Naar een thomistisch symbolisme in de nieuwe Bavo

Naar een thomistisch symbolisme — De nieuwe Bavo/KoepelKathedraal te Haarlem vormt een zeldzaam hoogtepunt van architectuur en toegepaste kunsten in Nederland. De uitvoering vond plaats volgens een doordacht liturgisch en iconografisch programma dat voor een belangrijk deel beïnvloed was door de herontdekking van het oeuvre van Thomas van Aquino na 1850. De bestudering en verspreiding daarvan kreeg een krachtige impuls onder paus Leo XIII die in 1879 het (neo)thomisme inzette voor de hervorming van de kerkelijke wetenschap. Daarmee had Leo XIII bepaald geen gemakkelijke stap gezet:

Het was niet eenvoudig om de omslag te motiveren van een beleid dat gericht was op het ontkennen en negeren van de moderne tijd naar openheid jegens wat steeds als de vijand en antichrist was geprofileerd. Leo deed dit door Thomas van Aquino als voorbeeld naar voren te schuiven die immers uit de vijandige stromingen van het joodse en Arabische aristotelisme een waarachtig christelijk denksysteem had opgebouwd. Alles stond hem ten dienste, al was het nog zo heidens. Als het iets goeds bevatte, bewees dat alleen maar dat, zoals Leo XIII benadrukte, God zelf geen onderscheid maakt in de boodschappers om zijn openbaring de wereld in te sturen.[ad1]

Even stond het raam open voor de ontwikkelingen in de eigen tijd. Uit dit gistingsproces waarin de kerk niet langer met de rug naar de maatschappij stond, maar er proactief aan deel wilde nemen en ontstond een nieuw katholiek symbolisme. Dit profileerde zich als tegenhanger van het gemystificeerde symbolisme van het fin de siècle, dat we in Nederland verbinden met kunstenaars als Jan Toorop, Johan Thorn Prikker, Carel de Nerée tot Babberich en R.N. Roland Holst. De roomse variant ontwikkelde zich vanuit het team van clerici en leken, architecten, kunstenaars en schrijvers rond een van de grootste bouwprojecten in – katholiek – Nederland van die tijd: de kathedraal van Sint Bavo te Haarlem. Of dit type symbolisme echt wortel heeft geschoten binnen de kerkelijke cultuur van de vroege twintigste eeuw, moet nader onderzocht worden. Als significant moment kan in ieder geval de afronding van de tweede bouwfase van de kathedraal genoemd worden (1906), toen de neothomistisch geïnspireerde, majestueuze koepel verrees.   

Thomas van Aquino bij het heilig Hartaltaar in de nieuwe Bavo. Het al bestaande heilig Hartbeeld van J.P. Maas werd in 1922 uitgebreid met een groep van zijn zoon A.W.M. Maas. Het beeld van Thomas van Aquino draagt de gelaatstrekken van de bouwheer van de kathedraal, bisschop A.J. Callier die zich hiermee profileert als (neo)thomist. Foto Beeldbank RCE – Margareta Svensson.

Hubar, Bernadette van Hellenberg. De nieuwe Bavo te Haarlem: ad orientem – gericht op het oosten. Onder redactie van Marij Coenen. Zwolle; Haarlem: Wbooks ; Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, op initiatief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, 2016.

Uit hoofdstuk 5 Te deum laudamus

Naar een thomistisch symbolisme

In het voorgaande is dit al heel wat keren langs gekomen: Thompsons bijzondere uitleg van het programma in het eerste monografietje over de nieuwe Bavo uit 1898. Een hoogst merkwaardig boekje is dit, alleen al omdat het van de sfeer getuigt van vóór de integralistische terreur, geïllustreerd als het is met de portretten van de actoren van de hand van de rebelse Theo Molkenboer. Zowel lid van De Violier als de Klarenbeekse Club, zou deze kunstenaar in 1900 als eerste pleiten voor een nieuw type ‘volkskerken’ in de vorm van een centraalbouw die iedere kerkganger een rechtstreekse blik op het altaar bood. En dat type kwam er, getuige de kerken die Joseph Cuypers en Jan Stuyt gezamenlijk en afzonderlijk in de jaren daarna zouden bouwen.[1] Zoals ook de portretten in het boekje van Thompson tonen, was Theo Molkenboer, vergelijkbaar met Jan Toorop, verwikkeld in een stijlexperiment, waarbij hij verschillende uitdrukkingsvormen ontplooide tussen jugendstil en art nouveau, de Beuroner school en de realistische stromingen van zijn tijd. In wisselende mate dragen deze een symbolistische opdruk, hetgeen niet verwonderlijk is voor een leerling van Derkinderen en een broer van een van de symbolisten van het eerste uur, Anton Molkenboer. Ook op dat punt reflecteerde Theo de sfeer in de eerste fase van de nieuwe Bavo, waar diverse actoren zich intensief bezighielden met de speurtocht naar een nieuw, of liever vernieuwd christelijk symbolisme. Daarvoor gold wat Theo Molkenboer als stellingname omschreef:

‘Ik verlang in de kern niet naar het nieuwe, omdat het nieuw is, maar ik streef naar een beter, nieuw kleed, voor de oude, goede beginselen’.[2]

Die metafoor van het kleed keert terug bij Thompson, zoals hierna blijkt.[3] Wie overigens bedenkt hoe enthousiast Callier zou worden over het werk van Jan Toorop, zal het zeker frappant vinden dat Thompson zijn hoofdstuk over het ‘symbolisme’ start met afstand te nemen van ‘de mystieke richting der ultra moderne kunst’.[4] De richting dus, waarvan Toorop een van de meest toonaangevende exponenten was. Het tekent de ontwikkeling van de verschillende actoren dat dit in relatief korte tijd veranderen zou.

Wetenschap in thomistische zin

Hoewel dit na de behandeling van het beleid van Leo XIII in Æterni patris niet helemaal als een verrassing komt, valt het wel op dat Thompson het symbolisme tot driemaal toe beschrijft als een wetenschap.[5] Aan de ene kant kun je dat zien als een zelfbewuste verklaring van het niveau waarop het programma van de kathedraal zich afspeelde. Anderzijds kun je je niet aan de indruk onttrekken dat er ook een zekere legitimatie achter school. Wat Callier deed was kennelijk nog altijd geen dagelijkse kost voor de clerus en naar zijn bisschop toe kon hij dit moeilijk verantwoorden op basis van het pionierswerk van Thijm. Niet genoeg kan benadrukt worden dat Bottemanne maar weinig ophad met Thijm en zo rigide was in zijn visie op de verantwoordelijkheden die zijn ambt meebracht, dat Callier echt wel een stevige noot zal hebben moeten kraken om zijn programma er door te krijgen.[6] Maar om Thomas kon en wilde echt niemand heen. En zo zien we dat niet alleen Thompson, maar ook zijn collega redactielid van weekblad Sint Bavo, Rijkenberg, de Aquiner opvoert. Hij doet dat in verband met het oeuvre van Johannes Maas die als een ware ‘priester van het Schoone’ Thomas van Aquino volgt. De kunst moet namelijk volgens deze filosoof:

‘1o. gevoelens van godsvrucht opwekken, 2o. de voorbeelden der Heiligen dagelijks en voortdurend voor oogen stellen, en 3o. het onderrichten van onwetenden, die daardoor als door boeken onderwezen worden’.[7]

Een variatie op dit thema [zien we] enkele jaren later in het invloedrijke boekje van de Violierman, pater Nieuwbarn. Als ‘leraresse der volkeren’, schrijft deze dominicaan, zet de kerk volgens zijn grote ordegenoot de beelden als volgt in:

‘a. Tot onderwijzing der niet-ontwikkelden, die hier als door boek en woord worden onderricht.

b. Tot dagelijksche, voor oogen geziene herinnering aan het geheim der h. Menschwording en aan de toonbeelden onzer Heiligen.

c. Tot vermeerdering van onzen godsdienstzin, welke door aanschouwing sterker wordt aangezet dan door het aanhooren alleen’.[8]

Jammer genoeg verwijzen Nieuwbarn noch Rijkenberg naar de bron van hun opsomming. Ondertussen is het niet moeilijk om de beroemde uitspraak van Gregorius de Grote te herkennen. Dat geldt bij Nieuwbarn ook voor de stelling sub c), van Horatius, waarover we het bij Suger en Vondel hebben gehad.[9]

De rijkdom van de natuur roept in de visie van Thompson een bepaalde stemming op die de mens leidt naar het oneindige, naar God. Het toeval wil dat de de combinatie van wilde cichorei en boerenwormkruid precies de hoofdkleuren van de polychromie van de nieuwe Bavo zijn. Foto bvhh.nu 2015 langs de Schroevendaalse plas in Ohé.

Top down of bottom up

Wat Thompson zo interessant maakt vergeleken met Thijm en Nieuwbarn is een zo consequent mogelijke bottom up-insteek, terwijl de laatste twee vooral uitgaan van de neoplatoonse top down-visie op symboliek. Zo merkt Nieuwbarn op dat ‘alle de stoffelijke vormen en bestanddeelen werden bezield met een hooger en geestelijk leven’.[10] Hier domineert de idee van een uitvloeiing of uitstorting van boven naar beneden. Ook al is Thomas het daar niet helemaal mee oneens, bij hem overheerst de aristotelische opvatting dat alles wat we weten en leren primair via de zintuigen gaat. Zo ook bij Thompson die overigens start met neoplatoonse denkers als de Pseudo-Dionysius de Areopagiet en Origenes die we eerder in dit boek bij Suger en Thijm zijn tegengekomen. Aan hen ontleent Thompson stellingen als: ‘Het zichtbare is het klare beeld van het onzichtbare’, en: toen God de ‘stoffelijke wezens’ schiep ‘heeft Hij in die wezens de figuren en de beelden eener onstoffelijke wereld neergelegd’.[11] Hoe top down ook, de priester-journalist was retorisch en stilistisch een te sterke professional om deze twee vertaalde zinnen niet te starten met het ondermaanse, het zichtbare.

De thomistische idee

Hoe thomistisch was nu eigenlijk de visie van Thompson op het symbolisme? Op welke manier heeft hij het gedachtegoed van Thomas geïntegreerd in zijn betoog? Dankzij het vorige hoofdstuk valt dat goed te achterhalen. Dat geldt onder meer voor Thompsons uitleg van de Idee, dat we als neoplatoons begrip eerder bij Thijm tegenkwamen in de zin van het perfecte, dus onzintuiglijke ‘denkbeeld’. Omdat dit een goed beeld geeft van de manier waarop Thompson Thomas verwerkte, en deze op zijn beurt de klassieke filosofie, laat ik de passage hier integraal volgen:

‘De goddelijke gedachten zijn het richtsnoer en de maatstaf naar welke alles in den tijd is voortgebracht. Deze gedachten Gods zijn eeuwig en onveranderlijk omdat zij niets anders zijn dan het Goddelijk wezen zelf. God, zegt de H. Thomas, kent Zijn Wezen volkomen. Dat Wezen nu kan gekend worden niet alleen in Zich, maar ook in de gelijkenis en in de volmaaktheden, welke dat Wezen uitstort over de schepselen, want elk schepsel heeft een eigen aard en soort, naar gelang het deel heeft aan de gelijkenis met de goddelijke natuur. God, derhalve, die Zijn wezen kent als kunnende uitgedrukt worden door dit of dat schepsel, ziet in de oneindigheid van dat zelfde Wezen tevens de bestaande reden en het eigen idée van dit schepsel. En elders zegt de H. Kerkleeraar: Alle schepsel draagt een gelijkenis met de goddelijke natuur, maar ieder op verschillende wijze en naar een verscheidene maatstaf. Het goddelijke Wezen derhalve, beschouwd als een toonbeeld, op hetwelk elk schepsel naar eigene wijze gelijkt, is ook de eigen idée van dit schepsel naar zijn bepaalden vorm van gelijkenis. En daar andere schepselen weer onder ander opzicht op God gelijken, volgt daaruit, dat de gedachte, de reden van bestaan niet voor ieder schepsel dezelfde is, ofschoon het Goddelijk Wezen, dat toonbeeld is, eeuwig hetzelfde is, want alle volmaaktheden der schepselen schitteren in God onder enkelvoudigen en ondeelbaren vorm’.[12]

Veel van wat in het vorige hoofdstuk onder de noemer van de ‘graden van volmaaktheid’ is behandeld, keert hier terug: het belangrijkste is wel de participatie van ieder schepsel in de volmaaktheid van God. Dat gebeurt op zo’n evenredige manier dat wat het bezit ook direct ontleend is aan de goddelijke bron. Vandaar dat Thompson dit typeert als de ‘volmaaktheden der schepselen’. Dat is wat de schrijver in zijn uitleg bedoelt met het begrip van de ‘idée’ als dat, wat het ene ding onderscheidt van het ander en waarvan de ene allesomvattende en volmaakte Idee God is. Voor Thompson kan het symbolisme dus samengevat worden in één zin: ‘de zichtbare schepselen zijn de uitwendige beelden en teekenen der goddelijke gedachten’.[13] Als je dit vergelijkt met zijn opmerking hiervoor over de ‘inwendige beelden en figuren’, dan raken hemel en aarde elkaar. Die relatie aanschouwelijk maken is wat het symbolisme doet. Vanuit deze positie formuleert Thompson een specificatie aan de hand van drie punten. Deze herinneren niet alleen aan de aanpak van Thijm, maar ook aan die van grote namen in de iconografie als Erwin Panofsky, wiens boek Studies in iconology uit 1939 nog altijd een standaardwerk is.[14] Het grote verschil is dat het bij Thompson niet alleen gaat om geobjectiveerde, iconografische duidingen, maar ook om gevoelens.

Primair

Thompson start met het primaire symbolisme als gevolg van de directe relatie tussen het schepsel en God. Dit legt hij uit aan de hand van de stemming die in ons opgeroepen wordt door een bloemenveld in de lente. De schoonheid daarvan voert ons op ‘naar het oneindige, iets wat mijn lichamelijk oog niet ziet, maar wat door bemiddeling van het schepsel mij toeschijnt als een visioen’.[15] Terwijl dat ook geldt voor de Unvollendete, was het vermoedelijk vooral Thompsons bedoeling om bij de lezer de eerste associaties in te prenten met de rijke flora in steen en terracotta in de kathedraal.

Jan Toorop, ‘Gewijde en profane muziek’ (1921); ontleend aan Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem 2016), p. 180 #KoepelKathedraal

137 Jan Toorop, ‘Gewijde en profane muziek’ (1921), toont de musicerende ziel en de mystica in extase met de stormende zee op de achter – grond. Hoewel de mystica afgebeeld wordt als non heeft ze mondain aangezette lippen die haar profane inslag verraden. Gewijd of profaan, de muziek op de voorgrond leidt tot een stemming die een nimbusachtige gloed vanuit de non laat uitstralen. Wat Thompson van dit symbolisme vond is de vraag, maar clerici anno 1921 waren hier enthousiast over. Ook de ontblote borst gaf geen aanstoot, omdat deze staat voor het verlangen van de ziel naar God en dus nog aansluit bij de iconografie van Maria lactans die sedert Bernardus van Clairvaux hetzelfde symboliseert.151 Herkomst: Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, p. 180. Met dank aan Gerard van Wezel (1951-2018).

Tweede niveau

De volgende fase vormt het symbolisme als gevolg van de ‘vaste verhouding’ die God schiep tussen ‘de schepselen in betrekking tot elkander’. Hiervoor komt Thompson terecht bij de zee: ‘De bewegingen der zee geven mij een beeld van de bewegingen in ‘s menschen geest en gemoed. Het brullen harer golven symboliseert mij de stormen der menschelijke ziel’. Opnieuw gaat Thompson voorbij aan een iconografische betekenisrelatie, zoals Nieuwbarn wel doet wanneer hij hetzelfde beeld koppelt aan de ‘woedenden golfslag op het meer van Genezareth’ of het stabiele schip van de kerk met Petrus als roerganger. Beiden leunen overigens op Thijm die het bij de uitleg van het schip in de kerk heeft over ‘de strijdenden, die zich door des waerelds woelige golven trachten heen te werken’.[16] Met Callier op de achtergrond herinnert dit aan de strandwandelingen die hij vanuit Hageveld met zijn bevriende collega De Rijk maakte. Tegelijkertijd kan dit beeld niet los worden gezien van de vele werken die Toorop maakte met de stormachtige zee op de achtergrond. Toorop nog wel, die bevriend was met Nieuwbarn, een leerling was van Thijm én de aandacht genoot van Callier.[17]

Dat Thompson in dit verband ook oog heeft voor iconografische duidingen blijkt als we terugkeren tot de bloemsymboliek, waarbij hij verwijst naar wat Christus zelf vertelt over de wijnstok en over de lelies in het veld. Toch spreekt hij weer in termen van gemoedsaandoeningen als het gaat om de indruk van Gods wonderschone natuur op heiligen als Johannes van het Kruis, Franciscus en Antonius die allemaal in de nieuwe Bavo vertegenwoordigd zijn. Opnieuw is de essentie dat Gods geheimen worden geopenbaard in de luister van zijn schepping.[18] Voor Callier zal dit gerijmd hebben met de verbindingen die hij zag met het Te Deum, waarin de hele aarde God eert, en hemel en aarde vol zijn van zijn glorie.

Derde stadium

Gingen de eerste twee stappen van concreet naar abstract, in de volgende fase gaat de weg andersom. In puur thomistische termen waarmee we inmiddels dankzij het vorige hoofdstuk vertrouwd zijn, vertelt Thompson:

‘En de onstoffelijke dingen, van welke geen beeld bestaat, kennen wij door vergelijking met de stoffelijke zichtbare dingen, die hunne overeenkomstige beelden hebben. Wanneer dus een voorwerp zich voordoet aan den menschelijken geest, komt het eerst onder het bereik der zinnen, van deze gaat het over naar de verbeelding en van deze naar het verstand of het begripsvermogen’.[19]

Deze uitleg is niet compleet zonder de eveneens herkenbare opmerking dat de zichtbare wereld voor Thomas de eerste trede vormt van de ladder die de mens naar God leidt, want ‘Sensibilia sunt praeambula ad intelligibilia’ (het zintuigelijke vormt de preambule of inleiding tot het begrippelijke). Thompson doet hierna opnieuw een beroep op de Pseudo-Dionysius, wiens werk, zoals eerder aangestipt, door Thomas werd becommentarieerd. De priester-journalist doet dat om met de Areopagiet te betogen dat het bij het symbolisme nìet gaat om een zwaktebod, ook al lijkt het daarop omdat de mens niet in staat is het onzienlijke te vatten. We weten namelijk dat gemis te overstijgen door ons talent om ‘de geheimzinnige en eerbiedwaardige natuur van God en van de gelukzalige geesten te wikkelen in beeld en figuur en onuitsprekelijke raadselen en haar aldus te onttrekken aan den blik en de beschouwing van oningewijden’. Als Thompson dit nader specificeert als de ‘disciplina arcana’, de geheimhoudingsplicht uit de tijd dat de christenen vervolgd werden, volgt hij opnieuw Thomas van Aquino die dezelfde houding aannam tegenover de niet-ingewijden, de andersgezinden.[20] Tegelijkertijd maakte het talent om deze geheimen te versluieren het Thompson mogelijk om de scheppingskracht van het bouwteam van de kathedraal in te kaderen. De scheppingskracht die op een directe participatie in God berust en bij Callier resulteerde in het programma en bij Joseph Cuypers in de architectuur van de kathedraal. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat vooral de Unvollendete tot de categorie van de disciplina arcana hoorde: alleen rijp voor ingewijden. Maar voor de hele onderneming telde wat de Areopagiet voorschreef: dat we de eerbied voor God met stof en vorm ‘omkleeden’. Mogelijk speelde dat bij Theo Molkenboer nog door het hoofd toen hij een jaar later schreef dat hij ernaar verlangde om de oude beginselen van een ‘beter, nieuw kleed’ te voorzien.[21] En dat gold beslist niet voor hem alleen, zoals de cyclus van de nieuwe Bavo laat zien.

138 Een van de meest symbolistisch aandoende beelden van de cyclus rond de apsis is te vinden boven de Willibrorduskapel. De moeder van Willibrordus droomde over een nieuwe maan die transformeerde in volle maan en toen plots ‘haar mond inging en geheel haar binnenste met het zilveren licht verhelderde’. Dit betekende dat haar zoon ‘door God voorbestemd was tot het bekeeringswerk onder de volkeren, die nog in de duisternis van het heidendom verzonken lagen. Vandaar het beeld van de maan, oprijzende boven de paddenstoelen en de slangen de symbolen van duisternis’.152 Foto bvhh.nu 2013.

Positionering

Het verhaal over het symbolisme van Thompson is in meer opzichten hoogst bijzonder. Tot dusver is het de enig bekende uitleg die tamelijk rigoureus vanuit een thomistisch perspectief is opgesteld. Weliswaar noemt hij ook de Pseudo-Dionysius en Origenes, maar het gaat hier om denkers die Thomas zelf bestudeerd dan wel becommentarieerd heeft. Dat geldt eveneens voor Augustinus die slechts nominaal aangestipt wordt. Beide auteurs, Origenes en Augustinus hebben we eerder ontmoet bij Thijm, onder meer als exponenten van het vrije associëren bij het gebruik van metaforen.[22] Ook in de nadere specificatie van het programma – waarbij zelfs die delen als fysiek aanwezig beschreven worden die er alleen nog maar in potentie waren! – komt Thomas opvallend vaak aan de orde. Dit is met name het geval bij het programma van de glazen in de lucida, waar ik nog uitvoerig op terugkom.[23]

Dit is echter niet de enige reden waarom het betoog van Thompson eruit springt. Ook het voorop stellen van het ‘gemoed’ in plaats van de iconografische duiding bij de primaire en secundaire voorbeelden van de symboliek is apart. Zeker kan dit niet los worden gezien van de klassieke, retorische functie van de kunst, waarmee Callier en Thompson door en door vertrouwd waren: het movere, bewegen of ontroeren.[24] Maar dit adagium kreeg beslist een extra dimensie doordat het tevens als een direct uitvloeisel kon gelden van de route langs de zintuigen à la Thomas. Zoals Thompson zijn associaties beschrijft aan de hand van de bloei in de lente en de stormachtige zee, krijgt zijn symbolisme wel iets heel individueels. En dat is temeer frappant, omdat het daardoor sterk leunt op het door hem verworpen, mystieke symbolisme van Toorop en consorten uit die tijd. Wat het nog typischer maakt, is dat de mens nu juist in dit individuele – mits het positief is – deelneemt aan Gods natuur en we dus hier nu net te maken hebben met één van die ‘volmaaktheden van de schepselen’ die een directe weerspiegeling vormt van de schoonheid van God.[25] Want dat is wat kunst doet, een stukje van Gods schoonheid naar de aarde halen. Hoewel dit minder stellig wordt geformuleerd dan onder de volgende generatie thomisten, zoals Jacques Maritain, was daarom de artistieke ambachtelijkheid zo belangrijk, omdat de incarnatie van Gods schoonheid daar direct afhankelijk van was.[26]

Dat juist de individuele participatie kunst maakt, zou wel eens de verklaring kunnen zijn voor de bijzondere invulling van het programma van de nieuwe Bavo. Hierin vindt een wonderlijke combinatie van oud en nieuw plaats: van het nieuwe dat de aanvulling en de voltooiing is van het oude en van oude thema’s in een nieuw kleed. Het nieuwe, of liever nog de vernieuwing die op deze manier niet alleen van de goddelijke creativiteit van de mens getuigt, maar tegelijkertijd staat voor de thomistische verdieping van het inzicht van de mens in God. Een inzicht dat langs de weg van trial-and-error een progressieve ontwikkeling kent op de eindeloze weg naar het Oneindige. Vandaar ook dat Leo XIII spreekt van een proces van ‘augere et perficere’ (uitbreiden en vervolmaken).[27] Dit kon echter niet door middel van een ‘wilde, onbestemde fantasie’, zoals Toorop en consorten volgens Thompson deden, maar alleen langs de route van de kerkvader en –leraren. En dat leidde tot de herleving van het vrije associëren à la Origenes en Augustinus. Dat je daarvoor verbeelding nodig hebt, was voor Thomas niet meer dan vanzelfsprekend, want hoe zou je anders iets kunnen bedenken. De verbeelding is immers de plaats, waarin onze ervaringen zijn opgeslagen; als ‘inwendig zintuig’ weet ze die informatie al abstraherend en deducerend tot ‘fantasieën’ te combineren.[28] Vertaald naar kunst en symboliek is dat wat de actoren bij de nieuwe Bavo in de ogen van Thompson hebben gedaan: in het spoor van de kerkvaders met hun rijke allegorieën hebben ze de combinerende verbeelding ingezet en die leidde hen tot composities als de bruid van het oosten en de bruid van het westen of de heilige leegte en de levende stenen. Gematerialiseerd door ‘hoogst bekwame, kunstvaardige en nijvere mannen’, geldt daarvoor wat Thompson aan de Pseudo-Dionysius ontleende: ‘Het heilige wordt daar door symbolische vormen heilig behandeld’.[29]

136 De cyclus rond de apsis getuigt van het thomistische symbolisme, waarin vernieuwing essentieel is omdat die leidt tot de volgende stap op de eindeloze weg naar het Oneindige. De mens zet hierbij zijn individuele creativiteit in, waarin hij participeert in God. Meer in het bijzonder gebeurt dat door middel van het vrije, persoonlijke associëren dat tot vroegchristelijke tradities teruggaat. Dit leidt tot nieuwe beeldformules en duidingen zoals deze allegorie op de lagere wijdingen. Hier zien we (van links naar rechts), zoals Thompson beschrijft, ‘de monnik met een condor, die geacht wordt het hoogst te vliegen en daarom beeld is van het beschouwend leven; dan volgt de ostiarius (deurbewaarder) met klok en sleutel om de geloovigen naar de kerk te roepen, en buiten te sluiten wie niet in de kerk behoort, achter hem afgebeeld door een aap; de vierde is de lector (lezer) met het boek der gebeden, waaruit hij de wijdingen van het brood en der nieuwe vruchten moet lezen; hij heeft achter zich het stekelvarken, den grooten roover van de vruchten des wijngaards’.150 Juist deze combinaties getuigen van het vrije associëren. Foto bvhh.nu 2013.

Naschrift van ‘Naar een thomistisch symbolisme’

Tot zover het fragment uit De nieuwe Bavo te Haarlem. De opmaat tot dit stuk uit de inleiding van ons boek over de Haarlemse KoepelKathedraal kun je lezen onder deze link.

Meer lezen? Het boek is uitverkocht, maar je kunt het altijd opvragen bij De Bibliotheek.

Ook onderzoek naar erfgoed moet het hebben van kennis delen; zeker met het oog op het specifieke doel om symboliek en iconografie een volwaardige rol te geven bij de toekomstplannen voor kerkgebouwen. Wees dus zo goed om deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina. Het zou helemaal fijn als je daarbij de hashtag #kerkelijkerfgoed gebruikt.

B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Noten bij ‘Naar een thomistisch symbolisme’

In de noten wordt gewerkt met verkorte titels. Voor de volledige titels raadpleeg de bibliografie, waarnaar verwezen wordt, via deze link:

[1] Theo Molkenboer, ‘Volkskerken’. Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst, p. 335. Men denke aan de Jacobskerk in Den Bosch (Cuypers & Stuyt, 1907), de Catharinakerk in Den Bosch (Jan Stuyt, 1917), en de Agathakerk in Beverwijk (Joseph en Pierre junior Cuypers, 1924); ontleend aan reliwiki.nl.

[2] Theo Molkenboer, ‘Volkskerken’, p. 370.

[3] Thompson, St. Bavo, pp. 33, 38.

[4] Thompson, St. Bavo, pp. 22-24.

[5] Thompson, St. Bavo, p. 23.

[6] Over Bottemanne en Thijm zie paragraaf 2.1.2 ‘De actoren tussen Vioolstruik en Violier’. Voorts Van der Plas, Vader Thijm, pp. 587-588.

[7] Rijkenberg, ‘Hollandsche kunst’, p. 183.

[8] Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, pp. 69-70.

[9] Zie paragraaf 2.1.3 ‘Het appel van de benedictijnen’.

[10] Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, pp. 12, 16. Over de wisselwerking tussen het neoplatoonse en aristotelische gedachtegoed in de negentiende eeuw zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 214-222.

[11] Thompson, St. Bavo, pp. 23-25.

[12] Thompson, St. Bavo, pp. 26-27.

[13] Thompson, St. Bavo, p. 25.

[14] Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 22-32. Panofsky, Iconologie, pp. 7-20.

[15] Thompson, St. Bavo, pp. 25-26.

[16] Thompson, St. Bavo, p. 27. Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, pp. 34-35. Thijm, De Heilige Linie, p. 197.

[17] Hubar e.a., De genade van de steiger, pp. 276, 279. ‘Levensschets van Mgr. A.J. Callier’, in De Maasbode 28 april 1928, p. 2.

[18] Thompson, St. Bavo, p. 28.

[19] Thompson, St. Bavo, p. 30.

[20] De Groot, Het leven van den H. Thomas van Aquino, p. 175. Thompson, St. Bavo, pp. viii, 32.

[21] Thompson, St. Bavo, pp. viii-ix, 30-32. Theo Molkenboer, ‘Volkskerken’, p. 370.

[22] Zie paragraaf 3.2.2 ‘Associaties, typologieën en harmonieën’.

[23] Thompson, St. Bavo, pp. 40-52.

[24] Hubar e.a., De genade van de steiger, pp. 107, 123, 180, 473.

[25] Thompson, St. Bavo, pp. 26-27.

[26] Hubar e.a., De genade van de steiger, onder meer pp. 131-141, 148-149, 411-413. Thompson, St. Bavo, pp. 4, 18, 19-21, 66, 94-95, besteedt opvallend veel aandacht aan constructie, techniek, kunstindustrie en kunstvaardigheid.

[27] Leo XIII, ‘Æterni patris’, p. 203 (Latijns origineel) p. 225 (Nederlandse vertaling).

[28] Zie voor dit facet van Thomas, Kenny, Aquino, pp. 109-119.

[29] Thompson, St. Bavo, pp. 32, 94.

Noten in de bijschriften, toegevoegde noot in de inleiding, titelbeschrijving etc.

  • ad1) Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 23-24.
  • 150) Thompson, St. Bavo, p. 84.
  • 151) Hubar e.a., De genade van de steiger, pp. 284-286. Voor Bernardus zie paragraaf 3.5 ‘Toetssteen: tussen litanie en Hooglied’. Met dank aan Gerard van Wezel.
  • 152) Thompson, St. Bavo, pp. 86-87

Over Joseph Cuypers is meer te vinden bij de JCC | Joseph Cuypers Collectie, De nieuwe Bavokathedraal en Cuypers assortiment.

De JCC komt verder met grote regelmaat aan de orde op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB
Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de bovenstaande een nog grotere actieradius bereiken!

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Naar een thomistisch symbolisme in de nieuwe Bavo’. Onder redactie van Marij Coenen. VanHellenbergHubar.org, 2016-2021. http://bit.ly/3b6LB0q-JCC-nBavo.

Verkorte link: http://bit.ly/3b6LB0q-JCC-nBavo

De gebroeders Dunselman in vakblad Vitruvius

De gebroeders Dunselman in vakblad Vitruvius — We waren al bezig met dit artikel toen begin augustus 2020 het schokkende nieuws kwam dat museum Ons’ Lieve Heer op Solder met sluiting bedreigd werd. Schokkend omdat dit onvermijdelijk gevolgen zou hebben voor de ateliercollectie van Kees Dunselman die eind vorige eeuw door de familie in bruikleen is gegeven aan dit museum. Hierin bevindt zich niet alleen werk van de jongste Dunselman, maar ook van zijn oudere broer Jan. Ze behoren tot de top van de kerkschilders anno 1900 met een bijzonder netwerk, waartoe onder meer Antoon Derkinderen, Joseph Th.J. Cuypers en Jan Stuyt behoorden. Centrum van de discussie over monumentale kerkelijke kunst in die dagen was de katholieke kunstkring De Violier, waarvan Jan als een van de oprichters vanaf 1900 lid was, en Kees later in 1906 toetrad.

De schilderingen van Kees Dunselman (na 1903) in de onze Lieve Vrouwe Hemelvaartkerk van Oude Tonge (Goeree-Overflakkee), ontworpen door Joseph Cuypers (1897-1898).
Een van de kerken, waar Kees Dunselman gewerkt heeft, is de Onze Lieve Vrouwe Hemelvaartkerk van Oude Tonge (Goeree-Overflakkee): een ontwerp van Joseph Cuypers uit de tijd dat hij ook met de nieuwe Bavo in Haarlem bezig was (1897-1898). De uitmonstering bestond voor een deel uit materiaal- en baksteenpolychromie, ontworpen door de architect. Waarschijnlijk is ook het concept van de geschilderde polychromie van zijn hand, omdat Kees Dunselman pas vanaf 1903 als kerkschilder actief was. Het was niet ongebruikelijk om de velden voor de figuratieve schilderingen (figuraties) leeg te laten, totdat er voldoende middelen waren voor verdere invulling. In dat geval zou Kees Dunselman alleen verantwoordelijk zijn voor de figuraties in de kerk, die we op deze historische foto zien in het priesterkoor, op de triomfboog, en tegen de transeptarmen. Deze uitmonstering is grotendeels verdwenen als gevolg van de watersnood en de vernieuwingen onder Vaticanum II. Voor de herkomst van de foto volg deze link.
____________

Toekomst ateliercollectie — Wie de nieuwsberichten en de sociale media heeft gevolgd, weet dat het goed afgelopen is met Ons’ Lieve Heer op Solder. Het was een discussie die met veel emoties gepaard ging en waaraan ook vanuit de kunsthistorische hoek een constructieve bijdrage is geleverd. Zelf heb ik vooral op Facebook daaraan deelgenomen. Wat betreft mijn collega’s, mag ik graag wijzen op het artikel van grand’ old man Peter van Dael in Ignis webmagazine. Van Dael was jarenlang als docent kunstgeschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en was een van de eersten die zich bezighield met het veiligstellen van de archivistische nalatenschap van de gebroeders Dunselman. Ook al blijft Ons’ Lieve Heer op Solder behouden, wat er met de ateliercollectie gaat gebeuren staat allerminst vast. 

Daar komen we zeker nog op terug!

Dubbelartikel over de gebroeders Dunselman — Intussen ben je welkom om deel 1 van ons dubbelartikel te lezen over Jan en Kees Dunselman. Het is ontleend aan ons E-boek over de recente kalotschilderingen van de kathedraal van Rotterdam, waarbij Jojanneke Post zich heeft laten inspireren door het verdwenen werk van haar voorganger, Kees Dunselman. In principe hadden we hiervoor nog aanvullend onderzoek willen doen bij het KDC in Nijmegen dat eveneens over een deelarchief van Kees Dunselman beschikt. Dat bleef spijtig genoeg buiten de onderzoeksopdracht van het E-boek, omdat het doel – het achterhalen van de opzet van de oorspronkelijke schildering van de kalot – bereikt was. En nog spijtiger, ook ditmaal kon geen controleslag gemaakt worden … nu was het coronavirus de spelbreker.

Deze onderzoeksleemte ten spijt, bevat het dubbelartikel over de gebroeders Dunselman zoveel nova dat het rijp is voor een groter publiek. Vooral dankzij Delpher en Kerkcollectie Digitaal van het Catharijneconvent is veel nieuw materiaal opgespoord waardoor het geijkte beeld van wie nu precies wat deed bijgesteld kon worden. Ook de relatie tussen liturgie, uitmonstering en iconografie kon hierdoor goed in beeld worden gebracht. Dat die kenniswinst opportuun is staat wel vast. Er worden zoveel kerken herbestemd dat het goed is om te weten waar de twee kerkschilders hebben gewerkt en wat voor een rijke programma’s hier zijn uitgevoerd. Schilderingen willen bij hergebruik wel eens stiefmoederlijk worden behandeld, omdat ze eigenlijk altijd in de weg zitten. Dus ga er voor zitten en verdiep je in het verhaal. Je kunt het scherm vergroten door op het rechter icoontje te klikken in het raamwerk hieronder.

Jan en Kees Dunselman-1.VITRUVIUS

In de tekst zit een omissie die bij de aanpassing van de betreffende paragraaf voor Vitruvius is blijven hangen. We zijn benieuwd wie die als eerste signaleert. 
Verder een slip of the cursor bij de verwijzing naar de noten 31-32 in noot 33. Bedoeld zijn de noten 30-31. En had je ook dat merkwaardige jaartal gezien?

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen

  1. Dael, Peter van. ‘Ons’ Lieve Heer op Solder na 133 jaar dicht? Neen!’ Ignis webmagazine, 20 augustus 2020. https://bit.ly/39X53wN-KerkelijkErfgoed.
  2. Dat bijstellen geldt ook voor de paragraaf over de Dunselmannen in ons boek De genade van de steiger en het stuk over de Urbanuskerk van Nes aan de Amstel in ons boek over de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal te Haarlem.
  3. Voor het E-boek zie: Hubar, Bernadette van Hellenberg, Jojanneke Post (Davique Sierschilderwerken), en Marij Coenen. Tussen Gabriel en Michael: de schilderingen naar Kees Dunselman in de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam : achtergronden, betekenis & techniek. Rotterdam: HH. Laurentius & Elisabethparochie, 2018. http://bit.ly/VanHH-LauElKat-download.
  4. RCE. ‘Rijksmonument 521890: R.K. Kerk O.L.V. Hemelvaart Oude Tonge – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. Monumentenregister.nl, 2001. http://bit.ly/2usEs5M.
  5. Voor de Katholieke Kunstkring De Violier en Jan Dunselman zie: Hubar, De nieuwe Bavo, pp. 52-57, 63-66. Voorts Hubar, De genade van de steiger, pp. 181-183, 190-193 (De Violier, Jan Dunselman). Voor het lidmaatschap van Kees Dunselman, zie het bovenstaande artikel in Vitruvius of het E-boek in noot 3 (zoekterm Violier). De volledige titels staan in de bibliografie.
  6. De herkomst van de foto met de historische uitmonstering van de Onze Lieve Vrouwe Hemelvaartkerk van Oude Tonge is jammer genoeg niet precies duidelijk. Eind 2019 werden Jojanneke Post van David Sierschilderwerken en wij, vanwege onze eerdere samenwerking bij de Laurentius en Elisabeth Kathedraal van Rotterdam, uitgenodigd om offerte uit te brengen voor een vooronderzoek met betrekking tot het eventuele terugbrengen van de polychromie/schilderingen in de kerk. Hoewel er een aardig bedrag aan subsidies in het vooruitzicht lag, heeft het kerkbestuur anders besloten. Bij de stukken die we ontvingen bij het werkbezoek voorafgaand aan de offerte zat onder meer deze historische afbeelding. 
  7. Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “Jan en Kees Dunselman. Kerkschilders van niveau (deel 1)”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2020): 18-25.
Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Je kunt ons en andere onderzoekers ook helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina (graag de hashtag #Dunselman gebruiken).

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/3gZdjOq-Dunselman

Cuypersplafond Cuypershuis | Lezing SRAL over de kleuren van Cuypers

Cuypersplafond Cuypershuis lezing — 6 oktober 2019 staat de teller op 100%! De crowdfunding is geslaagd! Wat in 1977 werd verwoest en in 2007 werd herontdekt, wordt in 2020 teruggebracht als onderdeel van de nieuwe collectie opstelling in het Cuypershuis. Dus laten we zeggen … tot volgend jaar in Roermond!

Stand van zaken bij de plaatsing van dit bericht op 24 september 2019

Het loopt goed met de crowdfunding van het Cuypershuis voor de reconstructie van het plafond dat Pierre Cuypers in 1859 ontwierp voor zijn bruid Nenny (Antoinette) Alberdingk Thijm. Ruim 60% van het streefbedrag is binnen! Bravo! Nu de overige circa 7000 euro nog. Als nu 700 mensen een tientje doneren! 

We zijn altijd heel voorzichtig met het woord uniek, omdat het zo sleets is. Liever gebruiken we dan begrippen als zonder weerga, equivalent of hoogst bijzonder. Maar eerlijk is eerlijk … dit plafond verdient absoluut de betiteling uniek. Er zijn nauwelijks burgerlijke plafonds van de hand van Pierre J.H. Cuypers behouden gebleven en dit was dan ook nog eens gemaakt voor zijn eigen woonhuis. Hoe bijzonder kan dat zijn!

Wil je nu al doneren klik dan op de draak!

De instelling die ongetwijfeld de meeste ervaring heeft met de restauratie van uitmonsteringen van de architecten Cuypers, is de SRAL, voluit bekend onder de naam van Stichting Restauratie Atelier Limburg. Dit instituut heeft een belangrijke rol gespeeld bij het terugbrengen van de kleuren van de architecten Cuypers in het Rijksmuseum. Adjunct-directeur René Hoppenbrouwers geeft 26 september – overmorgen – een lezing over de kleuren van Cuypers.

De entree van 5 euro komt ten goede aan de crowdfunding!

 

 
 
 
 
 
Dit bericht bekijken op Instagram
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Het blijft intrigeren, de polychromie van de architecten Cuypers. Ik schreef er in 1984 over naar aanleiding van de inmiddels grotendeels verdwenen uitmonstering van de Servaaskerk, in 1997 over de kleuren in de Teekenschool van Roermond, in 2007 in het kader van het grote onderzoek naar het @Cuypershuis (‘De muziek van het licht’), en in 2016 over de polychromie binnen en buiten van de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal Haarlem. Nog steeds is niet precies duidelijk uit hoe vader en zoon, Pierre en Joseph Cuypers hun uitmonsteringen ontwierpen. Met name de manier waarop ze hun kleurengamma’s samenstelden zonder dat die met elkaar vloekten, is een groot raadsel. O ja, ze gebruikten de kleurendriehoek, ze kenden de theorieën van Owen Jones en Viollet-le-Duc, en vrijwel zeker ook Goethe’s Farbenlehre en de theorieën van Chevreul, maar hoe dat toverstokje eruitzag … na deze lezing komt het antwoord vast weer een paar stappen dichterbij. Alvast een kijkje nemen in ‘De muziek van het licht’? Surf dan naar http://bit.ly/Cuypers4all. Om te doneren volg je deze link: bit.ly/2ZuRNeV-Cuypersplafond ___________________ #Cuypersplafond, Cuypershuis, @Cuypershuis

Een bericht gedeeld door Bernadette Hellenberg Hubar (@vanhellenberghubar2all) op

We hebben nog wat andere verhalen over het Cuypersplafond, zoals over de kleurtoepassing, de draken en de herontdekking van de schilderingen in 2007.

Hadden we al verteld over de draak waarop je kunt klikken om te doneren? 

Toe maar …

;-) B&M 

Klik op de draak om direct te doneren!
Klik op de draak voor de doneerpagina!


Et cetera

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2QZbSlU

← Naar de hoofdpagina van Cuypers assortiment

Piet Gerrits in Tilburg

Piet Gerrits Tilburg | Open Kerkendag Brabant 2017. Collage bvhh.nu 2017

Een van de gebouwen die open was tijdens de eerste Open Kerkendag Brabant op 26 november 2017 was de Gerardus Majella in Tilburg. Een apart ontwerp van Joseph Cuypers (waarschijnlijk in samenwerking met zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers), uitgemonsterd met schilderingen en mozaïeken van Piet Gerrits. Waarom die zo bijzonder zijn vertel ik hieronder in een stuk, ontleend aan mijn boek De genade van de steiger:

Uit paragraaf 5.8.3 | Gerardus Majellakerk in Tilburg

In 1922 raakte Piet Gerrits betrokken bij de uitmonstering van de Gerardus Majellakerk in Tilburg, waarover de architect, Joseph Cuypers, in een krantenartikel schreef:

  • ‘Zeer gelukkig is in dit verband te noemen de keuze van pastoor Verschure die den kunstenaar en oud-stadgenoot Piet Gerrits, der H. Landstichting de leiding aanbood voor de meubileering en versiering der kerk, nu of later te voltooien. Juist zijn buitengewone kennis der Byzantijnsche kunst — de bakermat onzer kerkelijke kunst— zijn fijn en veel omvattend talent, zijn karaktervolle doch eenvoudige echt christelijke stijl, zullen dit nieuwe Huis Gods maken tot een heerlijk en devoot huis des gebeds.’[253]

In 1933, enkele jaren na de Cenakelkerk, waren de schilderingen klaar (afb. 187a-c). Bij een vergelijking van de twee cycli in Tilburg met de decoraties van de Heilig Landstichting valt als eerste op dat het Beuroner getinte werk vooral in mozaïek is uitgevoerd, in het heilige der heilige van de kerk, terwijl de verhalende voorstellingen boven de arcade, in de lichtbeuk van het schip geschilderd zijn. Dat de taferelen in een krantenartikel worden aangeduid als fresco’s duidt eerder op ingesleten taalgebruik dan op een correcte aanduiding van de techniek. Mede gelet op de matte toon heeft Gerrits hier zeer waarschijnlijk keimverf gebruikt, waarmee hij in 1929, dus eveneens in die tijd, ervaring opdeed in de Gerardus Majellakerk in Den Haag, ontworpen door Jan Stuyt.[254] De recensent van de Nieuwe Tilburgsche Courant was erg onder de indruk van de ‘diepe kennis van het H. Land en het oude en Nieuwe Testament’ die Gerrits in zijn uitmonstering tentoonspreidde: ‘Het is een Evangelie van lijn en kleur, waarbij de aandachtige beschouwer ziet wat hij vroeger gelezen en gehoord heeft’.[255] En dat is precies wat het werk zo bijzonder maakt.

Geen kunstenaar heeft zo systematisch als Piet Gerrits de episodes en lessen in beeld gebracht van het openbare leven van Jezus, waarin deze zich strijdbaar opstelde tegenover het vastgeroeste joodse geloof van het oude verbond. Het belang van de parabels hierbij komt in de Tilburgse schilderingen prachtig tot uitdrukking. Met korte teksten in het Nederlands worden telkens kernzinnen uit de bijbelse verhalen aangehaald, waardoor de boodschap van Christus nog sterker wordt ingeprent. De voorstellingen zijn in een vlotte stijl geschilderd, waarbij achtergrond en kostumering volledig zijn afgestemd op wat Gerrits in het Heilige Land had bestudeerd. Leerlingen, tollenaars, deugdzame en berouwvolle vrouwen, schriftgeleerden en farizeeën, ze zijn allemaal weergegeven als bedoeïenen, terwijl door middel van architectuurdetails, interieuropnames, rotsformaties en planten een beeld van het Palestina van het begin van de jaartelling wordt opgeroepen. Hier is de historieschilder aan het woord die de toeschouwer van de bijbelse wijsheid wil overtuigen. Hoewel de recensent meent dat de kleurstelling met de bruine hoofdtoon is aangepast aan de architectuur, lijkt Gerrits met deze aardse tinten met name de associatie met het Heilige Land te versterken. De afstemming op de architectuur wordt vooral bereikt door de indeling van de taferelen: ze lijken als een doorlopende reeks naadloos in elkaar over te vloeien, maar houden ondertussen het ritme aan van de korbelen van de kapconstructie en de zwikken van de bogen. Vooral bij de laatste toont Gerrits een grote vaardigheid op het gebied van compositie: hij gebruikt ze als een verlaagd podium voor zijn scènes, die door hun aparte positionering – als driekwart ruitvormig inzetje – de blik vangen.

Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk, ontworpen door Joseph Cuypers, te Tilburg. Herkomst: RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Hier zien we Lazarus zitten tussen de honden; de beroofde en mishandelde Jood die door de meest verachtelijke van zijn geloofsgenoten, de barmhartige Samaritaan, wordt geholpen; de overspelige vrouw; het verdwaalde schaap en Maria Magdalena die de voeten van Christus wast. Voor wie gewend is aan de latere geïllustreerde kinderbijbels komt dit alles nauwelijks als revolutionair over, maar op dat moment was Gerrits de enige die op zo’n directe wijze het Nieuwe Testament voorspiegelde. Als een beeldband, een stripverhaal gelijk, kan het van de muren worden afgelezen, vooral ook vanwege de keuze voor Nederlandstalige teksten. Zelfs opgeknipt in afzonderlijke onderdelen zouden deze scènes al iconografisch een novum zijn, laat staan als doorlopende geschiedenis. Daarbij valt inhoudelijk vooral de nadruk op het menselijke karakter van dit deel van de bijbel, de kant van de eenvoud, de onvoorwaardelijke liefde en vergevingsgezindheid van Christus. Kortom, niet de straffende God waarmee de Una sancta* tijdens het interbellum het kerkvolk zo graag in het gareel hield. Voor Gerrits gold helemaal wat Van der Vliet zei: de kunstenaar moet zelf leraar zijn om de leer van Jezus te verspreiden. Met zijn laagdrempelige beeldverhalen gaf Gerrits haast een doorkijkje op wat na Vaticanum II in de kerkelijke kunst stond te gebeuren.

Het vreemde is dat het programma in de koorpartij, van de overwinnende kerk, dit idee eerder versterkt dan verzwakt: niet ondanks, maar juist dankzij de door Gerrits toegepaste Beuroner oplossingen – ‘Byzantijnsch’, zou Joseph Cuypers zeggen – lijkt hij hier vooruit te lopen op Vaticanum II (afb. 188). Op hiëratische wijze is Christus groter weergegeven dan de met hem rond de tafel zittende apostelen, terwijl Judas met zijn zak geld wegsluipt om zijn aandeel in de verlossing te bewerkstelligen. Net zoals Bach beeldde Gerrits de leerlingen ten teken van hun heiligheid vrijwel gewichtsloos, maar even kleurrijk als tweedimensionaal uit. Judas daarentegen is in wereldse dimensies neergezet met zwaar geplooide, in het aardse bruin getinte kleding. Ook hij weet dus gebruik te maken van de dichotomie die Riegl de kunstenaars had aangereikt.[256] Deze indruk wordt bevestigd door enkele kenmerken die tegelijkertijd tot de canon van Lenz kunnen worden herleid: zowel Jezus als zijn tafelgenoten zijn als non- individuele types weergegeven, zonder persoonlijke uitstraling. Op het tafelkleed na wordt iedere vorm van diepte vermeden. Wel is achter Christus’ rug als een monochroom ornament de vruchtbare druivenrank zichtbaar met elf weelderige trossen.[257] Als slotakkoord verschijnt, haast opgelost in etherische nuances, Maria als Moeder Gods. De manier waarop ze is gepositioneerd met haar mantel die uitwaaiert in een gelijkzijdige driehoek, verraadt de Beuroner getinte invloed van Toorop.

Wat iconografisch het meest frappeert, is de prominente verwijzing in woord en beeld naar de wijnstok uit het evangelie van Johannes die in het interbellum verder alleen bij Joep Nicolas in de Agneskerk te Amsterdam (1937) is te vinden (zie afb. 319). Sowieso is een laatste avondmaal op deze plaats niet standaard. Meestal komt dit onderwerp voor op de oostelijke transeptwanden of in de koortravee. Het enige andere bekende voorbeeld is het werk van Jan Dunselman in de kathedraal van Rotterdam. Vrijwel steeds wordt dan in de kalligrafie gerefereerd aan het hoogtepunt van de consecratie, zoals te zien viel bij het laatste avondmaal van Kees Dunselman in de Obrechtkerk. Piet Gerrits combineerde echter het moment van de instelling van de eucharistie met de metafoor van de wijnstok, waarmee nogmaals werd benadrukt hoe God en mens een symbiotische vereniging aangaan. Niet de geslachtofferde God, maar de liefdevolle God die het moment van de kruisdood haast voorbij kijkt, staat hier centraal. Vooral dit accent lijkt zijn licht vooruit te werpen. Men hoeft maar te denken aan het kerkelijk lied van de post-Vaticaan II dichter Huub Oosterhuis uit 1964:

  • ‘Ik ben de Wijnstok, Mijn Vader de Wijngaardenier
    Gij zijt de ranken, dus blijf in Mij, Ik blijf in u
    Dan vindt gij vruchten hier.’

Tegen de tijd dat dit lied in de kerken zou worden gezongen, werd ook op de muren een andere toon aangeslagen, zoals Kees Mandos in de Antoniuskerk in dezelfde stad laat zien (1958) (afb. 189). In een vertrouwde iconografie worden op tekenachtige wijze figuren gegroepeerd die alleen door het typologiseren van de koppen en de stilering nog iets van Beuron uitdragen. Voor het overige is er de adem van het expressionisme over heen gegaan, die opvallend genoeg het werk van Gerrits vrijwel geheel onberoerd heeft gelaten.

Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Kijk dan of je het boek tweedehands kunt kopen, want bij de Walburg Pers is het uitverkocht.

Het zou fijn zijn als je dit dit artikel wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop delen aan het einde van deze pagina (gebruik de hashtag #GvdSteiger).

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar De genade van de steiger!

Bronnen

Bovenstaand stuk is paragraaf 5.8.3 uit De genade van de steiger, pp. 241-244. In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels echter uitverkocht is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verwacht de monografie binnenkort on line toegankelijk te maken.

Toelichting op enkele namen en begrippen:

  • de Una sancta (de Ene heilige): dit begrip dat op de kerk slaat, heb ik De genade van de steiger geïntroduceerd als synoniem. Het is ontleend aan het credo of de geloofsbelijdenis en slaat op ‘de ene heilige katholieke en apostolische kerk’ (et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam)
  • Van der Vliet: (volgt)
  • Bach is niet de componist, maar de kerkschilder F.H. Bach, wiens werk in de vroegere Juvenaatskapel van Maastricht in De genade van de steiger behandeld wordt.
  • Riegls dichotomie: (volgt)

Noten:

  • [253]    KB krantenbank (tegenwoordige beter bekend als www.Delpher.nl), zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1922).
  • [254]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Gerarduskerk (Het Vaderland, 1929).
  • [256]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1933).
  • [257]    Zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.
  • [258]    Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 90.

Dit item is ook te vinden in de rubriek #Kerkverhalen van www.ifthenisnow.eu. Kijk ook eens op http://bit.ly/ITIN-Kerkverhalen.

De verkorte link van dit item is: http://bit.ly/2iQLE5t

Boek Annemiek Punt | Bestelinformatie

Boek Annemiek Punt — Het boek over de monumentale glaskunst van Annemiek Punt is uit en zo oogt het:

Wil je het bestellen, surf dan naar de webwinkel van Annemiek Punt. De introductieprijs is € 25,00 (dit wordt na 9 juli € 27,50).

Het boek over een van de weinige vrouwelijke glazeniers in Nederland is bedacht, ontwikkeld en samengesteld door kunsthistoricus Joost de Wal die tevens de beeld- en (eind)redactie gedaan heeft. Met studio frederik de wal die voor de vormgeving van de publicatie tekende, vormt hij het samenwerkingsverband Gebr. de Wal, dat als uitgever van dit boek optreedt.

Wat is het resultaat?
  • Joost de Wal heeft, behalve voor de productie, gezorgd voor de biografie, de oeuvrelijst en een boeiend verhaal, getiteld ‘Techniek en vernieuwing’. Boeiend, omdat het nog eens illustreert dat bij kunstenaars als Annemiek Punt het een niet los te zien is van het ander.
  • Godsdienstfilosoof Wessel Stoker duikt in het verleden en geeft een rijkgeschakeerd beeld van hoe in het oeuvre van Annemiek Punt bijbelse en spirituele thema’s samenkomen met hun aloude rituele zeggingskracht en symboliek. Zo maakt hij duidelijk dat een geseculariseerde wereld doorborduurt op de spirituele erfenis van het verleden.
  • Zelf benader ik het werk van Annemiek Punt vanuit de erfgoedsector. Ik heb een waardestelling geschreven die in principe ingezet zou kunnen worden mocht haar werk ooit bedreigd worden. Want dat is met de omloopsnelheid van gebouwen in onze tijd geen denkbeeldig probleem. Met name de duurzame rol van het expressionisme en de oerkracht van de mimesis komen naar voren, terwijl verder de voltooiende inbreng van de toeschouwer in kaart is gebracht.

Echt een boek om cadeau te geven!

B.
Annemiek Punt, Liefdeskapel Lonneker 1989. Herkomst AnnemiekPunt.nl


Titelbeschrijving

Wal, Joost de, Bernadette van Hellenberg Hubar, en Wessel Stoker. Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017. Utrecht: Gebr. de Wal, 2017.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2tcl7Gs

BewarenBewaren

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract schreef ik eind 2016 – samen met Marij Coenen als beeld- en tekstredacteur – naar aanleiding van mijn ervaringen met het project #KunstinBreda. Het ligt aan de basis van het doorkijkje op de naoorlogse monumentale kunst in de desbetreffende brochure van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed die begin 2019 uitkwam.1 

Charles Eyck, Het Fatimaraam (1957) in het Fatimahuis (voorheen Fatimakerk) van Pierre Weegels in Weert. Foto Marij Coenen 2016.

Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Het is inmiddels gemeengoed dat we midden in een hausse aan kerksluitingen zitten. En als het zover is, waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn de interieurstukken van de kerkgebouwen in Nederland geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij gaan besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Maar die verdwijnen vaak in de handen van opkopers, die hierover geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen. En zo verdwijnen scheepsladingen overzee, zoals ik in mijn artikel ‘De kerk als buit’ heb aangetoond.2 Het helpt niet om tegen te werpen dat er al veel is geïnventariseerd. Zeker, er is veel werk verricht door met name de opgeheven Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, beter bekend als SKKN, die in een zeer magere vorm is opgegaan in de afdeling Erfgoed in Kerken en Kloosters van het Catharijneconvent. Maar het schort aan waardestellingen en registratie van dit kunstbezit dat niet alleen uit roerende objecten bestaat, maar ook uit aard- en nagelvaste monumentale kunst, zoals glazen, altaren en schilderingen. Dat waarden stellen kan bovendien alleen adequaat gebeuren als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat, zeker wat betreft de twintigste-eeuwse kunst, in de praktijk een vrij grote kennisleemte die onder meer is ontstaan, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant garde.3 Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes.4 Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Zoals blijkt uit de recente vondst van een majeur werk van de laatste – het liturgisch centrum in de kerk van Prinsenbeek – zie je onder meer bij hen dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.5 Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, in 2019 gepromoveerd op het debat in de naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.6 Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.7 Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.

Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.8 Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.9 Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.10 De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.11 Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17).12 Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  1. Hubar, Bernadette van Hellenberg. Monumentale kerkelijke schilderkunst (1890-1980). Onder redactie van Marij Coenen en Bernice Crijns. Brochures Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Amersfoort: RCE, 2019. bit.ly/2TSEmyu-VanHH2Org.
  2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2g4EuZd. Deze mirror is samengesteld uit:
    1. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2f4Bvkq; en: 
    2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2dPFUas.
  3. Positieve uitzondering is onder meer Kuipéri, Judith. “Kerkelijke kunst”. Jan Dijker 1913-1993, 2013. http://bit.ly/2dewvZu. Voorts het hierna geciteerde werk van Jos Poels.
  4. Over het barokke expressionisme zie: Hubar, van Hellenberg, Bernadette, Angélique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013, pp. 379-385. Voorts Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Het expressionistische wegkruis van Leen Douwes in vakblad Vitruvius”. VanHellenbergHubar.org (blog), 20 december 2017. http://bit.ly/2B6AMYg-Vitruvius.
  5. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017. Dit project werd uitgevoerd in nauwe samenwerking met Marjanne Statema. Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Voor en na Vaticanum II in Prinsenbeek (1963)”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2016. http://bit.ly/2fVUrAz. De vondst staat op naam van Door Jelsma
  6. Dickhaut, Monique F.A. Arcadië voorbij: het Limburgse kunstdebat in de wederopbouwperiode (1945-1965). Nijmegen: Vantilt, 2019.
  7. Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  8. De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium? critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  9. Zie voor Leen Douwes noot 4. Voor Ydema zie Hubar, De genade van de steiger, pp. afb. 2, afb. 388, afb. 389, afb. 391, 13, 16-17, 21, 171, 381, 388, 456, 458-460, 463, 465.
  10. Beyst, Stefan. “‘Mimesis: herwaardering van een schijnbaar onbruikbaar geworden concept’.” D-sites. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dvXY6K.
  11. Zie de volgende bronnen:
    1. “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
    2. Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
    3. Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
    4. Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013. 
  12. “Surrealisme”. Het modernisme (blog), t.p.q. 2013. http://bit.ly/2jZx2Ue.
  13. Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.


Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961.13 Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Versies van dit artikel

  • De versie van dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: Vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016). Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas. Het is op 31 augustus 2019 bijgewerkt, onder meer naar aanleiding van de spectaculaire vondst van de kunstenaar van het monumentale liturgisch centrum van de kerk van Prinsenbeek, te weten Gerrit de Morée, door Door Jelsma.
  • Het item is in de oorspronkelijke vorm ook te vinden op het platform ifthenisnow.eu: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “#Kerkverhalen | Figuratief, decoratief of abstract?” if then is now, 2016-2017. http://bit.ly/2iA2yq2.
  • Tenslotte is het later enigszins aangepast analoog gepubliceerd als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 10 (2017): 10–15. http://bit.ly/2BI1Hgq-Vitruvius

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

Jos ten Horn in Tilburg

Aanleiding

In 2015 zijn de muurschilderingen van Jos ten Horn in de nieuwe apsis van de Goirkese kerk in Tilburg gerestaureerd door Leo Scholten. De kerk is 5 jaar gesloten geweest vanwege een ingrijpende restauratiecampagne en onlangs heropend. Dit werd gevierd met een monografie over de Goirkese kerk van collega Joost van Hest, waaronder ook aandacht is besteed aan het werk van deze kunstenaar. Ten Horn is een van de weinigen onder de monumentale schilders uit de expressionistische hoek met een groot oeuvre op het gebied van de muurschilderkunst en hij heeft veel waardering gekregen. Een van de belangrijkste vernieuwingen die in het interbellum zijn beslag kreeg, was de behandeling van de muur als een vel papier: hierbij werd de kleur van de pleister als achter- of ondergrond gebruikt en kwam er veel ‘wit’ in de voorstellingen voor. Ten Horn heeft de muur in de apsis gebruikt als een blad papier waarop hij ogenschijnlijk met houtskool werkte. Dit werk is enig in zijn soort en dat is een goede reden om een paragraaf uit mijn boek te delen.

De apsisschildering van Jos ten Horn in de Goirkese kerk, gerestaureerd doorLeo Scholten. Herkomst Joost van Hest 2015.
Jos ten Horn, De verering van het kruis en Maria door de bekeerde volkeren van de overzeese gebieden (ca. 1938), in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg. Waarschijnlijk is deze aparte voorstelling bedoeld als eerbetoon aan de Tilburgse missionaris Peerke Donders, die in de parochie van het Goirke zijn wortels had en gedurende het interbellum grote verering ondervond in deze plaats. Het werk is in 2015 gerestaureerd doorLeo Scholten. Herkomst Joost van Hest 2015. 

Uit paragraaf 7.7 | De muur als een blad papier: Jos ten Horn

Ontleend aan Bernadette van Hellenberg Hubar, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 431-435. De tekst is ietwat aangepast.*

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. De afbeeldingen in de Goirkese kerk zijn afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

Het experiment dat Van Rees in 1931 uitvoerde in de Pietàkapel van de Obrechtkerk, vond, voor zover dat te traceren viel, nauwelijks navolging. De eerste die erop voortborduurde, was de kerkschilder Jos ten Horn (1894-1956) in de nieuwe apsis van de Goirkese kerk te Tilburg, circa 1938 (afb. 370). Ten Horn, die opgeleid was aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid en zijn eerste schreden op het gebied van de muurschilderkunst zette als figurist in het atelier van de firma Cuypers & Co, was een van de ontdekkingen van Clemens Meuleman. De handelaar probeerde vanaf de late jaren twintig belangstelling bij de vakwereld voor Ten Horn te wekken, onder meer door Plasschaert uit te nodigen voor een toer door Twente om enkele kerken te bekijken.[1] De waardering die Ten Horn genoot, blijkt niet alleen uit de vele opdrachten – hij is een van de weinigen onder de expressionisten met een groot oeuvre – maar ook uit zijn deelname aan de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs met een beschilderde altaarretabel voor de Nederlandse kapel in het pauselijk paviljoen. Op zich is dit een bijzonder werk, omdat het aangeeft dat Ten Horn met Collette en Molkenboer tot de weinige stijlpluralisten behoorde die een specifieke interpretatie van de Byzantijnse kunst ontwikkelden. Ook in zijn muurschilderingen [434] zien we hoe de kunstenaar in een gevarieerd idioom werkte, met afwisselend Byzantijnse, romaanse, gotische en barokke vormen. Wat het barokke idioom betreft, zijn de koepelschilderingen die hij met Piet Coppens uitvoerde in de achttiende-eeuwse Luciakerk in Ravenstein ongetwijfeld een hoogtepunt.[2]

Jos ten Horn, De centrale groep die door Peerke Donders waren bekeerd, Goirkese kerk Tilburg.
Afb. 371 Jos ten Horn, De centrale groep van de inheemse Surinaamse bevolking waartussen de Tilburgse missionaris Peerke Donders werkzaam was als missionaris. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg. Herkomst Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2011.

Hoewel Engelman Ten Horn in 1934 opnam bij de kunstenaars die de nieuwe barok beoefenden, leerde hij hem pas na de oorlog kennen, als docent glas-in-lood aan de Jan van Eyckacademie te Maastricht. In het artikel dat Engelman bij gelegenheid van de zestigste verjaardag van de kunstenaar publiceerde, schreef hij dit toe aan Ten Horns bescheidenheid. Niettemin was de kunstenaar er blijkens de vakbladen toch verschillende keren in geslaagd om de aandacht te trekken.[3] In het overzicht van de werken die Engelman in zijn verhaal opvoerde, ontbreekt jammer genoeg een van de interessantste, de apsisschilderingen in de Goirkese kerk in Tilburg. Deze zijn alleen al zo bijzonder omdat de aardse zone is gewijd aan een paradijselijke plek in de tropen. Zeer waarschijnlijk is hiermee een eerbetoon bedoeld aan de Tilburgse missionaris Peerke Donders (1809-1887): niet alleen was deze in de Goirkese kerk gedoopt, maar ook had hij er zijn afscheidsmis gecelebreerd voordat hij naar Suriname vertrok. Daar was hij werkzaam in de binnenlanden, waar hij de indianen bekeerde en de leprozen verzorgde. In het interbellum kende Tilburg een ware verering voor Peerke Donders, die onder meer leidde tot de oprichting van een standbeeld in 1926. De herdenking van zijn vijftigste sterfdag van 1937 tot 1938 gaf aanleiding tot een openluchtspel en een toneelstuk over de ‘Apostel van Suriname’, waarin ‘Indianen’ en ‘Boschnegers’ een prominente rol vervulden. Bij de keuze voor het type personages blijkt Ten Horn hier met zijn werk op te hebben ingespeeld (afb. 371).[4]

Jos ten Horn, Uitsnede van bekeerde Surinaamse indianen en bosnegers, Goirkese kerk Tilburg.
Jos ten Horn, het centrale mensenpaar als de nieuwe Adam en Eva in het Surinaamse paradijs. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.Herkomst Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2011.

Op een dunne pleisterlaag waar de baksteen op verschillende plekken doorheen schemert, heeft Ten Horn de verschillende figuurgroepen op een barokke manier over het concave oppervlak verspreid. Vanuit een stevige voet die bestaat uit een trapeziumachtige opbouw in het centrum klimmen beneden links en rechts ‘Indianen’ en ‘Boschnegers’ naar boven tot ongeveer tweederde van de hoogte. Daar ontmoeten de bewoners van de aarde musicerende engelen, waarvan twee groepen naar het eigenlijke orkest in de kalot leiden: met instrumenten en wierookvaten wordt hulde gebracht aan Maria als apocalyptische vrouw en het kruis dat met enkele lijdenswerktuigen omhoog wordt gedragen door engelen. Ten Horn is vrij onorthodox te werk gegaan door geen van de hemelingen vleugels te geven, een iconografisch fenomeen dat volgens Timmers vroegchristelijk van oorsprong is.[5] Wat echter voor die tijd helemaal opmerkelijk is, is dat de engelen qua huidskleur en gelaatstrekken de tropische figuren weerspiegelen. Zelfs Maria en kind ogen bepaald niet westers.

De aardse zone is één grote hoorn des overvloeds met korven vol met de vruchten van het veld, de oogst van bomen en struiken en een net vol vissen. Dat de jacht geen plaats heeft gekregen in dit paradijs, is niet zonder reden. Ten Horn legde een speciale nadruk op Bijbelse producten als graan, appels, druiven en vissen. Dit roept onder meer associaties op met de wonderbare visvangst die Matthieu Wiegman in de Obrechtkerk weergaf. Tegelijkertijd wordt hiermee de eucharistische betekenis van brood en wijn en de vroegchristelijke symboliek van de vis als letterschrift van Christus benadrukt. Ook de activiteit van de visvangst zelf heeft een bijzondere lading: deze herinnert immers aan de opmerking van Christus dat hij van de vissers onder de apostelen vissers van mensen zou maken. Voor de apostel van Suriname zullen deze woorden een direct toepasselijke boodschap hebben gehad. De paradijselijke weelde wordt nog eens onderstreept door het mensenpaar aan de top van het trapezium, die als een nieuwe Adam en Eva de appels van het geloof mogen plukken. Om het geheel af te maken kunnen ook de vleugelloze engelen worden gepresenteerd als passende entourage voor een volk dat vergelijkenderwijs in de evangelische fase van het vroege christendom verkeerde, toen Peerke Donders hen bekeerde.

Jos ten Horn, Uitsnede van Maria en Kind, Goirkese kerk Tilburg.
Jos ten Horn, Detail met Maria met Kind en het kruis met de lijdenswerktuigen omringd door musicerende engelen. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg.Herkomst Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2011.

Technisch bezien lijkt wat Ten Horn deed sterk op de werkwijze van Van Rees in de Obrechtkerk. De muur is opgevat als een blad papier, waarbij het gebroken wit van de pleisterlaag niet alleen is gebruikt voor de achtergrond, maar ook voor de lichtpartijen van de donkere lichamen, de wolken en de verschillende [435] overige elementen, als kruis, muziekinstrumenten et cetera. De voorstelling is vrijwel monochroom in donkerbruine schakeringen uitgevoerd, waardoor het effect is ontstaan van een houtskooltekening in het groot. Met behulp van deze tekenachtige techniek heeft Ten Horn zijn figuren een sterk modelé meegegeven, waarvan het plastische effect goed past bij de barokke weelde. Door de vervuiling van de schildering is nog maar moeilijk te zien dat de kunstenaar de compositie op verschillende plekken, met name bij de aureolen en het fruit, heeft verlevendigd met fel gekleurde toetsen en partijen. Wat het af maakt, is de kleurschijn rond de omtrekken van de verschillende groepen die haast geaquarelleerd zijn: vrij fel direct langs de contour vloeien de tinten steeds verder uit totdat ze opgaan in de achtergrond. Zo heeft Ten Horn ook dun opgezette grijs en bruin vervloeiende lagen aangebracht, onder meer bij de subtiele nuances voor de huid en de wolken. Qua compositie schakelde hij via de contrapost de figuren aan elkaar, waardoor een levende, sterk barok aandoende interactie tussen de personages plaatsvindt die als één grote guirlande stijgen en weer afhangen. Jos ten Horn was een groot vakman.

Het werk in Tilburg is niet alleen voor Ten Horn, maar ook voor het gehele interbellum enig in zijn soort. Een tweede werk van de hand van deze kunstenaar in deze uitdrukkingswijze bestaat niet. Hoewel hij haast zeker bij Van Rees inspiratie heeft gevonden, is niet alleen de vorm bijzonder maar ook de iconografie. Het getuigt van moed dat de pastoor in dit concept is meegegaan, want rond 1938 kon men heel wat conservatievere manieren bedenken om Peerke Donders te eren. Ook Ten Horn kan worden gevoegd bij die kunstenaars die in staat waren eigen oplossingen te bedenken binnen de voorgeschreven liturgisch bepaalde beeldtraditie van de kerk.

Jos ten Horn, Detail van Adam en Eva, Goirkese kerk Tilburg.
Afb. 371 Jos ten Horn, Detail met Adam en Eva uit de de centrale groep van de Surinaamse indianen en bosnegers die door de Tilburgse missionaris Peerke Donders waren bekeerd. Schildering (ca. 1938) in de nieuwe apsis van Kees de Bever (1937-1938) in de Dionysiuskerk of Goirkese kerk te Tilburg. Herkomst Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2011.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Dan moet je het boek via de openbare bibliotheek bestellen, want het is uitverkocht!

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina en gebruik de hashtag #GvdSteiger
De verkorte link van dit item is: http://bit.ly/GvdS-Jos-ten-Horn-Tilburg

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels uitverkocht is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zal het binnenkort on line toegankelijk maken.

* De kleine aanpassingen betreffen twee punten: a) Abusievelijk heeft een van de redacteuren van het boek destijds de aanduiding ‘Indianen’ en ‘Boschnegers’ van aanhalingstekens ontdaan en in hedendaagse spelling omgezet. De herstelde benaming is ontleend aan een van de bronnen, vermeld in noot 4: wat toen werd betiteld als KB Krantenbank kennen we tegenwoordig als Delpher. In casu betreft het dit artikel in de Provinciale Noordbrabantsche en ‘s Hertogenbossche courant van 14-07-1937. Met dank aan Door Jelsma die me erop attendeerde dat de omschrijving ‘indianen en bosnegers’ vandaag de dag verkeerd begrepen kan worden. b) In noot 2 is bij het werk in Ravenstein het jaartal toegevoegd met de bron. 
[1]  KB krantenbank, zoektermen: Jos ten Horn schilder (Jan Engelman, De Tijd 11-06-1954). Van Dael e.a., Schoonheid in devotie, p. 41.
[2]  KB krantenbank, zoektermen: Jos ten Horn schilder (Jan Engelman, De Tijd 11-06-1954; Limburger Koerier 29-07-1937). Meuleman, Religieuse kunst, plaat 257; andere werken: platen 33-35. De kapel van gesticht Voorburg te Vught is in 1994 afgebroken. De huidige verblijfplaats van dit retabel is niet achterhaald. KB krantenbank, zoektermen: Engelman nieuwe barok (De Tijd 30-09-1936). RCE, Monumentenregister, nr. 32337. Zie voorts de beeldbank van de RCE, zoektermen: Ravenstein, Luciakerk, Jos ten Horn. Uit het spreadsheet van het onderzoek dat nog omgezet zou worden in een database, blijkt dat het werk in Ravenstein dateert uit 1936 (de datum is aangebracht naast het orgel).
[3]  W., Jozefkerk Zwolle (1933), p. 129. Van Rooijen, Kerkelijke traditie (1933), p. 11. Apelles, Van opdrachtgever tot kunstenaar (1932), p. 557. Verschuuren, ‘Aesthetische gedachten’ (1931), pp. 372-373.
[4]  KB krantenbank, zoektermen: Peerke Donders Apostel (1926, 1937, 1938). Voorts over Goirke en Peerke Donders www.parochiedebrontilburg.nl/cultureelerfgoed.htm.
[5]  Timmers, Symboliek en iconographie, p. 345, nr. 690.

Meer lezen?

Hest, Joost van. “O, prachtig huis!”: de Goirkese kerk in Tilburg: geschiedenis, gebouw en inventaris. Onder redactie van Ronald Peeters. Tilburg: Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed. Zie over dit boek verder het item op deze site: http://bit.ly/1NHYcEr

De verkorte link van het item op dit scherm is: http://bit.ly/GvdS-Jos-ten-Horn-Tilburg

← Terug naar De genade van de steiger!

Henri Jonas

Henri Jonas in de Koepelkerk tijdens de restauratie 2015. Foto Marij Coenen 2015.

De medewerkers van de SRAL – Stichting Restauratie-Atelier Maastricht – zijn druk bezig met de restauratie van de enige muurschildering uit het oeuvre van Henri Jonas die in het interbellum hoge ogen gooide in de kunstkritiek en tot de top van de barok georiënteerde expressionistische schilderkunst van die tijd gerekend kan worden. Foto Marij Coenen 2015.

Henri Jonas in de Koepelkerk te Maastricht

In de Koepelkerk te Maastricht is de restauratie van de bijzondere muurschilderingen van Henri Jonas in de Mariakapel voltooid: de enige die hij ooit heeft gemaakt. Om dit heuglijke feit te vieren vindt op 15 maart 2015 de feestelijke onthulling van dit werk plaats. Drs Angelique Friedrichs van de Stichting Restauratie-Atelier Maastricht (SRAL) zal dan een korte toelichting geven op de werkzaamheden. Alles bij elkaar een mooie aanleiding om de paragraaf over dit werk van Jonas uit het boek De genade van de steiger hieronder voor het voetlicht te plaatsen. Daarin staat een hoofdstuk van Angelique Friedrichs over de technieken en het materiaalgebruik in het interbellum dat haar tot de aangewezen specialist maakt om deze restauratie te begeleiden. Het was spannend genoeg, want niet alleen was de onderliggende pleisterlaag er slecht aan toe, maar ook bleken de figuren op verschillende plaatsen later bewerkt te zijn. Het geeft meer weer aan hoe terecht de aandacht was die Jonas’ leermeester, Antoon Derkinderen, aan de problematiek van goed pleisterwerk besteedde. Deugt de drager niet, dan redt de schildering het niet, om het maar eens kort samen te vatten.

Uit paragraaf 7.4 | Henri Jonas

Ontleend aan: Bernadette van Hellenberg Hubar, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger (Rijksdienst Cultureel Erfgoed | Walburg Pers 2013), pp. 408-415.

Nota bene — De tekst weerspiegelt de stand van zaken eind 2013. Op de foto hierboven van Marij Coenen na, zijn de afbeeldingen in de Koepelkerk afkomstig van de beeldbank van de RCE en gemaakt door Sjaan van der Jagt van Pixelpolder.

De Amsterdamse scene

Het was een spannend komen en gaan in Amsterdam tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, ook waar het de Limburgse kunstenaars betrof: Henri Jonas (1878-1944) en Charles Eyck zaten – met een jaar verschil – in de klas van Derkinderen aan de Rijksacademie. Buiten de opleiding had Jonas ontmoetingen met vrienden en collega-schilders uit het zuiden die in de hoofdstad verbleven, zoals Jan Grégoire die later nog een sleutelroman over hem zou schrijven.[1] Net na de oorlog zou Nicolas er zijn opwachting maken, aan wie we een levendige beschrijving van [p. 409] de artistieke sfeer in de hoofdstad danken. Dit was ook de tijd, schreef Engelman later, dat het machtige trio kubisme, futurisme en expressionisme Amsterdam overspoelde. De frisse golfslag waarmee dit gepaard ging, leidde in 1916 tot de oprichting van het kunstenaarscollectief Het Signaal door Piet van Wijngaerdt en Henri Le Fauconnier. Zowel voor Jonas als voor Wiegman zou de kennismaking met de Fransman een keerpunt in het artistieke denken betekenen.[2] Doordat Jonas vanaf de oprichting in 1925 in het netwerk van De Gemeenschap verkeerde en in 1927 via Wiegersma Permeke leerde kennen, raakte het expressionisme bij hem geïntensiveerd op een manier die hem zonder twijfel tot een van de belangrijkste exponenten van deze stroming in Nederland maakte.

In de periode dat Jonas aan de academie studeerde, was Wiegman al enige tijd gevestigd in Bergen, het dorp dat zijn naam zou verlenen aan de schilderskolonie die zich daar vanaf omstreeks 1910 ontwikkelde. Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, kan aan de hand van de dagbladpers een directe lijn worden getrokken tussen Het Signaal, de Bergense school en de Nederlandse assimilatie van het expressionisme. Deze felle wind woei niet alleen naar het zuiden via de Limburgse studenten in Amsterdam, maar ook dankzij twee oud-leerlingen van de Rijksacademie, de priester-schilder Jean Adams en Matthieu Wiegman. De laatste had vanaf eind jaren twintig een pied-à-terre in Limburg, waar hij onder meer bevriend raakte met Jonas. In 1929 organiseerde Adams een omvangrijke tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst op Rolduc, aan welk internaat hij in die tijd als tekenleraar verbonden was. Achteraf bezien was hij daarmee juist op tijd, want korte tijd later zou veel van het type werk dat daar werd getoond door Rome als ‘arte blasfema’ worden beschouwd. Blijkens de berichten in de pers lag het accent van de tentoonstelling op Matthieu Wiegman, die met veertig nieuwe werken kwam. Daarna volgden Jonas en Adams zelf, die voor de meesten een onbekende was. Verder waren de beeldhouwer Charles Vos en de architecten Jos. Wielders uit Sittard en Alphons Boosten uit Maastricht met werk vertegenwoordigd. De laatste kan als de man worden gezien die Jonas in de richting van de monumentale kunst voerde, waarna Meuleman het estafettestokje van hem zou overnemen.

Henri Jonas, Verloren zoon, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 346 Henri Jonas, Glasraam met De verloren zoon (1924) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). De vormgeving van dit glas roept herinneringen op aan het werk van zijn vriend Jan Grégoire en aan de monumentale stijl die de Rijksacademie propageerde. Met name de zoon doet sterk ‘R. Holstiaansch’ aan, om een begrip uit die tijd te extrapoleren.

De glazen van de Koepelkerk

Hoewel ruim twintig jaar ouder dan Nicolas, maakte Jonas net als zijn jongere vakbroeder met de eerste de beste keer dat hij zich op het monumentale terrein begaf al naam. Zijn debuut vond plaats in de Heilig Hartkerk in Maastricht van Alphons Boosten, beter bekend als de Koepelkerk. Hoe omstreden het ontwerp zelf ook was – of de architectuur wel voldeed aan het decorum van de katholieke eredienst was ook hier onderwerp van debat – de ramen van Jonas werden direct in Opgang door Pieter van der Meer de Walcheren positief beoordeeld.[3] Aan de hand van deze opdracht valt de explosieve ontwikkeling te volgen die de kunstenaar van 1923 tot 1930 doormaakte.[4] In zijn vroegste glazen, met name in het raam met De verloren zoon, valt direct een stilering op die te herleiden valt tot de Rijksacademie. Deze vormgeving toont bovendien hoe sterk de invloed van zijn vriend Jan Grégoire op dat moment nog was (afb. 346). Alleen in de weergave van de lichtval bespeuren we iets van de stijlindicator van Thorn Prikker – de uitwaaierende stralen in ‘blokjes’ glas-in-lood – die in het vorige hoofdstuk uitvoerig is behandeld.[5] Na dit aarzelende begin pakte Jonas diens idioom op om ermee te experimenteren in het Mariaraam (1925), om vervolgens in het Davidraam (1927) alle registers open te trekken (afb. 347a-c).

Henri Jonas, Davidraam, Koepelkerk Maastricht.Davidraam

Het rijk gecomponeerde Davidraam werd in de tijd zelf al als een variatie in de stijl van Thorn Prikker opgevat.[6] Wat betreft diens idioom vallen enerzijds de rondingen van de ledematen onder de gewaden en (eigentijdse) kleren op, en anderzijds de rijke decoratie die de stof in patronen lijkt op te lossen. Daarnaast is het typische gefragmenteerde blokjesmozaïek gebruikt voor de hemelse lichtstralen en het perspectief van vloeren en muren. Deze laatste twee stijlindicatoren zijn we in wisselende combinaties tegengekomen bij Anton Molkenboer, Lou Asperslagh en Toon Ninaber van Eyben. Jonas is echter de enige die van Thorn Prikker de anatomische gelaagdheid overnam, die in de toenmalige vakliteratuur vooral bekend werd dankzij de Michael in de cyclus van de Driekoningenkerk te Neuss (1911-1912). Een prachtig detail zijn de vlezige handen, die eerder bij de analyse van het werk van Hermans in dit boek als erfdeel van Thorn Prikker zijn besproken.[7] Juist dat vlezige was in de Roomse Haagse School onder invloed van Beuron in hoge mate weggestileerd. Waar koning David de gesublimeerde [p. 411] trekken uit de historieschilderkunst toont, zijn de hoofden van het Heilige Gezin min of meer romaans opgevat, vergelijkbaar met de Catharina van Nicolas in Asselt (zie afb. 337). Met de aardse groep daaronder keerde Jonas terug naar het nu, hetgeen met name door het historisch presens manifest is. Op de fantasievolle manier die we langzamerhand van het interbellum kennen, vlocht Jonas verschillende thema’s door elkaar: dat van David als de oudtestamentische voorafbeelding van Christus, van David als voorvader van Jozef en Maria en dus Jezus, en van Jozef als patroon van de werklieden.

Bovenaan staat de koning afgebeeld met de harp als attribuut: dat de snaren dezelfde hoek aanhouden als de bezielende lichtstralen doet denken aan het kosmisch symbolisme waarvan het oeuvre van Toorop en Lebeau uit de jaren twintig is doordesemd. Direct daaronder staat het Heilige Gezin onder de schutse van een engel en ten slotte zien we in de zone van de strijdende kerk het leven van alledag (zie afb. 347). In dit laatste tafereel slaagde Jonas erin verschillende motieven door elkaar te laten lopen, niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel door de ‘nieuwe ruimtelijke logica’, zoals Engelman het zou noemen, te volgen in de scènes en verdwijnpunten. Primair wordt een eenvoudige allegorie op de Arbeid weergegeven, waarvoor Toorop met het tableau Heden in de Beurs het prototype schiep. Jonas nam eveneens rokende schoorstenen op en plaatste naast de arbeider – de mijnwerker met zijn zwarte gezicht – de fabrieksdirecteur. Op de achtergrond is die andere prominente vorm van arbeid, de landbouw, weergegeven. Tegelijkertijd herinnert de mijnwerker aan de dood: niet alleen knielt hij, maar door het ver naar achteren gestrekte gezicht en de gevouwen handen lijkt hij tevens de geest te geven. De houding van de directeur met eerbiedig geloken ogen en de vrouw met het kind daaronder bevestigen deze betekenislaag, die bij uitstek past in de symboliek van Jozef als patroon van de stervenden. Een detail dat weer een volgende duiding onthult, is het object in de hand van de directeur: een plaquette of boek met een duidelijk expressionistisch-kubistische voorstelling van Maria met kind. Iconografisch gezien zou deze manager een samensmelting kunnen zijn van David als patroon van de muziek (en dus de kunst) met Jozef als beschermer van de werklieden. Jonas verleende hier een actuele boodschap aan doordat de fabrieksdirecteur tot de klasse behoorde die voldoende gevormd was om kunst te kunnen waarderen én voldoende bemiddeld was om zich kunst te kunnen veroorloven. Anders dan bij Toorop en Lebeau krijgt men bij dit type niet het gevoel dat er enige maatschappijkritiek aan ten grondslag ligt.[8] Eerder lijkt het een kleine hommage aan het type mecenaat waarvan Jonas het als kunstenaar moest hebben.

De Madonna en Jonas als pictor doctus

Zelfportret in de aanbidding van Maria

In de jaren hierna liet Jonas de invloed van Thorn Prikker achter zich, maar de romaans-middeleeuwse zweem liet hij juist op een dominantere manier toe, zoals te zien is in De aanbidding van Maria uit 1929 (afb. 348). In het centrale raam is de iconografie van de Hemelkoningin doorgedetailleerd met het gebaar van de open handen van de Onbevlekte Ontvangenis en de lelie van de Annunciatie. De omlijstende engelen doen middeleeuws aan, waarbij het gelaat van Maria neigt naar dezelfde amandelvorm die Nicolas ontleende aan het type dat bekend is van de Noodkist van Sint Servaas. De verticale volgorde die Jonas in het Davidraam aanhield, heeft hij hier horizontaal gekanteld: in het linkerglas zijn de oudtestamentische prefiguraties weergegeven, Judith, Esther en Ruth. In het midden zetelt de vervulling in de vorm van Maria die als Moeder van God voorwaardenscheppend was voor de heilsgeschiedenis. Rechts is de wereld van vandaag voorgesteld, die zich in Maastricht afspeelt. We komen hier de stapeling van scènes tegen die we eerder bij Nicolas (en Toorop) hebben gesignaleerd. Zelf staat de kunstenaar hier tussen een moeder met kind boven hem en – mogelijk – een jager onder hem. Volledig gericht op Maria, vormen zij wellicht variaties op de archetypische dualiteit tussen microkosmos en macrokosmos: tussen de beschermde ambiance binnenshuis en het bestaan in de wereld daarbuiten, het vrouwelijke en het mannelijke van Lenz (de kunstenaar was niet zomaar een leerling van Derkinderen). Tussen die twee personificaties beeldde Jonas zichzelf af als in gedachten verzonken.

Maritaineske pictor doctus

Van het zelfportret is een eerdere versie in houtskool bekend (afb. 349a). Engelman schreef hierover:

‘Er is van Jonas een recent zelfportret in houtskool, dat treffend is als zielsbekentenis en als materie. Het gezicht heeft een ingekeerdheid, een mijmerende uitdrukking die misschien eerst op stroefheid lijkt, maar een diepe, innige eenvoud blijkt te zijn. De gestalte is in groote, [p. 412] met waarachtige kracht uitgevoerde contouren en schaduwen aangeduid en de handen, als stukken halfverteerden mergelsteen, liggen in een zielvolle schamelheid en simpelheid bijeen. Zoo is hij, een man die zich moeilijk en langzaam uitdrukt, maar soms dingen loslaat van een bekoorlijke wijsgeerigheid en vol van de rust waarover wij spraken. Hij heeft geen pose en geen onwaarachtigheid, waar hij de techniek vermeestert schrijft hij een rijp en gedragen innerlijk uit’.[9]

Dat dit zelfportret Jonas bleef bezighouden blijkt wel uit het het feit dat hij het later verwerkte in Het gezin (afb. 349b). Dit werk kreeg een recensie in De Tijd van Herluf van Merlet:

‘Wij herinneren ons een schilderij van Henri Jonas, waarin deze Katholieke Limburgsche schilder een schoone en klare, diep en zuiver doorvoelde expressieve synthese gaf van “Het Gezin”. De arbeider en zijn kind zien met wachtend geduld toe, hoe de van zorg verwelkte moeder het dagelijksch brood snijdt. Er was in dit werk een innerlijke gelatenheid, een stilte vol leven, een ontroerende gedachte. Bovendien was dit doek in geen enkel opzicht litterair, maar enkel schilderlijk’.[10]

Zo wordt Jonas in de kunstkritiek aan de ene kant getypeerd als een weerbarstige denker, aan de andere kant volledig in ambachtelijke, Maritaineske termen neergezet. Het illustreert de dualiteit tussen hoofd en hand, wijsgeer en arbeider, die Jonas hier in één beeld verenigde. In overeenstemming met de opvattingen van Maritain, Engelman en Van Merlet profileerde hij zich met dit zelfbeeld bij uitstek als de artiest die zijn eigen taal (symboliek) ontwerpt: als een peinzende man die doende is de indrukken van de wereld te verwerken om vervolgens door middel daarvan op synthe(tis)tische wijze kunst te creëren. Jonas gaf zo bij uitstek de intuïtieve kracht van de kunstenaar, die naar binnen kijkt (letterlijk intuere) om het schone concept te vatten waarmee kunst kan worden gemaakt. Het doet denken aan de pictor doctus (de geleerde schilder) uit de academische traditie die als de klassieke beeldhouwer Phidias vanuit het denkbeeld in zijn geest werkt. Maar ook Maritain is niet ver weg:

‘De H. Thomas[van Aquino], die even eenvoudig van stijl als wijs was, bepaalde het schoone als dat wat geschouwd zijnde behaagt, id quod visum placet. Deze vier woorden zeggen alles wat noodig is: ’n visie [visum], dat wil zeggen een intuïtieve kennis en ’n vreugde. […] Wanneer een ding de ziel verheft en blij maakt juist daardoor, dat het intuïtief verkregen en bezeten wordt, dan is dat ding goed om aldus in bezit genomen te worden, het is Schoon’.[11]

Elementair is dat het schone ons verstand ‘door de zinnen en hun intuïtie’ komt verblijden. Zo geeft de kunst ons ‘den smaak van ’t aardsche paradijs, omdat zij voor een oogenblik den vrede en het gelijktijdig genot van verstand en zinnen opnieuw teweegbrengt’. De toeschouwer kan deze intuïtie voeden door zich te verdiepen in de wetenswaardigheden van de kunst.[12] Terwijl aan de rol van intuïtie bij het waarnemen veel passages worden gewijd, geldt dat voor het proces van het scheppen van schoonheid in de vorm van kunst veel minder. Maritain zoekt daarvoor zijn toevlucht bij een begrip dat er dicht tegenaan zit, namelijk ‘zicht’: de conceptie vindt plaats in termen van een ‘zicht’ op het werk dat gemaakt moet worden en dat de kunstenaar weet te vatten ‘in zijn persoonlijke ziel’. Dit zicht hangt zonder meer af van de intuïtie, maar ook van ‘de verbeelding en de gevoeligheid’. Het beantwoordt ‘aan een onbepaalden indruk van ontroering en van medevoelen’ die de schilder communiceert via zijn werk. Oftewel door middel van de stemmingsdragers van Brandt, zoals Jonas prachtig in Het gezin heeft verbeeld. Daarom kan dit zicht ‘niet in begrippen’ worden weergegeven, hoewel kunstcritici als Van Merlet en Engelman dat nu net per definitie wel doen. In hun bewoordingen sluiten zij zich aan bij hun mentor, waar deze stelt: ‘Wat de schilders hun “visie” der dingen noemen speelt daarin een wezenlijke rol’.[13] En die visie omvat bij Jonas vele facetten: het ambachtelijke en het denkbeeld, het verhevene en het nederige, de zinnen en het verstand, en vooral niet te vergeten de ontroering (het movere): met elkaar vloeien deze over in een ‘gelijktijdig genot’. Met één oog dicht en één slechts deels geopend laat Jonas dit alles door zijn gedachten gaan, opdat intuïtie, zicht en ontroering convergeren in kunst.

Nog éénmaal heeft Jonas zichzelf op verwante wijze uitgebeeld, in het dubbelportret met zijn vrouw Eugénie Servais (ca. 1938-1939): terwijl zij haar handen gevouwen houdt, heeft hij zijn armen om haar heengeslagen en houden zijn handen palet en penselen vast. Programmatischer kan het haast niet. Of hij nu aanwezig is als secondant bij Maria als schoonheidsideaal – ‘tota pulchra et perfecta’ (door en door mooi en volmaakt) –, bij de moeder van het gezin als synthetistische weerklank van de Moeder van God, of in omstrengeling met zijn aardse Maria en [p. 413] muze, de trekken van het zelfportret illustreren hoe Jonas de wereld vanuit zijn inzichten bekeek en verwerkte. Voor iemand die bij tijden geveld werd door zware depressies, moet de vredige ‘smaak van ’t aardsche paradijs’ die de kunst bood, wel het hoogst denkbare doel hebben geleken.[14]

 

De Mariacyclus in de Koepelkerk ‘al fresco’ in keimverf

De enige muurschilderingen in het oeuvre van Jonas bevinden zich in de Mariakapel van de Koepelkerk, direct aan de noordzijde van het priesterkoor (afb. 350). Vergeleken met de glazen is de compositie tamelijk eenduidig van opzet, doordat de kunstenaar heeft afgezien van de gecompliceerde stapeling van figuren, decor en enscenering. Alles is op een veel bescheidener plan uitgevoerd. De precieze datering van dit werk is niet bekend, maar uit krantenartikelen viel te achterhalen dat enkele onderdelen, waarschijnlijk proefstukken ervan, in 1926 op de Maastrichtse tentoonstelling van ‘bouwkunst, sierkunst en plastiek’ te zien waren:

‘Van een tweetal detail-schetsen voor muurschildering is de eene gezet in de zgn. keimsch-verf, waarmee “al fresco” geschilderd wordt. Ook hier toont Jonas zijn forsche opvatting en breede behandeling’.[15]

De beschrijving roept de vraag op of Jonas, vergelijkbaar met Grégoire en Wiegman, werkte met proefstukken op mortel die in een lijst werden gevat. Opvallend is verder het begrip al fresco, dat we met een zekere regelmaat in combinatie met het gebruik van keimverf tegenkomen en dat hier vooral lijkt te slaan op de analoge manier van toepassing. Van huis uit vakschilder, moet Jonas heel goed hebben geweten wat het vergde om een muur duurzaam met verflagen af te werken. Het wekt dan ook verwondering dat de schilderingen zich in een zeer slechte staat bevinden, niet vanwege het verval van de keimverf, maar doordat de pleisterlaag van de muur komt. Op dit punt mag beslist de noodklok worden geluid.

Wie de Verheerlijking van Maria vergelijkt met het werk van Jonas uit dezelfde jaren, waarin met name het vrouwelijk naakt centraal staat, kan niet anders dan verrast zijn. Qua stijl lijkt deze uitmonstering in helemaal niets op wat hij tot dusver had gedaan. Verreweg de meeste kunstenaars zochten voor hun monumentale schilderwerk aansluiting bij hun glazen, zoals Molkenboer met zijn oeuvre in de kerk van O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag. Niet echter Jonas, die een heel andere richting koos dan een vertaalslag van het idioom van Thorn Prikker. Hij lijkt zich met de Mariakapel doelbewust te hebben gezet aan de ontwikkeling van een aparte stijl voor kerkelijke schilderingen met een bescheiden barok contrapost. Wat dit helemaal bijzonder maakt, is dat hij daarbij kennelijk aansluiting zocht met ideeën die onder Duitse kunstkenners leefden. Zoals hierboven al bleek, is heel weinig bekend van Jonas’ intellectuele bagage. Dit heeft ongetwijfeld ook te maken met het door Engelman geschapen beeld ‘van den simpelen huisschilder’. Maar uit de toelichting bij de zelfportretten blijkt Engelman zeker niet blind te zijn geweest voor de ‘wijsgeerigheid’ van Jonas. Engelman en Van Merlet stonden voor het probleem kost wat kost te voorkomen dat er ook maar een zweem van het literaire aan de schilder zou kleven. Dit gold niet alleen voor Jonas, maar ook voor Cantré, Wiegersma en andere schilders uit de waaier van Meuleman. Vandaar de nadruk op de ambachtelijkheid en de eenvoud, die gelijkgesteld werden met authenticiteit.[16] Daarmee is wel het kind met het badwater weggegooid. Zo werd namelijk opnieuw het misverstand gevoed dat iemand die meer op beelden dan op woorden is gericht – een beelddenker dus – niet intellectueel zou zijn.[17] Dit vormt een sterke nawee van de opkomst van het concept van de pictor doctus in de renaissance, hoewel juist Jonas zich door middel van het beeld als zodanig neerzette. Een van de weinigen die zich op dit punt werkelijk wist te profileren, was Nicolas, die het geluk had dat hij in woord én beeld over een vaardige hand beschikte. In wat mindere mate gold dat ook voor Adams, zoals later in dit hoofdstuk zal blijken. Nicolas is overigens de enige kunstenaar die zich rond 1926 met de verwerking van de barokke contrapost in zijn figuren aan een soortgelijk experiment waagde als Jonas. Deed Nicolas dat echter in de profane ambiance van het raadhuis van Breda, waar de klassiek aandoende sfeer van de burgerlijke deugden volledig in het decor past van de modern-classicistische uitbreiding van Hanrath, Jonas zette deze stap in de Koepelkerk. Dat wil wel wat zeggen, want zoals al is opgemerkt zou Nicolas het barokke idioom aanvankelijk alleen in niet-religieuze gebouwen toepassen.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, middenstuk muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 350 Henri Jonas, De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Muurschildering in keimverf.

Het ‘middenluik’

Bij de schilderingen van Jonas gaat het om een betrekkelijk eenvoudig programma, waarin enkele verrassende elementen niet [p. 414] ontbreken. Centraal staat het beeld van Maria met kind, waarvan het originele exemplaar uit het interbellum heeft moeten wijken voor een veel lagere, middeleeuwse Sedes sapientiae (Zetel der wijsheid).[18] Het beeld is ingekapseld in een scène waarin de boom van goed en kwaad, de slang en Eva als voorafbeelding figureren. Terwijl de slang zich afwendt van Maria, buigt Eva zich naar haar toe om vergeving te vragen. Daarboven zijn rond de Moeder van God musicerende engelen opgesteld, waarin nog de Beuroner thematiek doorklinkt. Op een aparte manier heeft Jonas de Madonna en haar hemelse orkest met de flankerende figuren verbonden door middel van instrumenten en een liedboek. Vandaar dat we links opnieuw David met de harp tegenkomen met Isaias of Jesaja achter hem die een bazuin vasthoudt. Dankzij de kalligrafie van enkele bijbelteksten die Jonas heeft verwerkt – te vinden op de plaquette bij de entree naar de sacristie – beschikken we over de sleutel tot het programma. Zo weten we dat David in de schildering een van de psalmen ten gehore brengt en Isaias de tekst uitspreekt: Ecce virgo concipiet et pariet filium et vocabitis nomen eius Emmanuël (Zie, de vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en u zult hem de naam Emmanuël geven). Aan de andere zijde bevinden zich twee figuren, van wie Jonas de naam niet aan de zoom van de schildering heeft geplaatst. De tegenhanger van David kan echter worden geïdentificeerd als Salomo vanwege de tekst op het manuscript dat hij vasthoudt: canticorum. Dit slaat op de Canticum canticorum Salomonis, oftewel het lied der liederen van Davids zoon en opvolger Salomon, beter bekend als het Hooglied. Hoewel juist het Hooglied een belangrijke bron van mariale metaforen is, kwamen we deze oudtestamentische persoonlijkheid eerder in de uitmonsteringen niet tegen. De man achter hem vervult, gelet op zijn houding en gewaad, dezelfde rol als Isaias. Ook voor zijn naam biedt de geschilderde plaquette uitkomst, want de enige andere profeet die vermeld staat is Ezechiël. Van hem komt de beeldspraak van Maria als gesloten poort, omdat geen levende man mag binnentreden waar God is binnengaan.[19] De over elkaar geschoven zon en maan, waar de ster van Bethlehem langs schiet, grijpen terug op het vers uit het Hooglied dat ook op de muur staat: pulchra ut luna electa ut sol terribilis ut castrorum acies ordinata (mooi als de maan, stralend als de zon, ontzagwekkend als een leger in slagorde). Het gaat hier om zinnebeeldige prefiguraties die terug te vinden zijn in de Litanie van Loreto en die voor een deel overgenomen zijn in de tekst van het dogma De immaculata conceptione. In relatie tot de eerdere omschrijving van Maria als ‘tota pulchra et perfecta’ geven deze typeringen een goed beeld van het aura van schoonheid waarmee Maria in de dagelijkse devotie werd omgeven.[20]

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, linkervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.

Henri Jonas, Verheerlijking van Maria, rechtervleugel muurschildering, Koepelkerk Maastricht.
Afb. 351a-b Henri Jonas, a. Bovenaan het linker ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: de jezuïetenheilige Johannes Berchmans, Bernardus van Clairvaux en de evangelist Johannes. b. Onderaan het rechter ‘luik’ van De verheerlijking van Maria (1926) in de Koepelkerk te Maastricht van Alphons Boosten (1920). Van links naar rechts: Dominicus, Theresia van Lisieux en Agnes.

De ‘zijpanelen’

Het mariale programma wordt voortgezet op de zijmuren, die door Jonas zijn opgevat als de opengeslagen luiken van een triptiek en de penanten waarop de aartsengelen Gabriël en Michael staan (zie afb. 210a). Op de ‘muurluiken’ zijn onder meer heiligen weergegeven die een nauwe band hebben met Maria (afb. 351a-b). Aan de ene kant is dat haast vanzelfsprekend Bernardus van Clairvaux, die vergezeld wordt door Johannes met de Apocalyps in zijn hand: hierin staat de prachtige beschrijving van Maria als de vrouw bekleed met de zon en de maan aan haar voeten.[21] Dat ook de jezuïetenheilige Johannes Berchmans hier staat afgebeeld, heeft te maken met de persoonlijke devotie van Leo Dehon, de oprichter van de paters van het Heilig Hart van Jezus, die de Koepelkerk onder hun hoede hadden.[22]

Op het andere luik treffen we uiteraard Dominicus aan, die de rozenkrans invoerde, en voorts Agnes en Theresia. Uit de letters a j.i. (Teresiae ab Jesu Infante) kan worden afgeleid dat het hier om de kleine Theresia van Lisieux gaat, die dankzij Maria van een zwaar ziekbed genas. Omdat Agnes op dezelfde positie staat als Johannes Berchmans, is ook haar aanwezigheid mogelijk te verklaren uit meer persoonlijke motieven. Door het kettinkje in haar hand roept ze associaties op met de heidense priesteres van Joep Nicolas. Hier hangt echter geen toverkristal aan, maar een ring die duidt op haar huwelijk met de hemelse bruidengom. In het spoor van de Apocalyps is deze als lam verbeeld. Het dier in haar arm (agnus in het Latijn) slaat dus zowel hierop als op de naam van Agnes.[23] Bij dit luik heeft Jonas overigens moeten woekeren met de ruimte, doordat hier de doorgang naar de sacristie zit. Daardoor heeft hij hier vrij weinig met de enscenering kunnen doen. Daarentegen was er aan de andere kant alle ruimte om een volledig landschap in kaart te brengen met als synthetistische kwinkslag het Limburgse dorpje met de karakteristieke witte hoeves geheel links. Op de achtergrond [p. 415] is onder de regenboog – het teken van het verbond tussen God en de mensheid – de ark van Noach geschilderd: als schip en toevluchtsoord van getrouwen verwijst dit naar de kerk, zoals in hoofdstuk 5 bij Jan en Kees Dunselman is toegelicht. Daarbij vormt de ark een van de klassieke mariale metaforen. De duif met het takje in zijn bek lijkt hier niet alleen te wijzen op het einde van de zondvloed, maar tevens te zijn ingezet als symbool van Pinksteren.[24] Dit past bij de driehoek rond Johannes, wiens visioen op hemelse openbaring berust en daarmee de vervulling vormt van de voorafbeelding in de scène rechtsboven, waar Mozes de stenen tafelen van Jahweh ontvangt. Men kan zich afvragen hoe Jonas aan deze laatste invulling komt, want ze berust niet op een van de traditionele concordanties tussen het Oude en het Nieuwe Testament.[25] Zo blijkt hij zich opnieuw te ontpoppen als een kunstenaar wiens concepties als beelddenker van veel meer ‘gehersend overleg’ getuigen dan Engelman lief was.

Vormgeving en factuur

In de vormgeving heeft Jonas haast geaquarelleerd met de keimverf. De factuur onthult een onvoorstelbaar gemak waarmee hij grote kleurpartijen neerzette en voorzag van schaduwen en ophoogsels. Vloeiende lijnen geven de gewaden meer diepte, waarbij de bollingen de positie van knieën en schouders aangeven. Die lijnvoering keert terug in het beekje en de smalle boomstammen. Een bijzonder detail vormt het blauwe gebladerte, dat we inmiddels als een expressionistische stijlindicator herkennen dankzij het werk van Nicolas in Asselt. Jonas heeft de koppen, met name die van de heiligen in het linkerluik en Salomon in het centrale luik, voorzien van wat fellere gelaatstrekken, waardoor hij het door Lenz voorgeschreven puur typologische voorbijgaat. Dit illustreert heel mooi welke veranderingen zich voltrekken zodra de rol van het beeld als stemmingsdrager op de voorgrond mag treden. Het is duidelijk dat Jonas hier persoonlijkheden met een sterke overtuiging heeft willen neerzetten; mannen die staan voor het geloof en getekend zijn met de vlam van de openbaring. Wel is het de vraag waarom hij dat bij de een wel en bij de ander niet deed, en vooral, waarom de vrouwen zo non-descript ogen. Lenz triumphans, zou je bijna zeggen. Niet geheel onvoorspelbaar hield Jonas zich ook bij de engelen aan gedepersonaliseerde koppen.

Jonas toont hier zijn vakmanschap in de weergave van vleugels die door hun transparantie verfijnd ogen. Het is jammer dat het oorspronkelijke devotiebeeld is verdwenen, want de architectuurelementen die het op het platte vlak van de muur omlijsten en bekronen, verwijzen niet alleen naar de O.L. Vrouwekerk van Maastricht, maar refereren bovendien aan architectonische metaforen: hiervan is de turris Davidicae (de toren van David) tussen de hoogst geplaatste engelen wel de meest toepasselijke. Juist in dit centrale luik valt op hoe Jonas met de gotisch-barok-expressionistische drieslag van Brandt en Worringer is omgegaan: hij lijkt te hebben gehandeld conform de ingeprente associatie dat de engelen op hun gotische voorbeelden horen te lijken, terwijl de heiligen door aard en aantal sterk contrareformatorisch aandoen. Lang voordat de barok een alibi werd in de liturgische stijlslag, maakte Jonas hem tot onderdeel van zijn kerkelijke muurschilderstijl, die helaas na deze ene uitvoering al tot stilstand kwam. Ook op dat punt dringt zich een vergelijking met Nicolas op, die na Asselt evenmin nog veel schilderingen maakte. Het verschil is wel dat Nicolas met zijn jeugdwerk ruimschoots de publiciteit haalde. Algemeen had Jonas daar overigens ook niet over te klagen, zeker niet toen Van der Meer en Engelman hem eenmaal hadden ontdekt. Maar als men ziet hoeveel er geschreven is over de glazen van de Koepelkerk, blijft het verbazen dat zijn schildering niet meer aandacht heeft getrokken. Net als zijn ramen laat dit werk zien wat voor een zeldzaam begenadigd kunstenaar Jonas was. Het heeft dan ook iets tragisch dat dit oeuvre pas effect sorteerde toen Matthieu Wiegman en Charles Eyck Jonas’ indrukwekkende voorzet overnamen voor de uitvoerig bejubelde muurschilderingen in de Amsterdamse Obrechtkerk (1927) en in Rumpen (1929).

Henri Jonas, zelfportret in houtskool.  Henri Jonas, Het gezin, met zelfportret van de kunstenaar.
Afb. 349a-b Henri Jonas, Zelfportret in variaties, onder meer verwerkt in de glazen met De aanbidding van Maria (1929) in de Koepelkerk te Maastricht. a. Houtskoolschets (ca. 1927); b. Het gezin (ca. 1931).154 Fotografie: Paul Mellaart, Maastricht. Met dank aan Museum aan het Vrijthof.

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Dan zul je het boek uit een bibliotheek moeten halen, of ergens anders zien te bemachtigen, want bij de Walburg Pers is het uitverkocht! Voor een auteur is dat heel plezierig nieuws. De RCE is van plan om het boek on line te plaats op dbnl.org. Dat is geweldig, want veel onderzoek wordt tegenwoordig immers via de digitale snelweg gedaan. En het zou nog mooier zijn, als er dan middelen zouden zijn om het boek te actualiseren. Er is onvoorstelbaar veel nieuwe informatie tevoorschijn gekomen, zoals je kunt zien bij de aanvullingen, errata en feed back.

Wil je dit artikel delen of mailen, ga dan naar het einde van deze pagina.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar Joep Nicolas of De genade van de steiger | Door naar Jos ten Horn

Bronnen

Nota bene — In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat rechtstreeks besteld kan worden bij de Walburg Pers.

[1]    Zie de lemmata over Henri Jonas en Jan Grégoire in P.J.H. Ubachs en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005.

[2]    Dickhaut, Jonas, pp. 26-29, 39, 161-163. Claire Nicolas-White, Joep Nicolas, pp. 21-22. Engelman, Jonas (1936), p. 201

[3]    Van der Meer, Kunst in het Zuiden (1924), p. 849. Over het debat rond de architectuur van de Heilig Hartkerk in Maastricht – beter bekend als de Koepelkerk – zie Pouls, Ware schoonheid, pp. 135-139.

[4]    Zie hierover uitgebreid Dickhaut, Jonas, pp. 212-222; de dateringen zijn aan deze studie ontleend.

[5]    Zie paragraaf 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh; 6.3.3 Een breed register aan stijlen: Toon Ninaber van Eyben, en 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen.

[6]    Deze invloed werd in de eigen tijd al gesignaleerd: KB krantenbank, zoektermen: Jonas Henri Thorn Prikker (Veritas 30-04-1938).

[7]    Zie paragraaf 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen

[8]    Voor Toorop zie paragraaf 6.2.5 De pelgrim (1921). Voor Lebeau 6.5.1 Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[9]    Engelman, Jonas (1927), p. 198.

[10]   KB krantenbank, zoektermen: Henri Jonas gezin (H.V.M. [=Herluf van Merlet] De Tijd 15-12-1931).

[11]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 35. Over de pictor doctus en Phidias zie Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. xxx-xxx.

[12]   Maritain, Kunst en scholastiek, pp. 38, 144-145

[13]   Maritain, Kunst en scholastiek, p. 157 (cursief door de auteur).

[14]   Dickhaut, Jonas, p. 91. De omschrijving ‘tota pulchra et perfecta’ komt uit het dogma De immaculata conceptione. Geciteerd naar Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 289. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[15]   KB krantenbank, zoektermen: Jonas, Boosten, muurschildering (Limburger Koerier 28-09-1926).

[16]   Engelman, Jonas (1927), p. 198. Timmer, Kunstkritiek Engelman, pp. 97-109.

[17]   Voor het begrip beelddenken zie het betreffende lemma op Wikipedia met de betreffende literatuurverwijzingen. Met dank aan Mieke Siemons van Knockart: http://knockarttrainingen.blogspot.nl/2010/04/beelddenken-en-begripsdenken.html.

[18]   Op een historische ansichtkaart uit de collectie van Wil Lem te Maastricht is het oorspronkelijke beeld te zien.

[19]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 422.

[20]   Hooglied 6-10 (ten onrechte staat op de plaquette Cant. VI-9). Zie voor de Litanie van Loreto paragraaf 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie. Voor Maria als schoonheidsideaal: Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 126-132.

[21]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 96.

[22]   Driedonkx, H. Hartklooster Asten, p. 19.

[23]   Timmers, Symboliek en iconographie, p. 851. De afkorting a j.i. voor Theresia van Lisieux kon herleid worden dankzij een inscriptie op de toren uit 1926 van de kathedraal van Reggio Calabria (Zuid-Italië).*

[24]   Nieuwbarn, Kerkgebouw, pp. 34-35, 102. Timmers, Symboliek en iconographie, p. 313.

[25]   Noch gevonden in Nieuwbarn, Kerkgebouw, noch in Timmers, Symboliek en iconographie.


Herziening
  • Helaas is de webpagina die me hiernaar verwees verdwenen en jammer genoeg niet beschikbaar met de Way Back Machine van archive.org. Het betreft deze URL: www.catedralescatolicas.com/?p=3394&cpage=1 (16 mei 2018).

Nota bene — De verkorte link van dit item is http://bit.ly/VHH-Jonas1.

Inkijkexemplaar van ‘Verhalen op de muur’

Clemenskerk inkijkexemplaar Verhalen op de muur

Op 22 november 2014 werd de digitale publicatie Verhalen op de muur als uitdraai gepresenteerd tijdens de opening van de Clemenskerk te Merkelbeek. Dit rijksmonument was vanaf 2013 in restauratie, waarbij niet alleen de constructie onder handen is genomen, maar ook de schilderingen die in 1901 zijn aangebracht. Dankzij de expertise en het vakmanschap van de Stichting Restauratieatelier Limburg (SRAL) zijn ze na ruim één eeuw weer in volle glorie te bewonderen.

Welke verhalen vertellen die schilderingen nu precies? Daar kun je je een idee van vormen via dit het inkijkscherm hieronder of via http://bit.ly/Clemenskerk-inkijkbestand.

Bestellen

Je kunt dit boek niet downloaden, maar wel een uitdraai bestellen bij de vrijwilligersorganisatie clemensdomein.nl die de kerk en het bezoekerscentrum beheren.
Stuur daarvoor een mail naar info@clemensdomein.nl met je bestelling en adresgegevens.

Op de site www.clemensdomein.nl staat informatie over de openingstijden en andere bezienswaardigheden rond de Clemenskerk.

Wie overigens de publicatie vanwege een visuele handicap of studiedoeleinden in PDF zou willen hebben, kan dat laten weten via bernadette@vanhellenberghubar.org.

Als auteur ben ik altijd blij met feed back, dus mocht je nog iets tegenkomen dat informatief is, geef het me door. Ik verwerk het dan bij de eerstvolgende editie.

B.*

Clemenskerk inkijkexemplaar
De Clemenskerk te Merkelbeek herbergt intrigerende verhalen op de muur. Foto Leo Reijnen (oktober 2014).

* Post scriptum
  • Toelichting bij de collage: linksboven, Dom Romanus Jacobs als jonge monnik in de benedictijner abdij van Merkelbeek. Linksonder, het monstertje op de stoel van koning David is mogelijk Titynillus. Er gaat een rijke symboliek achter dit wezen schuil. Midden: de omslag van het boek ‘Verhalen op de muur’ met de medaillons met de heiligen Gregorius, Scholastica en Benedictus (boven) en Placidus, Clemens en Bernardus (onder); daaronder bevindt zich koning David. Rechtsboven: de gerestaureerde bloemenbies in de apsis. Rechtsonder: de restauratie van de schilderingen in de apsis.
  • Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH2Inkijk-Clemenskerk.

Terug naar de hoofdpagina!

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewarenBewarenBewaren

Een jeugdwerk van Joep Nicolas

Jeugdwerk van Joep Nicolas in Asselt, noorderportaal.
Vue op het noorderportaal van de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt (Foto: RCE-Pixelpolder).

Joep Nicolas in Asselt

Het is wat paradoxaal om de aandacht te vragen voor een kunstwerk dat je nauwelijks iemand kunt laten zien. Want de bijzondere cyclus over de mens en de dood en het hiernamaals in de crypte van de Dionysiuskerk te Asselt verdraagt maar mondjesmaat bezoek. Met name de gangetjes die de twee portalen met de centrale ruimte verbinden zijn zo nauw dat de verf alleen al te lijden heeft van onze jassen die er langs schuren als we er door heen gaan. Enkele dagen geleden gaf ik er op verzoek van Galerie Mariska Dirkx uit Roermond uitleg voor het Prins Bernhard Cultuurfonds van Limburg. Het gezelschap was diep onder de indruk van dit jeugdwerk van Joep Nicolas in Asselt en vond het toch wel jammer dat zo’n bijzonder oeuvre zo onbekend was. Dat vormde voor mij het sein om het betreffende stuk uit De genade van de steiger op deze site voor het voetlicht te plaatsen.

Afgelopen jaar deed zich een zeldzame gelegenheid voor om nader kennis te maken met Joep Nicolas dankzij de tentoonstelling die tot 22 februari 2015 liep in museum Cuypershuis te Roermond. Daar was ook Morte fortior te zien, het jeugdwerk waarmee Nicolas de Vigeliusprijs won en dat hierna besproken wordt. Alleen al qua legendevorming vertegenwoordigt deze opmaat tot de cyclus van Asselt een boeiend stukje geschiedenis.

Lees hier verder →

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!