Alberti en Dürer om er enkelen te noemen). In Nederland was het Cuypers die als een van de eersten zijn gebouwen (weer) op systeem ontwierp. In de traditie van het vitruvianisme, waarmee Cuypers aan de Academie van Antwerpen was opgeleid, stond het vertrouwen in de mathematische en proportionele beginselen van de bouwkunst centraal. Dit geloof kon in christelijke zin worden gelegitimeerd op grond van de spreuk uit het boek Wijsheid, dat God het al met maat en getal en gewicht geschapen heeft. Ook Lenz beriep zich hierop in zijn schoonheidsleer. Volgens Thijm was het universum op het goddelijke plan van een eeuwige orde en onverstoorbare harmonie en maat ingericht, waarvan geometrische figuren als cirkel, vierkant en driehoek de meest zuivere aardse benadering vormden. Afgaande op wat men destijds zelf beweerde, zou dit gedachtegoed niet door Thijm of Cuypers, maar vooral via Lenz worden overgedragen op de jonge generatie symbolisten en synthetisten van de Rijksacademie: Derkinderen, Roland Holst, Toorop, Verkade, allemaal waren ze overtuigd van het kosmische oerbeginsel van de geometrie. Architecten uit de stal van Cuypers als zijn zoon, Jan Stuyt, maar ook Mathieu Lauweriks en Karel de Bazel zouden dit systeem eveneens onder verwijzing naar Lenz in hun architectuur gebruiken. Via de theosofische Vahânaschool van Lauweriks en De Bazel kwam het weer terecht bij Chris Lebeau.

Gesamtkunstwerk[14]

Dit begrip dat populair werd dankzij de invulling die Richard Wagner eraan had gegeven, impliceert dat onder leiding van één dirigent alle onderdelen van de inrichting werden ontworpen en/of uitgevoerd. Subsidiair dient het als benaming voor een kunstwerk waarin verschillende kunstvormen zijn gecombineerd, ook zonder dat direct een centrale figuur als leider aan te wijzen valt.

Gestileerd[15]

Aanduiding in de kunstkritiek om het lineaire, geabstraheerde karakter aan te geven van het werk van de volgers van Toorop (Roomse Haagse School*) en de (oud-)leerlingen van de Rijksacademie, met name die van Roland Holst. Kunstcritici onder invloed van Maritain, zoals Van der Meer de Walcheren en Engelman die weer terug wilden naar een niet-literaire ‘schilderlijke’ schilderkunst, gebruikten de term gestileerd als een negatieve kwalificatie. Zij associeerden deze met begrippen als steriel, ‘cerebrale abstractie’ en gebrek aan levenskracht en vitaliteit. In de kunst die zij voorstonden, keert de schilder zich af van het ‘steeds ijler en ijler styleeren en schematiseeren van den natuurvorm’. Voor de symbolisten en synthetisten was de abstractie echter voorwaardenscheppend om symbolen op te sporen dan wel in te bedden. Ondanks het verschil van benadering deelden beide partijen de gedachte dat de kunst een ‘geestelijke realiteit’ moest ontsluiten en dat op een leesbare manier diende te doen.

Gotisch-barok-expressionisme

Zie nieuwe barok*.

Handschrift

Zie factuur*.

Haptische modus versus optische modus[16]

De tweedeling tussen de aardse, strijdende kerk en de hemselse, triomferende kerk correspondeerde met een onderscheid in uitdrukkingsvorm: de meer haptisch-tactiele en plastische voorstelling zou de aardse strijd tonen, terwijl de vooral spirituele, optisch-visuele, lineaire representatie de hemelse victorie zou onthullen. Deze benadering is ondenkbaar zonder de invloed van de Duitstalige kunsthistorische literatuur vanaf de late negentiende eeuw, c.q. van Alois Riegl: als cultuurhistoricus poneerde hij een cyclische afwisseling tussen periodes waarin de kunstenaar de voorkeur geeft aan een tweedimensionale, optische, schematische manier van waarnemen tegenover een perceptie op basis van tactiele, tastbare, en plastische kwaliteiten (1901). Dit alternatief correspondeerde met een vooral zinnelijk Geschmack en een meer spiritueel Kunstwollen. Het bijzondere van de – monumentale – kunst in het interbellum is dat deze twee modi tegelijkertijd, naast elkaar, in één programma werden opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn met name te vinden bij F.H. Bach, Joan Collette en – als eerste en meest bijzondere – Jan Toorop. In dit boek wordt met betrekking tot Riegls dichotomie* systematisch gesproken van de haptische en de optische modus.

Historieschilderkunst[17]

De historieschilderkunst dankt haar naam aan het begrip historia (L.B. Alberti) uit de renaissance dat slaat op een zo overtuigend mogelijke presentatie van een verhalend tafereel aan het publiek via de juiste entourage, het geëigende kostuum en het passende gebaar. Zowel de beginselen van het decorum* als van het movere* speelden hierin een grote rol. Hierbij ging het er om het menselijk handelen of een gebeurtenis niet zomaar letterlijk, maar in zijn meest superieure vorm weer te geven, waarbij het exemplum virtutis (de held of heldin) vanaf de late achttiende eeuw een centrale positie innam. Om de educatieve en moraliserende zeggingskracht te optimaliseren mocht, ja moest men zelfs bereid zijn om de historische ‘werkelijkheid’ aan te passen, te ‘verbeteren’. In de academische ‘hiërarchie der genres’ stond het historiestuk bovenaan. Naarmate het genre minder intellectueel en dus verhoudingsgewijs steeds meer op ambachtelijk werk steunde, stond het lager in de hiërarchie. Stillevens stonden helemaal onderaan. De historieschilderkunst kreeg in de negentiende eeuw een nieuwe betekenis in het kader van het ‘vaderlandsch gevoel’. Ook binnen het ideaal van de gemeenschapskunst* bleven de principes van dit genre actueel.

Historisch presens[18]

Een begrip uit de letterkunde dat omschreven wordt als grammaticaal tegenwoordige tijd die in bepaalde verhaalpassages kan worden verkozen boven de normale verleden tijd van het vertellen. In de beeldende kunst is dit fenomeen vergelijkbaar met de anachronistische aankleding van de personages in eigentijdse kledij of de opname van hedendaagse figuren in historische taferelen. In principe komt dit in de middeleeuwen al voor. Paul Gauguin actualiseerde deze kunstgreep met La vision après le sermon (La lutte de Jacob avec l’ange) (1888) en Le Christ Jaune (1889). Het kan als één van de kenmerken van het synthetisme* in de (monumentale) kerkelijke schilderkunst worden beschouwd.

Iconografie[19]

Het begrip is een samenstelling van de Griekse woorden beeld en (be)schrijven en betreft de discipline van de kunstgeschiedenis die zich richt op de beschrijvende analyse van de – symbolische – betekenis van beelden en tekens. Dit kan zowel op het niveau van het enkel­voudige object of de figuur, als van samenstellingen daarvan. Abstracte begrippen die worden verbeeld door personages worden als personificaties aangeduid. De objecten die ze vasthouden en aan de hand waarvan ze geïdentificeerd kunnen worden, heten attributen. In de christelijke iconografie worden ook heiligen uitgebeeld met attributen die tot herkenning leiden. Een van de fascinerende kenmerken van de christelijke iconografie is dat ze de weerslag vormt van eeuwenoude thema’s en (oer)typen uit allerlei culturen. Tegelijkertijd vormden deze eeuwenoude schemata een keurslijf dat echter onmisbaar werd geacht vanwege de vereiste leesbaarheid* van de kunst. Tegelijkertijd speelden het decorum* en de liturgie* een dominante rol. Het knappe van menig kerkschilder uit het interbellum is het vermogen om desondanks iconografische hoogstandjes in het werk te bereiken.

Individualiteit, eigenheid[20]

Vanaf de late negentiende eeuw kreeg de hegemonie van de hyperindividualisering van de kunst concurrentie van de gemeenschapskunst* die de dienende, publieke functie van de kunst weer centraal stelde (in de beste tradities van de historieschilderkunst*). Ook de groep kunstenaars en intellectuelen rond De Gemeenschap stelde het algemene, maatschappelijke belang ideologisch op de voorgrond, zij het in katholieke zin. Op grond van de status van de vrije wil in de katholieke geloofsleer bleven echter eigenheid en individualiteit een belangrijke positie houden in de kunst, zoals met name tot uitdrukking komt in de recensies van de priesters Bernard Molkenboer en J.B.W.M. Möller.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0215 (2012).

Klassiek / klassiek-barok-modern[21]

De term heeft algemeen een tweevoudige betekenis: aan de ene kant verwijst hij naar de klassieke oudheid als verzamelbegrip voor de Griekse en Romeinse cultuur van vóór de jaartelling. Aan de andere kant gaat het om een type kunst dat tijdens de renaissance en de daaropvolgende classicistische perioden het na te streven ideaal van de kunst vormde. Hieraan verbindt men met name betekenissen als rust, waardigheid, ingetogenheid, beheersing die zich onder meer uit in een evenwichtige structuur van horizontalen en verticalen, et cetera. Karakteristiek voor de waardering van deze kunst was de typering van de kenner J.J. Winckelmann (1717-1768): ‘eine edle Einfalt und eine stille Grosse’. In deze zin speelt het begrip tenminste al vanaf de zeventiende eeuw de positieve partij in de dialectiek van goede en verkeerde kunst. In de katholieke kunstkritiek is dit herkenbaar zowel bij J.B.W.M. Möller (Gildeboek) als Van der Meer (Opgang), welke laatste hierbij werd geïnspireerd door Maritain en de Frans-Europese beweging van le retour de l’ordre*, waarmee men meende de klassieke fase van de moderne kunst in te luiden. Op min of meer verwante wijze zou het begrip klassiek door Theo van Doesburg worden geactualiseerd via de trits klassiek-barok*-modern: het verleden had het klassieke met zijn nadruk op horizontalen en verticalen als een positief fenomeen aangereikt, terwijl het barokke* als de golvende, krullende afwijking daarvan als een negatief, gedegenereerd verschijnsel werd opgevat. Modern mocht alleen die kunst heten die in zijn ontwikkeling de klassieke principes respecteerde, zoals De Stijl. Verschillende monumentale schilders hebben aan deze trits – voor een deel in samenwerking met architecten – een eigen interpretatie gegeven om hun moderniteit tot uitdrukking te brengen (zie nieuwe barok*).

Kruisweg[22]

Vanaf de vijftiende eeuw wordt in de rooms-katholieke kerk de kruisweg beoefend: een liturgische handeling, waarbij de gelovigen biddend en herdenkend langs veertien zogenaamde kruiswegstaties gaan. Deze staties bestaan uit voorstellingen waarop scènes uit het lijden, strijden en sterven van Christus zijn uitgebeeld die voor een deel direct teruggaan op de Bijbel en voor een deel apocrief zijn (voor een compleet overzicht zie de kruisweg van Toorop in Oosterbeek). Onder Paus Clemens XII (paus van 1730-1740) werd het aantal op veertien vastgesteld. In 1741 werd de kruisweg verplicht in alle rooms-katholieke kerken, waartegenover een volle aflaat werd gesteld.

De dominicaan Bernard Molkenboer gaf bij de bespreking van het exemplaar van Toorop te Oosterbeek een goede omschrijving van het doel van de beoefening van de kruisweg: de beschouwer moet worden geprikkeld om vanuit zijn empathie de strijd van Christus te ervaren door ‘Hem schrede voor schrede op Zijn bloedig spoor te volgen’. Doel hiervan is de ‘in diepe godsvrucht doorleefde meditatie van de kernfeiten der Verlossing’, stelt Molkenboer, ‘waarin een dankbaar hart met tranen verzinkt’. Alleen zo is de ziel in staat ‘om de bittere vruchten van ’s Heeren passie zalig te proeven’ en zich ten slotte op mystieke wijze met God te verenigen. Dat is de norm waaraan een kruisweg hoorde te voldoen. Als de kunstenaar daar niet in zou slagen, vormt zijn werk ‘geen kruisweg in kerkelijk-liturgischen zin, maar hoogstens een artistieke of archeologische voorstelling’.

Aan de uitbeelding van de kruisweg stelde de Una sancta* hoge eisen: de passie van Christus staat immers niet zozeer voor het lijden, als wel voor het strijden. Het zou gaan om een lijdzame strijd die Jezus vrijwillig als offer voor de mensheid was aangegaan om de overwinning op de dood te behalen en de verlossing te bewerkstelligen. Ook het lijden van de heiligen of van de mensheid kon in het kader van het katholieke geloof worden geïnterpreteerd als strijd, omdat hiermee in de voetsporen van Christus zou worden getreden. In het geval van Maria werden smart en verdriet zelfs onvermijdelijk geacht voor de verlossing. Toch heeft de kerk alleen bij de kruisweg hierover duidelijk stelling genomen. Dit heeft te maken met het ‘leidend beginsel […], dat de Kerk in den Gekruiste het liefst den “Overwinnaar van den dood” aanbidt, want “Christus heeft geheerscht van het Kruis’, aldus pater Nieuwbarn in Het Roomsche Kerkgebouw. In de kruisweg mocht het lijden dus niet te sterk worden benadrukt en dat kon alleen door Christus waardig, tot op het onaangedane af, weer te geven. Omdat de kruisweg van Albert Servaes hieraan niet voldeed, werd deze in 1921 door Rome verboden voor godsdienstig gebruik.

Lijdende, strijdende en overwinnende kerk[23]

Deze van oorsprong middeleeuwse driedeling slaat op de ruimtelijke ordening in de kerk: de lijdende kerk in de vroegere voorhof en het portaal, de strijdende kerk in het schip en de overwinnende kerk – aangekondigd door de triomfboog – in het priesterkoor. Alberdingk Thijm die deze driedeling herontdekte, onderscheidde daarnaast een verticale geleding waarbij de vloer met de zerken stond voor de lijdende, het schip voor de strijdende en de vensterzone voor de overwinnende kerk. In het interbellum speelden beide tritsen een belangrijke rol, waarbij kunstenaars vaak op het snijvlak van de strijdende en overwinnende kerk grensverleggend bezig waren.

Liturgie[24]

Het woord komt al in de Handelingen van de Apostelen voor als verwijzing naar een openbare en duidelijk omschreven ceremonie voor Christenen. Tijdens de katholieke kunstenaarsdagen van 1932 gaf de liturgist dominicaan L. Verwilst de volgende omschrijving: ‘Liturgie is de officiëele eeredienst der Kerk. De Liturgie is niet het samenstel van de leer zelf der Kerk, doch onze dogma’s gegoten in eeredienst-vormen, een ritus voor een offer- en gebedsplicht volgens bepaalde regels opgesteld’. De liturgie had tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) haar beslag gekregen in de Romeinse ritus die tot het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) van kracht was. Het kerkgebouw vormde het podium voor deze ritus met zijn choreografie van bidden, smeken en offeren, zingen en bewegen, bewieroken, kussen en zegenen. Al vanaf vroegchristelijke tijden werd deze gewijde plaats in architectuur, interne ruimtelijke ordening en uitmonstering op de liturgie afgestemd. Er ligt dan ook een nauwe relatie tussen de liturgie, de bouwsymboliek, het decoratieprogramma en de iconografie van de monumentale kerkelijke kunst uit het interbellum.

Makelij

Zie factuur.

Movere[25]

Movere is een term uit de klassieke retorica die net als decorum* vanaf de renaissance als een van de vaste regels van de – academische – kunst is gaan gelden. Letterlijk betekent movere bewegen, in dit geval het gemoed bewegen (ontroeren, aandoen) en maakte het deel uit van het scala middelen uit de retorica om het publiek te overtuigen. Dit ontroeren en (dus) overtuigen diende in de kerkelijke kunst op een beschaafde manier plaats te vinden, in overeenstemming met het decorum*. Ook dat was een reden waarom de kruisweg van Albert Servaes in 1921 werd veroordeeld, hetgeen Rome later nog eens herhaalde met het expressionisme, zoals onder meer gebezigd door Emil Nolde. Movere leunt sterk aan tegen het eveneens retorisch begrip dilectare of genieting dat Maritain actualiseerde onder verwijzing naar Poussin in Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924). Bij de epische stroming die sterk onder invloed stond van de historieschilderkunst, speelde de retorica (welsprekendheid) met alle hier genoemde componenten een grote rol. Door de meer cerebrale inslag van de symbolisten en de synthetisten ging het in hun – katholieke – werk vaak meer om een gesublimeerde gevoelsoverdracht. Bij de expressionisten verschoof het accent in navolging van Van Gogh naar de relatie tussen het handschrift en de gevoelsuitdrukking. De kwalificatie die Godfried Bomans in 1963 vastlegde: ‘ergens doet het me wel wat’, is een directe afstammeling van het movere.

Mystiek[26]

In de mystiek staat het streven naar de transcendente vereniging van de menselijke ziel met God of een goddelijk opperwezen centraal, dat het christendom van het neoplatonisme heeft overgenomen. Omdat de beoogde vereenzelviging van de ziel met God in het katholieke geloof een stap te ver ging, werd deze vereniging beschreven in termen van een verloving of huwelijk tussen de ziel en Christus, met alle sexuele connotaties van dien. Maritain verwees in Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924) – naar Dionysius de Areopagiet in een passage over schoonheid en liefde, over de mens als minnaar en de liefdesextase die God zelf ondergaat als gevolg van zijn overvloed. Ook in het interbellum bleef het icoon voor de mystieke eenwording het barokke beeld van de mystica Theresia van Avila van de hand van G. Bernini. Een van de kunstenaars die de mystieke liefde in zijn werk een prominente rol toekende was Jan Toorop.

Nieuwe barok[27]

De nieuwe barok uit de jaren dertig is een vorm van expressionisme die in Nederland een hoge vlucht nam nadat Rome het expressionisme had veroordeeld als arte blasfema (godslasterlijke kunst). Door op de barokke vormentaal in te spelen die geassocieerd werd met de reformatie, beschikten de kunstenaars over een effectief alibi. De keuze voor de barok lag voor de hand vanwege de met name door Duitse kunsthistorici en –critici uitgedragen opvatting, dat gotiek, barok en expressionisme op hetzelfde Formwillen teruggingen: de barok werd dus opgevat als een vorm van gotiek en het expressionisme als alternatieve barok. Ook in Nederland raakte de trits gotiek-barok-expressionisme ingeburgerd. Tegelijkertijd speelde de trits klassiek-barok-modern* van Theo van Doesburg een belangrijke rol in het kunstdebat van het interbellum.

Optische modus

Zie haptische modus versus optische modus

Originaliteit

Zie gecombineerde verbeelding.

Pondération[28]

De pondération is als begrip ontleend aan Viollet-le-Duc: het betreft het evenwicht tussen de samenstellende onderdelen in een ontwerp, waarbij massa’s van ongelijke grootte en diepte tot een ‘euritmische’ harmonie worden gebracht. Het begrip dient in dit onderzoek als noodoplossing, omdat in de kunstkritiek van het interbellum geen sluitend alternatief voorkomt. Pondération is voor een deel vergelijkbaar met wat Engelman in zijn bespreking van het werk van Van Rees bedoelde met de ‘nieuwe ruimtelijke logica’* en ‘het nieuwe gevoel voor het ruimtelijke dat de antieke perspectief aantastte’. Dit laatste kan echter ook zonder pondération. Een ander evenmin helemaal sluitend alternatief is het woord ‘verhoudingsbeelding’* van Van Doesburg: de harmonie tussen het objectieve en het subjectieve in de (contra-)compositie op het platte vlak; tussen horizontalen, verticalen en/of diagonalen met de gekleurde vlakken, die door deze lijnen worden ingesloten.

Rationalisatie[29]

De productie van monumentale uitmonsteringen was (ook) in het interbellum sterk gerationaliseerd. Onder leiding van de vaak academisch gevormde ontwerper van de polychromie werkte een ploeg aan figuristen (waartoe ook de ontwerper zelf hoorde), vlakversierders voor de ornamenten en kalligrafen voor de opschriften. Het voorbereidende werk werd gedaan door stukadoors voor de drager van de schilderingen en vakschilders voor de grondlagen. De vakschilder kon zich opwerken tot gediplomeerd meesterschilder door zich via opleidingen te bekwamen in kalligrafie en vlakversiering. Een deel daarvan zette door en ontwikkelde zich tot figurist. Verschillende academisch gevormde schilders die monumentaal werk uitvoerden hadden overigens een vooropleiding gehad aan de ambachtsschool (onder wie Matthieu Wiegman, Henri Jonas en Charles Eyck).

Retour à l’ordre[30]

De Frans-Europese beweging van le retour à l’ordre, actief vanaf 1918, ging uit van de immanent geachte groei van de moderne kunst naar een klassieke* fase die noodzakelijkerwijs moest volgen, na de reuring van het abstracte, kubistische experiment. Vertegenwoordigers hiervan waren onder anderen de filosoof Jacques Maritain, de dichter-kunstenaar Jean Cocteau en de schilder Pablo Picasso, en in Nederland in de monumentale kunst met name Matthieu Wiegman en Otto Van Rees. Hier werd de beweging in de kunstkritiek vooral uitgedragen door Pieter van der Meer de Walcheren en Jan Engelman. De Rappel à l’ordre, zoals Cocteau deze beweging noemde, inspireerde de beeldende kunstenaars tot de ontwikkeling van een nieuw classicisme dat in verhouding tot abstracte voorfase realistisch oogde.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0216 (2012).

Riegls dichotomie*

Zie haptische modus versus optische modus

Roomse Haagse school[31]

De Roomse Haagse school heeft feitelijk nooit bestaan, dat wil zeggen niet onder deze benaming. De naam slaat op artiesten die lid waren van het Haagse katholieke kunstenaarsgenootschap of in de directe omgeving daarvan verkeerden. Men streefde een symbolistische kunst na die ‘rein intellectief [sic]’ van karakter was. Niet de streling van de zintuigen, maar de ‘voldoening voor het verstand’ stond voorop die gepaard ging met een gesublimeerde gevoelsuitdrukking. Een sterk lineaire, gestileerde* kunst, geënt op het voorbeeld van Toorop was het resultaat. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat onder deze kunstenaars de eerste volwaardige receptie van het idioom van Thorn Prikker in Nederland heeft plaatsgevonden. Veel van de kunstenaars uit deze groep maakten vroeg of laat een overstap naar de nieuwe barok*.

Stijlindicator[32]

Met het begrip stijlindicator wordt een element aangeduid op grond waarvan een bepaalde stroming of vormentaal kan worden geïdentificeerd en gedateerd. Tussen de meer algemene kenmerken nemen ze een bijzondere positie in. In dit boek betreft het met name de golvende bies bij de Beuroner kunst als begrenzing van een object of gebied in een voorstelling. Voorts karakteristieke, smalle verticale elementen die in blokjes zijn opgeknipt uit het idioom van Thorn Prikker, als onderdeel van het door hem ontwikkelde glasmozaïek.

Stijlpluralisme, pluriforme of meerstijlige kunstenaars[33]

Tot ver na 1940 beschouwde men het als normaal dat een kunstenaar – tegelijkertijd – in meer stijlen werkte. Het concept van een lineaire ontwikkeling volgens het principe van progressie, waarbij de ene stijl chronologisch op de andere volgt en tot steeds ‘betere’ kunst leidt, was niet aan de orde. Kunstenaars achtten zich vrij om in deze meerstijligheid op een eclectische manier uit het verleden te putten. Niet alleen werd de keuze voor een belangrijk deel gestuurd door het decorum*, maar ook door bepaalde associaties die met een specifieke stijl gepaard gingen. Een goed voorbeeld is de barok* die als de stijl van de contrareformatie bij uitstek geschikt was voor kerkelijke doeleinden.

Symbolisme[34]

Het symbolisme was een stroming in de beeldende kunst, muziek, toneel en literatuur die in het fin de siècle opgang maakte, in eerste instantie in Frankrijk, maar spoedig daarna ook in de rest van Europa. Verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie werden centraal gesteld. Het symbolisme heeft een sterk individueel karakter, wat onder meer te maken had met de belangstelling voor het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. De innerlijke, irrationele ervaringen werden belangrijk, met de nadruk op droombeelden en de dood. Deze wat beladen inspiratie ging gepaard met onheilsverwachting en dreiging, onmacht en decadentie. Wat betreft de uitwerking stond het symbool niet langer voor een teken dat volgens een algemeen geaccepteerde code een bepaald begrip of samenstel van begrippen zou weergeven met geijkte personificaties en attributen. Als waarneembaar en betrekkelijk herkenbaar teken fungeerde het als poort naar een niet-zintuiglijke wereld. De kunstenaar zou door zijn talent toegang hebben tot die wereld en zelf de symbolen bedenken of bepalen welke bestaande beelden geschikt waren om zijn visie op de ideeën uit die wereld uit te drukken. In die zin had het symbolisme een sterk neoplatoons karakter.

In de loop van de jaren twintig nam het talige karakter van het symbolisme als ‘duister geheimschrift’ steeds verder af en werd onder invloed van het expressionisme* de nadruk verlegd naar het intuïtieve teken.

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het ‘klassieke’ symbolisme uit de late negentiende eeuw in Nederland was Jan Toorop* die tevens exemplarisch is geweest voor de verdere ontwikkeling van het symbolisme na 1900 tot in het interbellum. In dit verband kunnen verder kunstenaars als Willem van Konijnenburg, Chris Lebeau en Anton Molkenboer worden genoemd.

Synthetisme[35]

Het synthetisme kan worden opgevat als een differentiatie van het symbolisme. Bij het symbolisme in engere zin zocht een kunstenaar bij de ideeën die hij wil uitdrukken een bijpassend realistisch ogend teken. Bij het synthetisme was het juist andersom: door zijn talent achtte de kunstenaar zich in staat het teken dat onder de werkelijkheid verborgen ligt op te sporen en in zijn kunst te actualiseren. Het gaat om een synthese van leesbare beeldcomponenten uit de wereld om ons heen, die de kunstenaar destilleerde en tot symbool verhief om zijn visie uit te drukken. Een van de initiatoren was Paul Gauguin die hiervoor gebruik maakte van het historisch presens.*

Belangrijke vertegenwoordigers in Nederland waren A.J. Derkinderen en R.N. Roland Holst die het synthetisme verbonden aan het ideaal van de gemeenschapskunst*.

Ook het synthetisme is het gehele interbellum lang van kracht gebleken, waarbij met name het historisch presens* een belangrijk kenmerk bleef.

Una sancta

Synoniem dan wel metoniem voor de rooms-katholieke kerk. Het begrip slaat op de ‘ene heilige katholieke en apostolische kerk’ uit de geloofsbelijdenis die een vast onderdeel is van de liturgie van de Eucharistieviering: ‘Et unam, sanctam, catholicam et apostolicam Ecclesiam’ (vanwege het toevoegsel ‘Credo in …’ (Ik geloof in …), staat dit in de oorspronkelijke tekst in de accusativus) Het wordt in deze publicatie in de nominativus als metafoor en metoniem voor de R.K. Kerk gehanteerd. Voor de volledige tekst zie Wikipedia, lemma ‘Credo (mis)’.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0211 (2012).

Verwijzende termen en begrippen

Modern en anti-modern

Paragraaf 1.2 Probleemstelling; 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’; 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming; 2.4.1 De Katholieke Leergangen in Tilburg; 6.1 Jargon en spelersveld; 6.2.3 Kosmisch symbolisme (1921-1927); 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst

Maniërisme

Paragraaf 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie; 7.3.2 De inspiratie van Derkinderen en de Goudse glazen.

Mozaïek

Paragraaf 5.8.3 Gerardus Majellakerk te Tilburg; 5.8.4 De Cenakelkerk in de Heilig Landstichting (Piet Gerrits); 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen; 6.4.2 De Antonius Abtkerk in Scheveningen (1925-1928); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst (Anton Molkenboer).

Leesbaarheid

Paragraaf 4.2 Albert Plasschaert; 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer; 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme; 5.8.5 Evaluatie en waardering (Piet Gerrits); 6.1 Jargon en spelersveld; 6.3.1 In de periferie van grote meesters: Alex Asperslagh; 6.4.1 O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag (1922-1923); 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten; 7.7.2 Pietàkapel met de bewening in de Obrechtkerk; 7.12.4 Kritiek, kenniswinst en waardering.

Kubisme, cubisme

Paragraaf 1.2 Probleemstelling; Paragraaf 2.3.6 Campendonk en de voorhoede van de Wederopbouw; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer; 4.5.2 Een ‘plastisch en poëtisch esperanto’; 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme; 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie; 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten; 7.7 Otto van Rees; 7.12 De overvloed van de weelde: naschrift en slotbeschouwing

Abstract en figuratief

Paragraaf 2.3.6 Campendonk en de voorhoede van de Wederopbouw; 4.2 Albert Plasschaert

Byzantijns

Paragraaf 5.3 De epische mise-en-scène en de Beuroner beurtzang; 5.7 Tussen architect, atelier en kunstenaar: Joseph Cuypers en Joan Collette; 5.8.3 Gerardus Majellakerk in Tilburg en 5.8.4 De Cenakelkerk in de Heilig Landstichting (Piet Gerrits); 5.9 Op Beuroner wieken: Charles Eyck; 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering (Collette); 6.3.7 Evaluatie: kritiek en waardering (Collette); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst (Anton Molkenboer).

Muur als papier

Paragraaf 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming (Derkinderen); 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 7.6.1 Tussen klassiek en barok (Otto van Rees); 7.7 De muur als een blad papier: Jos ten Horn

Neogotiek

Paragraaf 4.6 Naschrift: in de periferie van de kunstkritiek; 5.7 Tussen architect, atelier en kunstenaar: Joseph Cuypers en Joan Collette

Symboliek

Paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie

Verfmateriaal

Paragraaf 2.3.4 De steen der wijzen; hoofdstuk 3: fresco, keim, wasverf, caseïne; paragraaf 5.4.2 Rolverdeling en technieken (gebroeders Dunselman)

Dragers

Paragraaf 2.3.3 De collegestof van Derkinderen; hoofdstuk 3: pleister, linoleum, eterniet, hardboard, zachtboard; paragraaf 5.4.2 Rolverdeling en technieken (gebroeders Dunselman)

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0214 (2012).

Naschrift

Mochten er lezers zijn die suggesties hebben voor aanvullingen en aanpassingen van de bovenstaande lijsten, dan is dat van harte welkom. Laat het ons weten per app of per mail: 06 513 87 805 of vanhellenberghubar@gmail.com.

;-) B (&M)

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Noten

*Bij dit overzicht wordt verwezen naar beleid en regelgeving die anno 2013 van kracht was. De belangrijkste verandering is de Erfgoedwet (1916). Wat die op dit specifieke punt heeft gebracht wordt uitgelegd in: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “De mantel der bescherming. De Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt als toetssteen”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2021): 22-30. http://bit.ly/2TXbZnz-VanHH2Org

Voor de volledige titels, waarnaar door middel van verkorte titels wordt verwezen, zie de bibliografie van De genade van de steiger.

[1]   Zie paragraaf 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain.

[2]   Bewerking en aanvulling van het lemma barok op de AAT.

[3]   Nieuwbarn, Beuroner Kunstleer, passim. Verkade, Van ongebondenheid, pp. 228-230. Zie voorts paragraaf 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre; 5.4.3 De Nicolaaskerk: historieschilderkunst en Beuroner schema’s; 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering; 6.1 Jargon en spelersveld; 6.6.6 Kritiek, kenniswinst en waardering.

[4]   Het thema van de Biblia pauperum en het boek der leken is verspreid over deze studie te vinden (zie het register). Meer in het bijzonder komt het ter sprake in paragraaf 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming; 2.3.3 De collegestof van Derkinderen.

[5]   Nicolas, Wij glazeniers, p. 90. Voor de context zie paragraaf 2.3.5 Roland Holst aan het roer en 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme.

[6]   Zie 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie, paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, 5.6.4 Evaluatie en waardering (F.H. Bach), 5.10.3 Han Bijvoet als epische einzelgänger (1897-1975), 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering, 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek, en 7.10 Charles Eyck.

[7]   Site RKD, AAT (Art & Architecture Thesaurus), zoekterm: contrapost.

[8]   Zie de paragrafen 2.1 Entree in de historiografie, 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’ en 4.2 Albert Plasschaert. Voorts: Hubar, De muziek van het licht, passim.

[9]   Zie de paragrafen 1.2 Probleemstelling, 2.3.5 Roland Holst aan het roer, 4.2 Albert Plasschaert, 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre, 5.4.5 Tussentijdse balans en waardering, 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt.

[10] Bewerking en aanvulling van het lemma Expressionisme op Wikipedia. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt. Voor een nadere uitleg zie voorts de paragrafen 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5 Jan Engelman en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[11] Zie paragraaf 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten. Een definitie van factuur of makelij ontbreekt in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.

[12] Zie met name Bank en Van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, pp. 151-194. De AAT verwart dit begrip met dat van publieke kunst. Voorts paragraaf 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’, en 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming.

[13] Nieuwbarn, Beuroner Kunstschool, pp. 26, 28, 39. Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 48-549; 336-345; i.h.b. p. 231. Zie paragraaf* 2.3.5 Roland Holst aan het roer; 6.2.3 Kosmisch symbolisme (1921-1927); Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[14] Zie ook de AAT. Voorts het lemma Gesamtkunstwerk uit het Algemeen letterkundig lexicon (2002) op de site van de DBNL. Een uitstekende contextmatige uitleg is te vinden bij Bank en Van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, pp. 151-194.

[15] Zie paragraaf 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer en 4.5 Jan Engelman.

[16] Zie de paragrafen 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie, 5.7.4 De uitmonstering van de Laurentiuskerk te Dongen, en 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919).

[17] Gebaseerd op paragraaf 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre. De AAT toont een afwijkende uitleg van dit begrip.

[18] Bewerking en aanvulling van het lemma historisch presens uit het Algemeen letterkundig lexicon (2002) op de site van de DBNL.

[19] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie. Voorts de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.

[20] Zie de paragrafen 4.3.1 Bernard H. Molkenboer o.p. en 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller.

[21] Zie 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller, 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme, 7.5 Matthieu Wiegman, en 7.6 Otto van Rees.

[22] Voor een deel ontleend aan het gelijknamige lemma op Wikipedia. Zie voorts paragraaf 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, en 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919).

[23] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie.

[24] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie. Voorts de lemma’s liturgie, Concilie van Trente en Tweede Vaticaans Concilie op Wikipedia.

[25] Zie paragraaf 4.1. Woorden, 4.3.1. Bernhard H. Molkenboer o.p., 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre, en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[26] Zie paragraaf 2.4 De Roomsche academie, 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller, 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5.2 Een ‘plastisch en poëtisch esperanto’, 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie, 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie, 6.2 Toorops katholieke symbolisme.

[27] Zie de uitleg in paragraaf 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[28] Zie de uitleg in paragraaf 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten. Viollet-le-Duc, Entretiens I, 1863, pp. 479-486.

[29] Zie paragraaf 2.2 De actoren en 2.5 Het onzichtbare leger van vakschilders.

[30] Zie het betreffende lemma op Wikipedia en de paragrafen 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 7.5 Matthieu Wiegman, en 7.6 Otto van Rees. Wat de Nederlandse vrije schilderkunst betreft zie Blotkamp e.a., Magie en zakelijkheid, passim.

[31] Zie paragraaf 6.3. De Roomse Haagse school.

[32] Zie paragraaf 5.7.2 De Beuroner stijlindicator, 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh, 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen, 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten, en 7.3.1 Asselt: de ‘groote symphonie der doodenmysteriën’

[33] Zie met name paragraaf 1.2 Probleemstelling.

[34] Bewerking en aanvulling van het lemma symbolisme op Wikipedia. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt. Voor een nadere uitleg zie voorts de paragrafen 4.2 Albert Plasschaert, 6.1 Jargon en spelersveld, en: 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[35] Zie hiervoor paragraaf 2.3.5 Roland Holst aan het roer, 4.2 Albert Plasschaert, en 6.1 Jargon en spelersveld. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1894. Opvallend zijn de florale motieven geëtst in het glas. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0217 (2012).

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina onder deze link (die ondanks de doorstreping wel werkt).* Ook op LinkedIn en Instagram zijn we te vinden.

Ga eens kijken en deel de berichten, zodat ze een nog grotere actieradius bereiken!

Je kunt ons en andere onderzoekers ook helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina (graag de hashtags #GvdS, monumentale schilderkunst, vaktermen gebruiken).

Verkorte link van dit item: VanHH.org/?p=19230

Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger’

Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger’ — Zoals op de hoofdpagina aangegeven, hebben we in het kader van het drie-jarige project ‘De genade van de steiger’ (2011-2013) verschillende spreadsheets opgezet, die we hier online hebben gezet.1

Deze slideshow vereist JavaScript.

Spreadsheet ‘Genade van de steiger’

We beginnen met het meest omvangrijke spreadsheet: het overzicht van alle kunstenaars die we tegen zijn gekomen tijdens ons onderzoek: niet alleen hun kerkelijk oeuvre, maar ook profane werken zijn ingevoerd. Ook kunstenaars die naar achteraf bleek alleen burgerlijke opdrachten hebben uitgevoerd, zijn in dit spreadsheet opgenomen. Omdat de meeste kunstenaars maar een klein oeuvre hebben in het genre van de monumentale schilderkunst, is ook hun werk op het gebied van de glasschilderkunst meegenomen onder de aanduiding glasschilderingen om over voldoende referentiekader te beschikken. Deze term dient als verzamelnaam voor allerlei toegepaste technieken voor monumentale glazen.

Kruiswegstaties worden standaard vermeld. Indien aangetroffen in de uitgangsliteratuur, zijn de ezelschilderijen als één item ingevoerd. Daarnaast is het werk van referentiefiguren als Antoon Derkinderen en R.N. Roland Holst opgenomen.

Toen we het spreadsheet in 2014 opleverden bij de RCE hebben we dat vanwege de hanteerbaarheid in Open Office gedaan, omdat het in Excel vastliep (en loopt). Om dit materiaal on line te plaatsen hebben we het hoofdbestand in drie delen gesplitst in de format van een Google spreadsheet, waardoor ze als Excelbestanden bewerkt en gedownload kunnen worden. Evengoed zijn ze in Open Office/Libre Office te bewerken.

Bij dit spreadsheet hoort een afzonderlijk bestand met de afkortingen die naar de gebruikte bronnen verwijzen, eveneens beschikbaar in Google spreadsheet.

We kunnen het niet vaak genoeg herhalen: in principe is dit spreadsheet in 2014 afgesloten, dus qua verwijzingen naar bronnen als literatuur, internetsites et cetera is het zeker niet actueel, zoals hieronder nader wordt toegelicht.

Toelichting op het interbellum spreadsheet

De meeste kolomaanduidingen spreken voor zich, met uitzondering van de volgende:

Kolom L) met de aanduidingen K, A. P en S: is bedoeld om op typen te kunnen sorteren:

  • K = Kerk
  • A = Aanverwant kerkelijk instituut (klooster, school, patronaat, et cetera)
  • P = Profaan
  • S = Schip

Er zitten diverse symbolen, zoals @ en # in het spreadsheet. Die hebben een rol in het kwantitatieve onderzoek dat we met dit bestand hebben gedaan. Daar komen we nog op terug.

Een enkele afkorting zal niet langer duidelijk zijn, zoals:

  • MoL: ‘Monumenten on line’ is tegenwoordig te vinden onder de naam van Rijksmonumentenregister op de site van de RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)
  • SKKN: Stichting Kerkelijk Kunstbezit. Spijtig genoeg is deze in 2012/2013 opgeheven. Gelukkig is niet alle kennis verdwenen, want het instituut is in afgeslankte vorm overgenomen door het Catharijneconvent onder de naam ‘Kerkcollectie digitaal’.

Wat betreft de kleuren in het spreadsheet volgt nog een verdere uitleg.

Nota bene! — Onthoud dat veel snelkoppelingen in de bestanden verouderd zijn! Voor een deel bestaan de betreffende sites helemaal niet meer, maar voor een nog groter deel gaat het om websites die inmiddels al verschillende keren veranderd zijn zonder de methode van de redirect toe te passen. Via redirect kan namelijk doorgelinkt worden naar de nieuwe URL’s van de betreffende berichten en pagina’s. Wat vaak (maar niet altijd) uitkomst biedt is de Way Back Machine van Archive.org. Dus vind je een site, waarvan je denkt dat je die echt had moeten kunnen raadplegen, probeer dan de Way Back Machine, waarin eind 2021 ruim 629 biljoen webpagina’s zijn opgeslagen. Wie weet zit die van jou er ook bij!

Verder stond veel materiaal op de box.net server van toen nog Res nova. Inmiddels is die server vervangen door VanHH4all op Gdrive. Mogelijk dat we hier te zijner tijd een link opnemen naar een map, waarin dit materiaal opnieuw beschikbaar komt.  

Deze slideshow vereist JavaScript.

Sorteren

Het mooie van een spreadsheet is dat je ermee kunt sorteren. Daar hebben we veel plezier van gehad bij het kwantitatieve onderzoek, toen we bijvoorbeeld hebben gecontroleerd over hoeveel werk in rijks- en anderszins beschermde kerkgebouwen zit. Voor Gsheets kun je terecht bij het tabblad Gegevens in de menubalk van het programma en als je er niet uitkomt bij het tabblad Help (zoektermen: sorteren of filter). Ook bij andere programma’s kun je deze informatie vinden via de HELP-toets.

Voordat je gaat werken met de sorteerfunctie adviseren we je om het volgende doen:

  1. Maak een kopie van het bestand
  2. Lees in de gebruiksaanwijzingen hoe je moet sorteren. 
  3. Neem de tijd voor ’trial and error’
Delen en terugkoppelen

Delen is onze ‘middle name’, dus klik op de knop delen als je de kennis uit dit spreadsheet verder wil verspreiden. 

Het andere waar we heel blij mee zijn is terugkoppeling en aanvullingen. Dat kan per mail: vanhellenberghuar@gmail.com, maar mag ook via de app: 06 513 87 805.

Spreadsheets met het overzicht van de foto’s, bestemd voor de beeldbank van de RCE

Net als het voorgaande spreadsheet zijn die van de foto’s als Gsheet (Google spreadsheet) online gezet. Ze kunnen zowel met Excel, Libre Office als andere toepasselijke programma’s bewerkt worden.!

Overigens zijn de foto’s zijn qua resolutie niet zwaar genoeg om gebruikt te worden voor drukwerk. Mocht je dat nodig hebben, dan kun je die bij ons opvragen via vanhellenberghubar@gmail.com.

Kennis uitwisselen en delen

Over de kunstenaars in De genade van de steiger is nog meer te vinden bij de toegangen tot het boek. Daarnaast zijn enkele fragmenten opgenomen.

Het project komt verder met grote regelmaat aan de orde op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB en op de besloten Facebookpagina van Nederlands religieus erfgoed.

Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat de berichten over monumentale kerkelijke schilder- en glaskunst een nog grotere actieradius bereiken!

Het zou fijn zijn als je dit stuk wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop de knop delen onderaan de pagina. Wees zo goed om de hashtag #GvdSteiger te gebruiken.

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  1. De hier genoemde foto’s en het spreadsheet voor de database staan slechts voor een deel op de beeldbank van de RCE. Voor de reprorechten hanteert de RCE de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 licentie, CC-BY-SA 4.0 of de voorganger ervan: CC-BY-SA 3.0. Dit betekent dat de foto’s overgenomen mogen worden, gebruikt en gedeeld onder naamsvermelding. Voor meer informatie over de in de inhoudsopgave genoemde kunstenaars en hun werk zie het register van ‘De genade van de steiger’ en het spreadsheet met de inventarisatie (in bewerking om online te zetten).
  2. Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten, tabellen (spreadsheets) en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.
  3. Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger”’. VanHellenbergHubar.org (blog), 2014-2021. http://bit.ly/3kE8i0R-VanHH2Org.

Verkorte link van dit item: 

← Naar Interbellumdatabase(s) ‘De genade van de steiger’

← Naar de hoofdpagina van ‘De genade van de steiger’

Nicolas in ‘De genade van de steiger’ →

Joep Nicolas, Intrepiditas stadhuis Breda. Afb. 343 Joep Nicolas, Intrepiditas (onverschrokkenheid) uit de serie deugden (1926-27) in de trappenhal van het stadhuis van Breda. Deze cyclus is in meer opzichten beïnvloed door het werk dat hij had gedaan aan de voltooiing van de glazen van Derkinderen (1925) in de trappenhal van de Algemene Handelsmaatschappij te Amsterdam. ((Afbeelding uit: Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 41.))

Dit is een doorverwijzingspagina naar ‘Joep Nicolas tussen de glazen’, overgenomen uit mijn boek ‘De genade van de steiger’.

Op de steigers in de Rotterdamse kathedraal

Ook bij #kerkverhalen van ifthenisnow.eu besteden we aandacht aan de Laurentius-Elisabethkathedraal, zoals je hieronder kunt lezen.


#Kerkverhalen | Op de steigers in de Laurentius-Elisabethkathedraal te Rotterdam | if then is now

Wil je met de zoektoets door dit artikel kunnen gaan, surf dan naar het origineel op ifthenisnow.eu.

Dan kun je meteen de aparte website #kerkverhalen van if then is now bekijken, waarop een selectie van interessante artikelen staat van onder meer Wies van leeuwen, André Droogers en Joost van Hest. Vergeet vooral niet te kijken naar de topics en de mirror, waarin then en now bij elkaar komen.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2vvhLfJ
Terug naar de hoofdpagina!

BewarenBewaren

Een boek voor de bisschop

Soms heb je van die ontmoetingen die heel verrassend zijn. Dat overkwam mij toen ik begin dit jaar de Laurentius-Elisabethkathedraal in Rotterdam bezocht voor een gesprek over de schilderingen in de apsis, waar onderzoek voor nodig was. Bij die gelegenheid maakte ik kennis met de bisschop, monseigneur dr Hans J.H. van den Hende. De bisschop verraste me door een vergelijking te trekken tussen het werk van de gebroeders Dunselman en hun collega F.H. Bach, welke laatste zelfs in de kringen van kenners weinig bekendheid geniet. Bach heb ik, net als de gebroeders Dunselman, behandeld in ‘De genade van de steiger‘.* Van den Hende draagt warme herinneringen aan de heilig Hartkerk van zijn jeugd in Groningen die beschilderd was door deze kunstenaar, docent aan Academie Minerva in Groningen. Helaas is dit gebouw van Jan Stuyt uit 1913 in 1994 gesloopt.* Saillant detail: dit gesprek vond hoog boven op de steiger plaats, terwijl we de eerste resultaten van het herstel van de sjabloonschilderingen door Jojanneke Post in de apsis bekeken.

Maandag 17 juli heb ik op weg naar de kathedraal een omweg gemaakt via het bisschopshuis om De genade van de steiger aan de bisschop aan te bieden. Ik voelde me een beetje als Jozef Alberdinkg Thijm toen hij de bisschop van Haarlem De Heilige Linie aanbood; zo spiegel ik me aan een van mijn ‘helden’ uit de negentiende eeuw.* Alleen verging het mij beslist beter dan Thijm, want Van den Hende heeft grote belangstelling voor kerkelijke kunst en is heel geïnteresseerd in de terugkomst van Kees Dunselman in de kathedraal. Wordt dat een letterlijke terugkeer? Nee, zeker niet. Zoals we door de ogen van Kees kijken naar het ontwerp van zijn broer Jan – die dit project niet meer af heeft kunnen maken – zo kijken we straks door de ogen van Jojanneke Post naar de schildering van Kees Dunselman. Dat gaat nog heel spannend worden.

Van de aanbieding van ‘De genade van de steiger‘ is een bericht verschenen op de website van het bisdom, dat je hieronder kunt lezen.

Bisschop neemt boek over kerkelijke schilderkunst in ontvangst - bisdom Rotterdam (21 juli 2017).

Wil je het verhaal lezen met actieve snelkoppelingen en er met de zoektoets doorheen gaan, surf dan naar de pagina op de site van het bisdom Rotterdam.

Als kunsthistorici willen we wel eens vergeten dat de kunst van schilders als de gebroeders Dunselman niet alleen iconografisch spannend is, maar ook een liturgische functie heeft. Dat is best een ingewikkeld begrip, liturgie, dus het is goed dat Van den Hende er hier nog eens de aandacht op vestigt. Dit past overigens in de eigentijdse context, want het werk van Kees Dunselman in de Lebuïnuskerk van Deventer werd onder meer gunstig beoordeeld vanwege de ‘streng liturgische afwerking‘.* Dat was in 1927, twee jaar voordat hij de Elisabethkerk in Rotterdam van zijn broer overnam.

Hoe dat afliep … dat kun je lezen in mijn e-boek ‘Tussen Gabriel en Michael’.

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  • Hubar, van Hellenberg, Bernadette C.M., Angelique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger: monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Zutphen: Walburg Pers, 2013.
  • “Groningen, Moesstraat 8 – Heilig Hartkerk – Reliwiki”, 2016. http://bit.ly/2vFyAV6.
  • “Franciscus Hermanus Bach”. Wikipedia, 22 juli 2017. http://bit.ly/2vGdXbu.
  • Thijm, J.A. Alberdingk. De Heilige Linie, proeve over de oostwaardsche richting van kerk en autaer als hoofdbeginsel der kerkelijke bouwkunst. Sterck, J.F.M., red., J.A. Alberdingk Thijm, werken IV, kunst en oudheidkunde I. Amsterdam/Den Haag: C.L. van Langenhuysen, Martinus Nijhof, 1909. http://bit.ly/Thijm-Heilige-Linie.
  • “UIT ANDERE PLAATSEN. Polychromie St. Lebuinuskerk te Deventer.” De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad. 30 augustus 1927, Dag druk. Delpher Koninklijke Bibliotheek. http://bit.ly/2tAKYIB.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2ul3rrz
Terug naar de hoofdpagina!

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

#Kerkverhalen

Afgelopen jaren (2021-2024)

Collectie #kerkverhalen

De nieuwe Bavo | KoepelKathedraal Haarlem

De genade van de steiger

Zwaargewichten


Augustijnenklooster bij de Paterskerk te Eindhoven Charles Eyck circa 1933. Foto bvhh.nu 2014.

Tijdens het onderzoek naar de Paterskerk ontdekte ik deze muurschildering van Charles Eyck in de refter van het augustijnerklooster Marienburg bij de Paterskerk te Eindhoven (circa 1933). Het werk is dubbel onbekend: in het klooster wist men niet meer dat het van Charles Eyck is en in zijn tot 2014 bekende oeuvrelijst komt het niet voor. Vergelijkbaar met wat Eyck in de kapel van de kweekschool te Zeist heeft gedaan, past hij een vorm van het historisch presens toe door de de gekruisigde Verlosser te omringen met augustijnen (links) en augustinessen (rechts) in de jaren dertig. Het opschrift op de banderol luidt: Ante omnia fratres carissimi, diligatur Deus, deinde proximus (Voor alles, zeer beminde broeders, wordt God bemind en vervolgens uw naaste). Liefde is het sleutelwoord van  Augustinus, zoals prachtig verwoord op de site van de orde, waar deze schildering eveneens staat afgebeeld. Aan het monumentale werk van Charles Eyck heb ik overigens veel aandacht besteed in De genade van de steiger.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/3kXNEYB-VanHHOrg

Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo

Eind november 2015 ben ik gestart met een serie over kunst met een kleine en een grote K voor de Faceboekpagina van de nieuwe Bavo en het platform if then is now. Er valt voor een verhalenverteller zoveel te doen bij de kathedraal, zelfs als je klaar bent met de kopij van een boek van ruim 300 pagina’s. Via de pictografie hieronder kom je terecht bij de ene na de andere blog. Gaat het niet over het gebouw, dan gaat het wel over de architect, gaat het niet over de architect, dan wel over de inrichting, gaat het niet … ach, ik zou zeggen, klik eens wat aan en neem een kijkje. Je bent van harte welkom!

Hoe het werkt?

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

De balustrade van de koepel in de nieuwe Bavo. Foto bvhh.nu 2013.

Boven: de balustrade van de koepel van de nieuwe Bavo. Foto bvhh.nu 2014.

De items op de Facebookpagina van de nieuwe Bavo

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Detail van een van de glazen in de lucida van de nieuwe Bavo van Pierre J.H. Cuypers (figuratie) en Joseph Th.J. Cuypers (ornamenten). Foto BvHH 2015.  Bloemen voor sint Jozef op 19 maart (foto BvHH 2015)

Links: het openingsconcert/lezing van ‘De nieuwe Bavo bloeit’. Rechts: de feestdag van Sint Jozef op 19 maart trok veel bekijks!

Joseph Cuypers in De Limburger van 11 februari 2016.  Joseph Cuypers 75 jaar, artikel De Tijd 9 juni 1936, herkomst Delpher.
Links: het artikel over Joseph Cuypers in De Limburger kreeg op Facebook veel aandacht. Rechts: is het nu Jos, Jos. of Joseph Cuypers (herkomst: Delpher)?

Ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016).  Feestcantate voor bisschop Bottemanne met blazoen.
Links: ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016)? Rechts: wat heeft deze feestcantate met Driekoningen te maken (foto BvHH 2014)?

Op zoek naar de monsters in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).  De Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).
Links: op zoek naar de monsters (foto BvHH 2015). Rechts: de Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).

Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013).   Hogepriester op het Sacramentsaltaar nieuwe Bavo (foto BvHH 2015)
Links: Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013). Rechts: de hogepriester op het Sacramentsaltaar van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).

Op de steigers van de nieuwe Bavo  Joseph Cuypers, monogram van Cecilia in de sluitsteen (1898)
Links: introductie van de serie ‘Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo’ (foto BvHH 2013). Rechts: d
e sluitsteen met Cecilia (foto Beeldbank RCE-Margaretha Svensson)

De items bij ‘if then is now’

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

De sluitsteen van de apsis van de nieuwe Bavo (Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015). 'De heilige Geest' van Huib Luns uit: F.R. Hazenberg, Landgoed Hageveld, Heemstede (2012).
Links: het item over Pinksteren bracht weer de nodige verrassingen, ook op LinkedIn (rechts).

Dibbets straalt in de nieuwe Bavo. Het schip is klaar!

Links: hoe Jan Dibbets en Glasatelier Hagemeier in de Bavo stralen. Rechts: het schip van de nieuwe Bavo te Haarlem is klaar!

Historische opname van het kleimodel van het poepertje, voordat het in steen gehakt werd. Herkomst Noord-Hollands Archief haarlem, Parochiearchief nieuwe Bavo (collage en foto BvHH 2016 en 2014).  Driekoningenfeest op Ifthenisnow
Links: Het poepende mannetje op de nieuwe Bavo. Rechts: het bisdom Haarlem had veel aandacht voor volksgebruiken, zoals het Driekoningenfeest (Hoofdfoto: Cornelis Troost, Driekoningenzangers (1750). Met dank aan Teylersmuseum Haarlem).

De beelden boven de Kerstkapel van de nieuwe Bavo.  Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto's screenshot Marij Coenen, 2014)
Links: de beelden boven de Kerstkapel (foto BvHH 2013). Rechts: Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto’s screenshot Marij Coenen, 2014).

De glazen de lucida van de nieuwe Bavo.  nBavo-torenkalender-Jo Kunnen-P1110895
Links: De glazen van vader en zoon Cuypers in de lucida van de nieuwe Bavo (foto’s BvHH 2014). Rechts: het kalendarium in de noordertoren van de nieuwe Bavo (foto Jo Kunnen 2015).

Joseph Cuypers, Opstand van de oostpartij van de nieuwe Bavo (1895)  Nieuwe Bavo Ad orientem omslag WBOOKS
Links: ontwerpen aan de nieuwe Bavo te Haarlem (foto BvHH 2014). Rechts: waar gaat ‘Ad orientem‘ eigenlijk over? (ontwerp Marjo Starink, foto RCE beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder).

KathedraalMuseum nieuwe Bavo fthenisnow  Bundels licht: Niels Polak en Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo.
Links: KathedraalMuseum nieuwe Bavo (foto’s screenshot Niels Polak, 2015).  Rechts: het grote artikel uit 2014 over de atmosferische lichtval in de nieuwe Bavo naar aanleiding van de fototentoonstelling van Niels Polak (foto Niels Polak 2014).

Verder op deze site en op LinkedIn

Vanaf het moment dat ik bezig ben met de nieuwe Bavo heb ik verschillende stukjes geschreven voor deze website.
Een paar heb ik hieronder geplaatst, terwijl je de rest kunt vinden in de rubriek De nieuwe Bavo in verhalen.
Ook op LinkedIn wordt via de ‘long post’ aandacht op de nieuwe Bavo gevestigd.

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Stairway to heaven. Ontwerp Sarah Dikker. Constructie Van Hoogevest Architecten. Foto Bram Bos, Vocoza Kamerkoor 2016.

 Boven: de presentatie ‘Flora in steen’ bij gelegenheid van ‘De nieuwe Bavo bloeit’ staat on line

Lettertekens en emblemen in de galerij onder de lichtbeuk van de apsis. Wat is wat?  Ruskin Dirk Bogarde mooiste erfgoedverhaal
Links: hommage aan het team (collage met foto’s BvHH 2013). Rechts: de puzzel rond Ruskin in de nieuwe Bavo

De nieuwe Bavo is een onuitputtelijke bron, dus voorlopig ben ik nog niet klaar met deze korte stukjes.

Ondertussen hoop ik dat het velen van jullie zal aanmoedigen om mijn boek over de kathedraal te bestellen!
Klik daarvoor op deze link: http://bit.ly/Bavo-Ao.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/nieuweBavo-kunst

Nota bene — In het geval van doublures tussen de Facebookpagina en ‘If then is now’ wordt alleen het eerst geplaatste item vermeld.

Samenvatting ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’

Samenvatting boek nieuwe Bavo — In dit item vind je in kort bestek de belangrijkste thema’s in ons boek over het meesterwerk van Joseph Cuypers dat medio 2019 omgedoopt is tot KoepelKathedraal Haarlem (dit om een einde te maken aan de stelselmatige verwarring met de oude Bavo in het centrum van de stad). Normaal zou achter zo’n inleidende zin een oproep komen om het boek te bestellen, maar … dat kan niet meer. Het boek is in de reguliere boekhandel uitverkocht!

Alleen bij de kathedraal zelf is het boek nog verkrijgbaar! Als dat niet in je planning zit moet je het boek bestellen bij tweede hands boekensites, lenen via de bibliotheek, of alvast een voorproefje nemen via enkele fragmenten die hier online staan.

Maar neem eerst kennis van de samenvatting hieronder! Dat is een goed begin om een indruk te krijgen van hoe bijzonder de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal is.

*

De nieuwe Bavo te Haarlem — Ad orientem | Gericht op het oosten

Het boek dat tijdens de restauratie geschreven werd

Op 9 september 2016 is de jongste publicatie over de Haarlemse kathedraal feestelijk gepresenteerd in de nieuwe Bavo bij gelegenheid van de start van de Open Monumentendagen in Haarlem, na een korte inleiding van professor dr Paul van den Akker van de OU te Heerlen.

Ad orientem | Gericht op het oosten onthult hét leidmotief van het nieuwe boek over de Haarlemse kathedraal, beter bekend als de nieuwe Bavo van architect Joseph Th.J. Cuypers (1861-1949). De subtitel slaat zowel op de oriëntatie van het gebouw – met de apsis gericht op het oosten – als de lichtsymboliek van de dageraad en de oriëntaalse invloeden in de vormgeving. Dat heeft Joseph Cuypers niet allemaal alleen bedacht. Geen bouwmeester zonder bouwheer, dus ook zijn opdrachtgever hoort hier genoemd te worden. Dat was de bisschop van Haarlem, die vertegenwoordigd werd door zijn vicaris-generaal A.J. Callier (uit te spreken als rijmend op lier). Callier die als de programmamaker van de kathedraal beschouwd kan worden, werd in 1903 tot bisschop benoemd, tijdens de tweede bouwfase. De nieuwe Bavo kwam namelijk in drie fasen tot stand:

  • De oostpartij tot en met een deel van de viering in 1893-1898.
  • Het schip, de onderbouw van de westtorens, de rest van de viering en de koepel in 1902-1906.
  • De twee westtorens in 1925-1930, door Josephs zoon, Pierre J.J.M. Cuypers.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | De actoren
afb. 1 De bouwheren en bouwmeesters van de nieuwe Bavo: bisschop Caspar Bottemanne, zijn opvolger vicaris-generaal Augustinus Callier, Joseph Cuypers en Jan Stuyt.

De architect en zijn ploeg

Wie de naam Cuypers hoort, zal waarschijnlijk in eerste instantie denken aan de ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam. Dat ook zijn zoon Joseph en kleinzoon Pierre junior actief waren in het bouwvak is minder bekend. Hoewel er inmiddels verschillende publicaties aan Joseph Cuypers zijn gewijd – waarvan de meest recente van pastoor Crutzen over de kerk van Klimmen – is er nog veel dat niet bekend is over zijn visie en zijn creativiteit. Wat dat betreft zal met dit boek de achterstand ingelopen worden; en dat is vooral mogelijk gebleken doordat het hier om het meesterwerk gaat van Joseph Cuypers als kerkenbouwer. Bij de totstandkoming van de kathedraal waren overigens meer mensen betrokken: zijn vader kon het niet laten om in het begin zelf wat schetsen op tafel te leggen; bijna dertig jaar daarvoor was hem immers deze opdracht in het vooruitzicht gesteld. Behalve als klankbord is zijn inbreng verder beperkt gebleven tot het glas-in-lood in de lucida (de ramen in de apsis). Verder had je daar Jan Stuyt die aanvankelijk als opzichter werkzaam was, maar vanaf 1899 als vennoot van Joseph Cuypers. Ook met hem zal de architect vaak gespiegeld hebben over zijn ontwerpen. En ten slotte was daar Pierre junior die onder de hoede van zijn vader tekende aan de westtorens en het noorderportaal.[1] Los van deze creatieve mensen had je in het bouwteam bazen en onderbazen waarvan de belangrijksten in de galerij van de apsis in symbolen en initialen vereeuwigd zijn.[2]

Waarom een nieuw boek?

Nu zijn er sinds de kerkwijding van 1898 al verschillende publicaties aan de nieuwe Bavo gewijd, waarvan de laatste uit 1997: in Getooid als een bruid is uitvoerig aandacht besteed aan de ontwikkeling van het bouwplan, de iconografie en de verschillende kunstenaars die aan de inrichting werkten. Wat maakt ‘mijn’ boek anders, en sterker nog, waarom is er nog een boek nodig? Heel eenvoudig: de nieuwe inzichten als gevolg van de restauratie.[3] Het anders en nodig heeft namelijk te maken met de ontdekkingen die vooral vanaf de steiger zijn gedaan. Als een van de betrokken onderzoekers stond ik daar oog in oog met de verschillende onderdelen die van de grond af niet waren te zien. Daar kreeg ik uitleg over de vondst van minieme kleursporen wat er toe heeft geleid dat de buitenpolychromie voor een groot deel is hersteld. Daar werd ik op een wel heel directe manier geconfronteerd met onvoltooide, brute halffabricaten en zelfs misbaksels die bij zo’n verheven bouwwerk als een kathedraal eigenlijk niet passen. Daar zag je ook het vakmanschap van de baksteenpolychromie en het spannende verschiet waarin verschillende elementen hand over hand in een klimmende beweging omhoog stuwen naar het meest majestueuze onderdeel: de groenkoperen koepel. Alleen al het complexe spel van architectonische hoofdlijnen en verfijnde detaillering is een studie waard.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Op de steigers
afb. 2 Op de steiger zie je de dingen in heel andere dimensies. Maar het is vooral de sfeer die je niet loslaat. Een bijzondere plek tussen hemel en aarde.

Samenvatting ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’ | Wat kan ik vinden in dit boek?

Licht — Niet alleen de twee genoemde thema’s komen aan bod, want er speelt meer dan alleen de polychromie en de onvoltooide elementen. Ze gaven wel de richting aan van enkele andere bijzonderheden. Allereerst de opmerkelijke visie van Joseph Cuypers op licht in architectuur. Ik haal een klein stukje aan uit een van zijn belangrijkste artikelen over de nieuwe Bavo. Eerst vertelt hij over de sterke horizontale lijnen in de historische gebouwen van Nederland. Ons land is vlak en dat geldt ook voor de architectuur.

  • ‘Moet daarin niet worden erkend de weerspiegeling van wat het Hollandsche landschap dien ouden bouwmeesters te zien en te voelen gaf — eene groote ruimte, afgeteekend door fijne, teere profielen aan den horizon, zonder scherpe kleuren of harde contrasten: eene ruimte niet omschreven door krachtige bergruggen, maar voelbaar door de tinteling der atmosfeer en de afbleekende tonen van ’t geboomte onzer polders?’[4]

Pas toen ik dit las, realiseerde ik me dat Joseph niet alleen een Limburger is, maar ook een Hollandse jongen! Zijn vader, ja, dat was een echt ‘Remunsje jung’, maar Joseph had een Amsterdamse moeder, grootvader en overgrootvader en voelde zich dus ook Hollander. Zelf zou hij zeggen dat hij van zijn moeder een ‘Hollandsch gemoed’ erfde en van zijn Limburgse vader het ‘harmonisch kunst-inzicht’.[5] Het beste dus van twee werelden.

Wat betekende dit in de praktijk? Dat hij brak met het ideaal van de zwaar gekleurde, donkere Chartresachtige glazen omdat hij het licht van het Hollandse polderlandschap naar binnen wilde halen. Zo ontwikkelde hij een nieuw concept dat je als de architectonische variant van het impressionisme zou kunnen betitelen. Want lichtinval is iets dat elk moment verandert. En daardoor heb je eigenlijk niet met één gebouw te maken, maar met een hele serie gebouwen die ieder moment van aanzien veranderen. Een belangrijke inspiratiebron hiervoor was vrijwel zeker de beroemde reeks van Monet, van de kathedraal van Rouen. Die laat prachtig zien hoeveel verschillende gebouwen één kathedraal vormt op de verschillende momenten van de dag.[6]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Instantaneité
afb. 3 Claude Monet, Cathédrale de Rouen (1892-1894)

De Unvollendete — De onvoltooide elementen, misbaksels en halffabricaten worden in het boek behandeld als onderdeel van de Unvollendete, onder verwijzing naar de beroemde symfonie van Schubert. Nu was Joseph Cuypers een beelddenker, geen filosoof. Ook al zou je het niet (of misschien juist wel) zeggen na het poëtische stukje dat ik net aanhaalde: hij dacht vooral in beelden en niet in woorden. En dat is wat al die onvoltooide stukken steen laten zien: hoe Joseph Cuypers als beelddenker een filosofisch concept wist te verwerken. In dit geval gaat het om een denkbeeld van Thomas van Aquino die hierbij weer steunde op Aristoteles. Kort door de bocht kun je stellen dat alles wat bestaat één grote bulk potentie is: alleen zo kun je verklaren hoe het mogelijk is dat iets is en op hetzelfde moment iets anders aan het worden is. Als we alleen al naar ons zelf kijken zijn we voortdurend in staat van verandering: we zijn niet helemaal meer wat we waren, maar ook nog niet helemaal wat we het aan het worden zijn. En het mooie hiervan is dat we ieder moment keuzes kunnen maken. Dat is precies wat uitgedrukt wordt door de Unvollendete: de potentie om na het wordingsproces tot een bepaald stadium doorlopen te hebben, iets anders te worden. En dat iets anders maakt deel uit van een eindeloos scala aan mogelijkheden. Al die mogelijkheden zitten in ons, net zoals in de steen direct uit de groeve een eindeloze hoeveelheid beelden zit besloten.[7]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Die Unvollendete
afb. 4 De Unvollendete bestaat uit rudimentair beeldhouwwerk, halffabrikaten en misbaksels

Oriëntalisme — De kathedraal valt op door sterk oosters aandoende patronen en ornamenten, met de koepel als meest in het oog lopende uitdrukkingsvorm. Deze aandacht van Joseph Cuypers voor, zoals hij het zelf noemde, ‘Spaansch-Arabische motieven’ heeft niet alleen te maken met de erkenning van de inheemse architectuur van het heilige Land als inspiratiebron van christelijke cultuur, maar is opnieuw sterk beïnvloed door de figuur van Thomas van Aquino. Want zoals deze wijsgeer de geschriften van Aristoteles te danken had aan de islamitische denkers van Arabische signatuur, ontleende Joseph Cuypers daar een onderscheidend deel van zijn vormenschat aan.[8]

Polychromie — Er wordt wel gezegd dat dit oriëntalisme ook tot uitdrukking komt in de kleuren. En hoewel er zeker enige overeenkomsten zijn, steunt Joseph Cuypers hier toch vooral op de Farbenlehre van Goethe – de dichter, ja ! – en het onderzoek van Viollet-le-Duc; om de enorme ervaring van zijn vader op dit gebied niet te vergeten. Vooral de buitenpolychromie is heel bijzonder, omdat we van dit type geen enkel ander voorbeeld in Nederland (meer?) hebben. Voor de oorlog moet die voor een groot deel al zijn verweerd, want in het collectieve geheugen van Haarlem was geen enkele herinnering meer aan de eertijds rijke tooi van de torens, gevels en steunberen van de kathedraal. De polychromie werd ondersteund door verguldsel dat het licht en de kleuren reflecteerde, zoals ook aan de binnenkant gebeurde door middel van glanselementen als terracotta, edelsmeedwerk, mozaïeken en noem maar op.[9]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | De bruid
afb. 5 Van de buitenpolychromie van de nieuwe Bavo was nauwelijks nog iets over.

Catechismus en Biblia pauperum — Ook de latere bisschop Callier was intensief bezig met het gedachtegoed van Thomas van Aquino. Hij liet zich zelfs vereeuwigen in het beeld van deze heilige bij het heilig Hartaltaar. Anders dan de architect was hij geen beelddenker, maar vooral een docent die elementaire geloofswaarheden, vervat in de catechismus, over het voetlicht wilde brengen. Daarvoor koos hij onder meer de systematiek van de middeleeuwse Biblia pauperum (armenbijbel), waarvan in het bisdom nog verschillende originele exemplaren bestonden, zoals in de Grote Kerk van Laren. Callier wist heel goed dat hij zijn ideeën niet kon realiseren zonder de tussenkomst van de uitvoerende kunstenaar, die hij dan ook een bijzondere status toekende. Zo werd zijn haast persoonlijke beeldhouwer, Johannes Maas, getypeerd als ‘priester van het Schoone’. Het geeft aan dat kunstenaars en geestelijken tijdens de bouw een bijna gelijkwaardige status hadden. Bijna, want uiteindelijk voelde de geestelijkheid zich toch ver verheven en bevoorrecht boven de leken. Wel kon de kunstenaar net als een geestelijke als een ingewijde worden beschouwd, iemand die door zijn scheppingsvermogen, kennis en inspiratie dieper doordrong tot de goddelijke geheimen dan de gewone gelovige.[10]

Netwerk en De Heilige Linie — Om het verhaal over de verschillende actoren in te kaderen, is zowel aandacht besteed aan het netwerk waarin zij verkeerden, als aan de gemene deler die onder het programma lag, het handboek over kerkbouwsymboliek van Josephs peetoom, J.A. Alberdingk Thijm, De Heilige Linie (1858).[11] Om te beginnen komt dit tot uitdrukking in de oriëntatie van de kerk, maar er spelen nog talloze andere thema’s mee die onder meer leidden tot de ontdekking van de bruid van het oosten en de bruid van het westen.[12]

Ervaring

Wat heeft het nu zo bijzonder gemaakt om dit boek te schrijven. Sowieso was het fantastisch om dit onderzoek te mogen doen, me te verdiepen in de verschillende persoonlijkheden die direct en zijdelings bij het project van 1895 tot 1930 waren betrokken – wat heb ik veel mensen leren kennen! – en bezig te kunnen zijn met alles wat zich op ons netvlies ontvouwt. Want daar gaat het per slot van rekening bij een kunsthistoricus om: om het visuele spel dat zich voor onze ogen afspeelt dankzij de kunst die door mensenhanden tot stand is gebracht. Maar wat dit boek toch wel extra bijzonder maakt, is dat ik het tijdens de restauratie heb mogen schrijven. En dat is behoorlijk apart in Nederland, want meestal gebeurt zoiets als het werk gedaan is. Dan kun je in principe al niet meer achter de schermen, of liever, vanaf de steigers kijken. Vooral dat laatste heeft dit me bij dit boek veel gebracht. Zo vond bij het herstel van de polychromie een directe wisselwerking plaats tussen onderzoek, schrijven en restaureren, waarbij over en weer een verdiepingsslag plaatsvond. Maar ook de gelukkige situatie dat het gebouw vanaf de steigers bestudeerd kon worden, leverde kennis en inzichten op die zonder dat onmogelijk zouden zijn geweest.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Jan Dibbets
afb. 6 Jan Dibbets (centraal met de stok) ontwierp eigentijdse glazen voor het schip van de nieuwe Bavo.

Lest best was het heel speciaal dat er een wisselwerking was met levende kunstenaars over hun recente bijdrage aan de kathedraal. Wat dacht je van de glazen van Jan Dibbets in het schip, de glasobjecten van Marc Mulders in de doopkapel of het mozaïek van Gijs Frieling bij de Sacramentskapel, allemaal na een proces van denken en overleggen tot stand gekomen in 2016. Hierbij speelde op de achtergrond de iconografische inbreng van de plebaan, met wie ik over actuele beeldprogramma’s kon praten: niet iets van gisteren, maar van vandaag, alhoewel uiteraard wel diep geworteld in de traditie. En zo vonden verschillende gesprekken plaats met de actoren van nu, variërend van de voorzitter van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo tot de koster en de conservator van het KathedraalMuseum; van de architect en de opzichter tot de metselaar; van de kleurhistoricus tot de meesterschilder. Deel uitmaken van een team, vergelijkbaar met dat wat de Bavo ooit tot stand bracht. Je kunt het slechter treffen als onderzoeker en schrijver.

;-) B(&M)

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Sociale media en erfgoed als de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media zowel in om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Met betrekking tot dit project kun je een overzicht vinden in de serie ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo’. Daartoe behoort ook deze samenvatting die op 25 november 2015 is gepubliceerd op het platform if then is now: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo. Daarna volgde In 2016 bij gelegenheid van de verschijning van het boek tot tweemaal toe een analoge druk, en wel in Vakblad Vitruvius en in de periodiek met restauratienieuws over de nieuwe Bavo, In de steigers.

Jammer genoeg bestond destijds nog niet de optie van het Twittermoment – waarvan op dit moment (juli 2019) de vraag is hoe lang dat nog blijft bestaan – maar enkele tweets zijn verzameld onder deze link

Sinds 2018 hebben we een Facebookpagina als ankerpunt voor de berichten op de sociale media: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal, kunstenaars als Joseph Cuypers en architectuur en kunst uit de laten negentiende en twintigste eeuw een nog grotere actieradius bereiken!

Delen is ons motto, dus iedereen mag gebruik maken van de gegevens die hier staan, maar wel binnen de termen van de Creative Commons licentie.*

Over delen gesproken, je kunt ons en andere onderzoekers helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina.

*

Noten & beeldmateriaal

Beeldmateriaal in de tekst

  • afb. 1 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal uit het eerste boek over de nieuwe Bavo: M.A. Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem. Bouwgeschiedenis, constructie en symboliek, Haarlem 1898. De portretten zijn van de hand van Theo Molkenboer.
  • afb. 2 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 3 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal, afkomstig van Wikimedia Commons (zoektermen: Monet, Cathédral Rouen).
  • afb. 4 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 5 Deze collage is gemaakt aan de hand van foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar en Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken.
  • afb. 6 Deze collega is gemaakt met foto’s van Judith Bohan en Bernadette van Hellenberg Hubar, en met een projectie van Van Hoogevest Architecten en een scan van Haarlems Dagblad.
  • Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.

Noten

[1]    Zie de uitleg van Arjen Looyenga in Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, pp. 44-58. De vennootschap van Joseph Cuypers en Jan Stuyt duurde van 1898 tot 1909 en niet, zoals vaak wordt gedacht van 1900 tot 1908 (vriendelijke mededeling Agnes van der Linden, onder verwijzing naar haar boek: Vrienden van Jan Stuyt en Louise Barozzi: Bijdragen aan een album anno 1928, Nijmegen 2015, p.86).

[2]    Bernadette van Hellenberg Hubar, ‘Hommage aan het team’, op: vanhellenberghubar.org, http://wp.me/P4eh3s-7q (2013).

[3]    Eggenkamp, Wim, ‘Restauratie Kathedrale complex van Sint Bavo halverwege’, in: Haerlem Jaarboek 2014, Haarlem 2015, pp. 133-179.

[4]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.2.5 ‘De invloed van Goethe’.

[5]    Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, p. 214.

[6]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.4 ‘Licht en atmosfeer’.

[7]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 4.2 ‘De graden van volmaaktheid (Thomas van Aquino)’.

[8]    Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 7 ‘De koepel als epiloog’.

[9]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.1 ‘De juwelen van de bruid’.

[10]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 5 ‘Te Deum laudamus’.

[11]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 2 ‘Acte de présence’. Ibidem, hoofdstuk 3 ‘De Heilige Linie’.

[12]   Hubar, Ad orientem, paragraaf 3.4 ‘De onzichtbare patrones’.

Verkorte link: bit.ly/2bPlZXW-nBavo of  VanHH.org/?p=8536

Ad orientem | Gericht op het oosten

In de aanloop van de verschijning van mijn boek over de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal te Haarlem heb ik hieronder vanaf 2015 wat voorproefjes geplaatst. Die zijn best aardig om te lezen. Het boek is inmiddels uitverkocht, dus je kunt het alleen antiquarisch of via de bibliotheek  

Voorproefjes

Ifthenisnow samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem. Ad orientem | Gericht op het oosten' (2016)
Op de site van Ifthenisnow is een samenvatting van ‘Ad orientem | gericht op het oosten, De nieuwe Bavo te Haarlem’ gepubliceerd.

Ik kreeg van verschillende kanten de vraag of er geen samenvatting kon komen van Ad orientem. Omdat ‘If then is now’ geïnteresseerd is in een serie korte stukjes over de nieuwe Bavo, vergelijkbaar met de voorproefjes die je hieronder kunt lezen, leek me dat wel een mooi platform voor een verhaal in kort bestek. Je vindt het onder deze link: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo.

De samenvatting voor Ifthenisnow bood meteen een mooie gelegenheid om een vaak gestelde vraag te beantwoorden: waarom was er eigenlijk een nieuw boek nodig?

Nu zijn er sinds de kerkwijding van 1898 al verschillende publicaties aan de nieuwe Bavo gewijd, waarvan de laatste uit 1997: in Getooid als een bruid is uitvoerig aandacht besteed aan de ontwikkeling van het bouwplan, de iconografie en de verschillende kunstenaars die aan de inrichting werkten. Wat maakt ‘mijn’ boek anders, en sterker nog, waarom is er nog een boek nodig? Heel eenvoudig: de nieuwe inzichten als gevolg van de restauratie. Het anders en nodig heeft namelijk te maken met de ontdekkingen die vooral vanaf de steiger zijn gedaan. Als een van de betrokken onderzoekers stond ik daar oog in oog met de verschillende onderdelen die van de grond af niet waren te zien. Daar kreeg ik uitleg over de vondst van minieme kleursporen wat er toe heeft geleid dat de buitenpolychromie voor een groot deel is hersteld. Daar werd ik op een wel heel directe manier geconfronteerd met onvoltooide, brute halffabricaten en zelfs misbaksels die bij zo’n verheven bouwwerk als een kathedraal eigenlijk niet passen. Daar zag je ook het vakmanschap van de baksteenpolychromie en het spannende verschiet waarin verschillende elementen hand over hand in een klimmende beweging omhoog stuwen naar het meest majestueuze onderdeel: de groenkoperen koepel. Alleen al het complexe spel van architectonische hoofdlijnen en verfijnde detaillering is een studie waard.

Een van die halffabricaten heb ik hieronder besproken.

Fascinerend toch!

Creaturen in de kathedraal

Ad orientem| Glimlachen of grijnzen: creaturen in de kathedraal. Foto bvhh.nu 2015

Ad orientem| Glimlachen of grijnzen: creaturen in de kathedraal. Foto bvhh.nu 2015

Op de meest wonderlijke plaatsen zitten ze, de creaturen in de nieuwe Bavo. Zij horen bij het verhaal van de wereld in het klein, waarin goed en kwaad vertegenwoordigd zijn. In een kerk lijk je vaak alleen maar de extremen te zien: aan de ene kant vrome heiligen die vaak zo braaf worden afgebeeld dat ze als rolmodel eigenlijk mislukken. En daar tegenover, maar wel in de minderheid, grimmige duivels, de slang bij Maria of een monster dat vertrapt wordt onder de voet van een heilige. In dit verhaal van uitersten kun je je afvragen of de grens echt zo scherp moet worden gezien, want goed en kwaad vloeien immers in elkaar over en uit lelijke eendjes kunnen prachtige zwanen groeien.

Dat geldt ook voor dit creatuur dat op weg is om iets te worden, bijna een embryo in steen. Hij maakt deel uit van de Unvollendete die Joseph Cuypers in de kathedraal heeft ingebed. Op haar beurt heeft deze onvoltooide symfonie weer te maken met een van de belangrijkste onderdelen van de theologie van Thomas van Aquino, namelijk dat we allemaal één bonk potentie zijn. We zijn, maar omdat we veranderen zijn we ook weer niet, want ieder moment zijn we op weg naar het volgende. Dat laat dit wezentje mooi zien, want de beeldhouwer heeft zijn kop af, maar zijn hals ruw gelaten. Daar is hij om het in jargon te houden niet verder gekomen dan het punten: een voorbewerking die je maakt met een bepaalde beitel. Ook bij de uiteinden van de mond en de rechterwang is hij nog niet helemaal klaar, dus wat zou het precies gaan worden: glimlachen of grijnzen?

Nee, nee, ik ga niet verklappen waar dit wezentje zit, want dat is veel te leuk om zelf uit te zoeken.

Wil je meer informatie over de Unvollendete? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Ad orientem | Volle lippen in een brede mond: creaturen in de kathedraal. Foto bvhh.nu 2015

Marie A. Thompson

M.A. Thompson, schrijver van het eerst boek(je) over de nieuwe Bavo
M.A. Thompson (1861-1938), schrijver van het eerst boek(je) over de nieuwe Bavo. Herkomst Delpher.

Eindelijk is er een portret van hem tevoorschijn gekomen: Marie A. Thompson die in 1898 het eerste monografietje over de nieuwe Bavo schreef. ((Zie de bibliografie op deze site.)) Het past wel in de Unvollendete die vol potenties zit van dingen die gaan komen (of juist niet), dat hij hierin allerlei zaken als voltooid beschreef, die er nog lang niet waren. Voor sommige onderdelen geldt dat nog steeds, zoals de (on)betegelde boogtrommels in de Mariakapel. Het is nog altijd een zeer lezenswaardig boekje en voor mijn onderzoek van onschatbare waarde geweest. Je kunt je bijna niet voorstellen dat deze priester-journalist met zijn plezierige schrijfstijl een tijd lang de schrik van katholiek Nederland was. Dat was tijdens het zogenaamde integralisme, globaal van 1907 tot 1914, toen iedere geestelijke die ook maar enigszins ‘modernistisch’ leek door Thompson aan de schandpaal werd genageld. Ook dat leg ik uit in mijn boek: Ad orientem: http://bit.ly/Bavo-Ao.

Het portret van Thompson is getekend door Herman Moerkerk die als illustrator voor verschillende kranten en tijdschriften werkte, zoals De Tijd en De Katholieke Illustratie. Wil je meer over hem weten, kijk dan bij Wikipedia. ((Herman Moerkerk (1879-1949) op Wikipedia.)) De tekening werd bij enkele herdenkingsartikelen over Thompson gebruikt, zoals deze uit De Tijd van 1931, te vinden op Delpher. Foto’s van Thompson zijn tot dusver niet tevoorschijn gekomen, maar wie iets weet … ik houd me aanbevolen.

Wil je meer informatie over het boek? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal

Goot aan de zuidkant van de nieuwe Bavo (2015).
Zo simpel kan schoonheid zijn! De gerestaureerde goot aan de zuidkant van het schip van de nieuwe Bavo. Foto BvHH juni 2015.

Zelfs aan de buitenkant van de nieuwe Bavo zit veel glans. Het is een onderzoek waard om te kijken wat het licht hier allemaal doet. Prozaïsche mensen zullen het hebben over de hoek van inval en de hoek van weerkaatsing die gelijk is, maar daarmee vang je de poëtische interactie nog niet. Zie je hoe mooi het steigerwerk in de spiegeling van het koper opgenomen wordt. En is dit geen fantastische studie in perspectief met die zichtlijnen die elkaar zowat bij de toren raken? Ondertussen is dit voor het menselijk oog een wel heel tijdelijk beeld, want de steigers zijn al aan het zakken … En nee, hier kan zelfs geen drone tegen op.

Als we nu toch zo’n beetje aan het mijmeren zijn, mag ook wel verteld worden dat het nieuwe boek over de kathedraal op de steigers geboren is. Het idee was er langer, maar daar … daarboven op die ijle en toch stevige constructie tussen hemel en aarde, daar begon de inspiratie!

Of er nog meer in het verschiet ligt? Scrol maar ‘ns verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal

Ad orientem: groepsportret van drie generaties Cuypers.
Groepsportret van drie generaties Cuypers: centraal op de stoel Pierre Cuypers met zijn jongste kleinzoon Charles. Achter hem Joseph Cuypers met rechts zijn oudste zoon en later co-architect Pierre Cuypers junior en links de beeldhouwer Michael. Ontleend aan de biografie over Pierre J.H. Cuypers van Wies van Leeuwen. ((Voor de volledige titel zie de bibliografie onder A.J.C. van Leeuwen. De foto staat op p. 62 en is afkomstig uit een particuliere collectie.))

Ik ben nog steeds aan het nagenieten van de lezing die de Vrienden van de nieuwe Bavo van de week (5 oktober 2015) hebben georganiseerd. Pierre Cuypers heeft een prachtig verhaal verteld over zijn grootvader Joseph die de kathedraal heeft ontworpen. Een geheel andere figuur dan zijn vader, wiens onverzettelijkheid nagenoeg legendarisch is. Daartegenover was Joseph de man van de samenwerking, van de coproductie, van de dialoog met andere kunstenaars.

Op dit punt doet hij me sterk denken aan zijn vriend Antoon Derkinderen, aan wie ik in De genade van de steiger de nodige aandacht heb besteed. Allebei zijn ze op de koffie gekomen: in het ene geval raakte Derkinderen in conflict met Albert Verweij en H.P. Berlage over zijn ontwerp voor schilderingen in de zaal van de Kamer van Koophandel in de Koopmansbeurs. Daartegenover kampte teamplayer Joseph Cuypers bij de nieuwe Bavo met soms ronduit achterbakse collega’s. Wat er allemaal passeerde, is mooi in beeld gebracht in het vorige boek over de kathedraal van Antoon Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid (1997). ((Voor de volledige titel zie de bibliografie.)) Een prachtige monografie, die ik bij het schrijven naast me op tafel heb liggen. Op één van de conflicten die daarin uit de doeken is gedaan, ga ik dieper in, omdat dit niet alleen de persoonlijkheid van de architect in het licht zet, maar vooral ook zijn visie op het licht in de kathedraal onthult. En dat is zo wel zo mooi, omdat sommige onderzoekers dit afdoen als kinnesinne tussen kunstenaars, hetgeen beslist geen recht doet aan de integriteit van Joseph Cuypers.

Nieuwsgierig? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal


Hoe een drone de nieuwe Bavo ziet! Na LostPropellor verleden jaar nu Youtubeman Steun met een prachtige vue op de kathedraal.

Het is en blijft toch werkelijk een heel bijzonder gebouw. Een voorrecht om een boek over te mogen schrijven. Geniet dankzij deze drone even mee van de juwelen van de bruid, de prachtig gerestaureerde polychromie op de torens en de sculptuur die het motto van de kathedraal illustreren: ‘Getooid als een bruid’. Zo omschreef Johannes het hemels Jeruzalem dat hij in zijn visioen naar beneden zag dalen als symbool van Gods rijk: ‘Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid’. ((Johannes, Apocalyps, 21, 2; geciteerd naar willibrordbijbel.nl.))

Wil je de nieuwe Bavo ook vanuit een ander perspectief zien? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal

NHA onderzoeksmoment Callier
De keuze van het beeldmateriaal voor ‘Ad orientem’ afgelopen dagen verliep prima dankzij de hulp van de mensen van het Noord-Hollands Archief. Ook zij zorgen ervoor dat er een mooi boek komt. Foto BvHH september 2015.

Voortgang — Het vlot goed met het manuscript. Vier van de vijf hoofdstukken liggen inmiddels bij de leescommissie. Ondertussen is de bulk van het historisch beeldmateriaal geselecteerd bij het Noord-Hollands Archief (NHA). Zo draagt deze instelling in natura bij aan de publicatie van Ad orientem. Daar zijn we (de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, WBooks en ik) natuurlijk heel blij mee. Het gaat zowel om oude foto’s als archiefstukken, waaronder de bouwtekeningen en ontwerpen voor altaren, schilderingen, glas-in-lood, siersmeedwerk et cetera. Er zit prachtig materiaal tussen van architectenbureau Cuypers en verschillende kunstenaars, onder wie Jan Brom, Johannes Maas, Han Bijvoet, Jan van Druten en noem maar op. Maar ook de historische foto’s zijn heel informatief. Hierboven zie je Callier in 1897, de tijd dat hij met Joseph Cuypers druk bezig was aan de kathedraal en de fameuze ‘vodjes’ produceerde met allerlei concepten voor het beeldprogramma. Het decoderen van die ‘vodjes’ – zo werden ze letterlijk genoemd – krijgt de nodige aandacht in het boek.

Nog ’n tipje van de sluier? Scrol dan verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal

Untitled
Aan de Sacramentskapel in de nieuwe Bavo van Haarlem hebben verschillende kunstenaars gewerkt. Foto BvHH 2014.

Goud op snee — Overal schittert het in de nieuwe Bavo, maar nergens zo sterk als in de Sacramentskapel. Als je daar tussen al die glanselementen staat, zie je de kleuren door de reflectie naar alle kanten spreiden. Joseph Cuypers had hier zijn architectuur met de spiegelende terracotta’s op ingesteld, zoals je ziet in de banden, muurzuilen en kapitelen (1898). Hoewel de architect daar zelf ook een ontwerp voor had ingediend, was het Jan Brom die dit prachtige tabernakel mocht maken, in de vorm van een miniatuur hemels Jeruzalem (1900-1902). Lambert Lourijsen met wie Joseph Cuypers vaker samenwerkte, ontwierp het mozaïek met de Beuroner engelen en teksten uit de Sacramentshymne van Thomas van Aquino. De uitvoering werd verzorgd door de firma Peter Beyer & Sohne te Keulen (1923-1926).

Nieuwsgierig? Scrol verder of bezoek de kathedraal. ((Van 1 april tot 30 september geopend van dinsdag tot en met zaterdag: www.rkbavo.nl. Buiten het seizoen kan de kathedraal zondags na het bijwonen van de mis bekeken worden.))

Creaturen in de kathedraal

Untitled
Johannes P. Maas, Een van de basementen van de kooromgang van de nieuwe Bavo te Haarlem, getiteld ‘vermetel vertrouwen’ (kleimodel, 1914). Herkomst: Noord-Hollands Archief, Parochiearchief nieuwe Bavo. Foto BvHH 2014.

Vermetel — Een fantastische kop, met een opvallende expressie, zouden we vandaag de dag zeggen, maar daar dacht men in de tijd zelf anders over. Dit werk moet namelijk een van de zonden tegen de heilige Geest voorstellen, in dit geval ‘Op Gods genade vermetel vertrouwen’. Toen het programma in 1898 door de latere bisschop A.J. Callier werd bedacht, liet hij er het volgende over schrijven: ‘Dit gelaat is meer vrouwelijk dan mannelijk, lichtzinnig en wulpsch. Het verbrandt zijn vliegen- of muggenvleugelen aan het vuur van Gods gerechtigheid, terwijl het grijpt naar een bloeiende doornstruik (beeld van aardsch schijngenot)’. Wat wij nu vooral zien zijn de fijne lijnen in de steen, het meesterschap waarmee deze figuur net onder zijn mantel uit lijkt te komen en de kracht van spieren en handen. Voor de variatie best aardig, zo’n vermetele genius.

Meer weten? Scrol dan verder.

Creaturen in de kathedraal

Waarover het boek gaat?

Untitled

Voor het eerst sinds ruim een eeuw stond de kathedrale basiliek van Haarlem, beter bekend als de nieuwe Bavo, van binnen en buiten in de steigers. Tijdens de restauratie van het afgelopen decennium was er alle gelegenheid om dit ontwerp van Joseph Cuypers (1861-1949) – zoon van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers – van dichtbij te onderzoeken. Dat leidde tot ontdekkingen die voor een groot deel het aanzien van de kathedraal hebben veranderd. Wat te denken van de polychromie aan de buitenkant van traptorens, topgevels en bouwsculptuur die in Nederland zonder weerga is. Of het herstel van de blauwe voegen in het interieur – ook al zoiets aparts – en de rijk versierde terracotta’s binnen en buiten. Door de reparatie en de uitbreiding van het glas-in-lood kwam de bijzondere visie van de architect op het licht in deze kerk aan de oppervlakte. Weinig andere vakbroeders waren zo bewust bezig om de atmosfeer van het Hollandse landschap naar binnen te halen. Maar ook een fenomeen dat al vanaf het ontstaan van de kathedraal zichtbaar was, maar niettemin vrijwel onopgemerkt bleef, kon dankzij de steigers minutieus onderzocht worden: het onvoltooide karakter van het gebouw waardoor het de architectonische pendant lijkt van de symfonie Die Unvollendete. Deze bewuste onvoltooidheid maakt de nieuwe Bavo wel heel bijzonder.

De nieuwe Bavokathedraal te Haarlem, bezien van het noordoosten. Foto auteur mei 2014
De nieuwe Bavo te Haarlem, bezien vanuit het noordoosten. Let op de onbewerkte blokken steen bij de koortribune (rechts). Ook de tamboer van de koepel wordt door dergelijke halffabricaten omringd. Foto auteur mei 2014.

Wat zich op het gebied van architectuur en toegepaste kunsten manifesteerde, was niet alleen aan het vormgevende talent van Joseph Cuypers te danken, maar ook aan het veelzijdige verhaal dat de bouwheer, de latere bisschop A.J. Callier (1849-1928), met de kathedraal wilde vertellen. Gezamenlijk hebben zij een programma ontwikkeld dat qua diepte en strekking haar middeleeuwse voorbeelden niet had misstaan. Heel bijzonder is de manier waarop het gedachtegoed van Thomas van Aquino tot uitdrukking is gebracht, die rond 1900 een rolmodel vormde voor vernieuwingsgezinde priesters en kunstenaars. In die zin kan de nieuwe Bavo getypeerd worden als een eigentijds gebouw dat in zijn inhoud en uitstraling balanceert op het scherp van de snede tussen traditie en vernieuwing.

Untitled
Thomas van Aquino (circa 1225-1274) in het glas-in-loodraam van Frans Balendong (1949) in de Sacramentskapel van de nieuwe Bavo. Niet eerder werd duidelijk hoe sterk het programma zowel in architectuur als iconografie geïnspireerd is door deze middeleeuwse filosoof, theoloog en dichter. Foto auteur 2014.  ((Zie het betreffende lemma op  Wikipedia.))

Dat uit zich ook in de titel Ad orientem die aan de ene kant refereert aan het oriëntalisme van die tijd dat tot een hernieuwde belangstelling leidde voor het Heilige Land. In dat verband werd de Arabische architectuur beschouwd als een streekeigen component die als inspiratiebron gebruikt kon worden voor christelijke architectuur, zoals de majestueuze koepel van de nieuwe Bavo laat zien. Anderzijds gaat om het om een oeroud iconografisch gegeven, waarbij men gewijde gebouwen situeerde op de Heilige Linie, georiënteerd op de dageraad die liturgisch gezien iedere dag weer opnieuw verwijst naar Christus als licht van de wereld. Zonder overdrijving behelst de nieuwe Bavo ruim twintig eeuwen cultuur die in dit boek aan de hand van de hiervoor genoemde thema’s over het voetlicht wordt gebracht.

Wil je meer weten? Kijk dan eens bij de verhalen over de nieuwe Bavo op deze site.
En bestellen tegen een aantrekkelijke korting kun je tot de verschijningsdatum medio 2016 voor € 39,95 (dus 10 euro minder) via NieuweBavo@gmail.com (graag verzendadres vermelden) of via http://bit.ly/WBOOKS-nBavo (inclusief verzendkosten).

Je kunt ook @nieuweBavo en @Bern4dette op Twitter volgen: daar komt een paar maal per week een interessant item over de nieuwe Bavo langs.

B. ((Verkorte link van dit item: http://wp.me/p4eh3s-1JQ | http://bit.ly/Bavo-Ao2.))

‘De genade van de steiger’ is uitverkocht!

Met één klik op de afbeelding kón je De genade van de steiger bestellen!

Dat kan dus niet meer, want het boek is uitverkocht. Gelukkig blijkt het bij verschillende webwinkels nog verkrijgbaar te zijn en verder wordt het ook tweedehands en antiquarisch aangeboden. Ga maar eens googelen.

Je kunt het boek ook opvragen via een van de – openbare – bibliotheken die Nederland rijk is! Laat me je helpen met deze link!

Nu het uitverkocht is, wil de opdrachtgever van dit boek, de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, ervoor zorgen dat het on line beschikbaar komt. Dat is goed nieuws, want Nederland loopt achter op wetenschappelijk gebied doordat te weinig recent onderzoek on line staat. De publicaties van de RCE zijn vrijwel zonder uitzondering te raadplegen via de DBNL, dus laten we hopen dat De genade van de steiger daar op korte termijn een plaats zal krijgen.

Volledige titel: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angélique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013. ISB 978-90-5730-881-9

Misschien kun je dit werk nog bestellen via de boekhandel. Bij uitgeverij De Walburgpers is 'De genade van de steiger' uitverkocht!

In november 2013 verscheen De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, dat naar een idee en onder leiding van Gerard van Wezel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) werd uitgevoerd door Bernadette van Hellenberg Hubar, met een hoofdstuk over de restauratieproblematiek van dit type kunst door Angelique Friedrichs. Marij Coenen stond voor de redactionele toets en Paul van den Akker, hoogleraar Open Universiteit, tekende voor de tekstuele hoofdredactie en inhoudelijke consistentie.

  • Het onderzoek dat de Rijksdienst Cultureel Erfgoed in 2012 initieerde naar monumentale kerkelijke schilderkunst in het Interbellum resulteerde in de eerste studie over dit onderwerp, De genade van de steiger. De titel reflecteert de worsteling van de kunstenaar die in allerlei houdingen hoog op de steiger zijn werk uitvoert en in zijn hoofd een berekening moet maken van hoe dit er vanaf de grond uit komt te zien. Een beetje genade was daarbij onmisbaar.De publicatie schetst hoe de academisch geschoolde kunstenaar aan het einde van de negentiende eeuw zijn entree maakte op de steiger. Dit leidde in het Interbellum tot een relatief kortstondige vlucht aan kerkelijke opdrachten voor specialistisch geschoolde muurschilders. Niet alleen de actoren en hun opleiding, maar ook de toegepaste technieken en de kunstkritiek passeren de revue. De publicatie wordt afgerond met een indeling in stromingen en karakteristieken met kopstukken en representanten, Einzelgänger en pluriforme kunstenaars.Deze opzet biedt een kader om in de toekomst de waarden van dit type werk te kunnen positioneren. Vanuit een wetenschappelijke benadering beoogt De genade van de steiger een handwerk te zijn voor een ieder die in de praktijk met beheer en behoud van monumenten en hun interieurs te maken heeft.

Ook onderzoek naar erfgoed moet het hebben van kennis delen. Je kunt ons en andere onderzoekers dan ook helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina. Het zou helemaal fijn als je daarbij de hashtag #GvdSteiger gebruikt.

Meer weten? Ga dan naar de inhoudsopgave van dit item.

Zin in een voorproefje? Lees dan hieronder verder of kijk bij de fragmenten.

Het boek is weliswaar uitverkocht, maar je kunt het nog altijd lenen via de Openbare Bibliotheken in Nederland! Volg deze link.


Preview: Otto van Rees in de Obrechtkerk

Voorafgaand aan het verschijnen van De genade van de steiger publiceerde Historiek de volgende preview:

Toen Otto van Rees in 1931 de opdracht voor de beschildering van de Pietàkapel van de Obrechtkerk in Amsterdam aannam, vormde het vertrekpunt van zijn ontwerp het aanwezige beeld dat naar verluidt uit een Frans atelier afkomstig was. In zijn eerste opzet koos hij blijkens een gouache voor een veelkleurige barok-geïnspireerde opzet met musicerende engelen in contrapost. Uiteindelijk besloot hij:

  • ‘mezelf en de schildering niet op de voorgrond te dringen doch een teruggehouden stemmige uitdrukking te bereiken, die in het kader op de achtergrond blijft en niet uit de muur springt’.

De kunstenaar koos dan ook voor een overwegend klassieke insteek, die hij consequent inzette door de Pieta van haar kleuren te ontdoen, zodat wat er resteerde op z’n minst neoclassicistisch oogde (afb. 365). Wat Van Rees vervolgens deed, kan met recht zonder weerga worden genoemd. Hij bracht op de muur een blanke, steenachtig ogende onderlaag aan die met een nauwelijks merkbare marmering in blauw en grijs de tactiele structuur van natuursteen oproept: als op een blad papier plaatste hij hierop in een tekenachtige factuur de figuren en objecten.

Otto van Rees, De goede herder, Obrechtkerk 1931. Foto Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt 2011.  Otto van Rees, Johannes de Evangelist, Obrechtkerk 1931. Foto Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt 2011.

Otto van Rees, Maria Magdalena, Obrechtkerk 1931. Foto Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt 2011.  Otto van Rees, Maria met Kind, Obrechtkerk 1931. Foto Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt 2011.
De meer dan levensgrote personificaties in de Pietàkapel van de Obrechtkerk zijn afgestemd op bekende bijbelse karakters: a. De Goede Herder, b. Johannes de Evangelist, c. Maria Magdalena en d. Maria met kind. Ze dragen daardoor een bepaalde boodschap uit, maar vormen geen ‘portretten’. Het werk is hiermee een voorbeeld van de iconografische creativiteit in het interbellum. Foto’s: beeldbank van de RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder.

Sommige lijnen zijn zo fijn dat ze wel met de pen aangebracht hadden kunnen zijn. Van Rees hield daarbij een uiterst sober palet aan van zwart en bruin voor de contouren, en rood, oranjebeige, mosgroen en geel voor de schaduwen die plastische volumes definiëren. De vier figuren rond de Pietà zijn tegen blauwe fonds geplaatst, die niet alleen op een hemelse toekomst wijzen, vergelijkbaar met de engelen in de kalot, maar tevens herinneren aan het neoclassicistische Wedgwoodachtige gamma van Jan Oosterman in Den Bosch en Uden. Ze zijn hoekig en sculpturaal van gestalte met uitzondering van de vrouw direct rechts van het kruis, die als enige uit rondingen is opgebouwd.

Het tekenachtige effect komt ook tot uitdrukking doordat Van Rees totaal geen kleurvlakken gebruikt: op de toon van de schaduwen en contourlijnen na, zijn de huid en de gewaden transparant gehouden, dus in dezelfde kleur als de stenige factuur van de ondergrond. Hierdoor zijn de gestalten zelf zo lapidair dat ze wel sculpturen lijken die nauwelijks van de steen loskomen. Het is van een verfijning die tot dan toe op de muur zelden is toegepast en alleen een precedent heeft in het werk van Derkinderen in Jutphaas uit 1904. Of Van Rees zich hierdoor echt heeft laten inspireren, is zeer de vraag, ook al zal hij alleen al vanwege zijn vriendschap met Wiegman, Jonas en Eyck weet hebben gehad van de invloed van Derkinderen.

Wie weet heeft Eyck zijn vriend gewezen op het experiment bij het tongewelf van Rumpen (1929), waar hij zelf dit concept voor het eerst toepaste. Mocht dit Van Rees op het idee hebben gebracht, dan heeft hij deze oplossing wel op een heel ander plan getild.

Het vervolg van dit verhaal kun je lezen in De genade van de steiger, pp. 426-430.

B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina’, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Gerelateerde onderwerpen

Met één klik op de afbeelding ga je naar …

Recensie Mieke Rijnders 'Genade van de steiger' in Museumtijdschrift, mei 2014. Hendrik Wiegersma, glas-in-lood in zijn woonhuis, 1939 Merkelbeek mc 16 apr 14 (20) (Large)

Verkorte link van dit item: bit.ly/1wt4nQYo of bit.ly/Bestellen-GvdS