Termen en begrippen | Genade van de steiger (2013)

Termen en begrippen — Bij het boek De genade van de steiger zijn verschillende termen en begrippen gebruikt, waarvan een groot deel nieuw is, doordat ze ontleend zijn aan de contemporaine kunstkritiek. Gebruik de zoektoets om ze snel te vinden of doorloop de lijsten op alfabetische volgorde!

Genade van de steiger | Afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0209 detail (2012).

Opmaat | A.J. Derkinderen

Het lijkt niet erg spannend, zo’n overzicht van termen en begrippen. Maar als je er doorheen scrolt, dan krijg je wel in kort bestek een indruk waar De genade van de steiger over gaat. Ongetwijfeld zitten er kwaliteiten en kwalificaties in die je nog niet kent. Dat heeft te maken met de rol die aan de contemporaine kunstkritiek is toegekend. Er was zo weinig bekend over de monumentale kunst uit het interbellum dat voor de waardering onder meer gekeken is naar hoe men die kunst destijds apprecieerde, in welke woorden men de op- en aanmerkingen in recensies omschreef en welke idealen en visies daaraan ten grondslag lagen. 

Ga eens kijken bij factuur of makelij, klassiek/klassiek-barok-modern, decorum, gestileerd, haptische modus versus optische modus en zo verder.

In het boek is deze bijlage niet geïllustreerd. Hier hebben we ervoor gekozen om dat wel te doen vanwege de afwisseling en om in de lange rol naar beneden oriëntatiepunten te creëren. Uit de serie foto’s die in het kader van dit project zijn gemaakt – en die de RCE helaas nog steeds niet allemaal on line heeft gezet – hebben we het glasraam van A.J. Derkinderen gekozen in het universiteitsgebouw van Utrecht. Sjaan van der Jagt heeft dat in in 2012 in zijn totaliteit en in verschillende onderdelen gefotografeerd die een treffend beeld geven van het verfijnde ontwerp van een van de oudste monumentale glazen van deze kunstenaar. Door de later spelende conflicten rond de ramen voor de Beurs van Berlage is dit glas in de vergetelheid geraakt. De termen en begrippen die hierop van toepassing zijn, zijn met name: ambachtelijkheid, Beuroner stijl, combinerende verbeelding, decoratief (in de zin van monumentaal), gemeenschapskunst, iconografie, stijlindicator (de gestileerde ‘boom’ links en rechts van de personificaties is typisch Beuroner stijl) en symboliek. Voor wie tijd heeft een aardige oefening om na te gaan welke begrippen en kwalificaties waarbij horen.

Waardenstellende termen en begrippen

Uitgangspunten*

In dit overzicht zijn termen en begrippen opgenomen die enerzijds een verklarende woordenlijst vormen en anderzijds bruikbaar zijn voor het stellen van waarden. In het laatste geval wordt uitgegaan van de drie hoofdcriteria van de Monumentenwet: schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde. Aan het slot van ieder hoofdstuk van de canon is globaal aangegeven waar de toets van deze criteria toe leidt bij de drie hoofdstromingen. In een groot aantal gevallen zijn ze bovendien tussentijds per kunstenaar of groep geverifieerd. Hierdoor is een kapstok voorhanden om waardenstellingen op een meer gedetailleerd niveau uit te werken.

Bij een waardenstelling is het goed om enkele vuistregels aan te houden:

  • De vragen die primair moeten worden beantwoord, zijn: waar getuigt een bepaald kunstwerk of fenomeen van, waar is het de uitdrukking van, aan welke regels van de kunst voldoet het?
  • De drie hoofdcriteria kunnen worden gedifferentieerd naar gelang het type opdracht. Daarbij staan subcriteria ter beschikking zoals onder meer geformuleerd in de Handleiding selectie en registratie jongere stedebouw en bouwkunst (1850-1940) van de RCE (toen nog RdMz) uit 1991. Weliswaar zijn deze specifiek voor het gebouwde erfgoed ontwikkeld, maar verschillende ervan zijn ook bruikbaar voor de monumentale schilderkunst. Een voorbeeld is: de plaats van een werk in het oeuvre van de kunstenaar.[1]
  • Een aanvullende differentiatie kan plaatsvinden met behulp van onderstaande termen en begrippen, die enerzijds als subcriteria (ambachtelijkheid) en anderzijds als sleutelwoorden kunnen worden ingezet (Beuroner school).
  • In principe kan de onderzoeker zelf bepalen hoe de subcriteria zouden moeten worden verdeeld over de hoofdcriteria, zolang het maar eenduidig gebeurt. De esthetische, zintuiglijke waarden horen zonder meer onder schoonheid, maar bij betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarden is de grens moeilijker te bepalen. Meer cognitieve zaken als stijlaanduidingen, technieken, iconografie en typologie zouden kunnen worden gerangschikt onder wetenschap, terwijl die aspecten die een werk in een breder verband relateren aan een specifieke denkwereld of mentaliteit eerder een cultuurhistorisch cachet dragen. In dit laatste verband kan worden gedacht aan de rol van de kerk bij de acceptatie of veroordeling van een kunstsoort of de invloed van een groep als De Violier of De Gemeenschap. Overlappingen zijn daarbij onvermijdelijk.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen verklarende en verwijzende termen en begrippen. Bij het verklarende segment is met name gebruik gemaakt van de relevante paragrafen in dit boek, die vermeld worden in de bijbehorende noot, en voorts van de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.[2] De verwijzende categorie betreft de meer toegankelijke begrippen, voor de uitleg waarvan direct wordt verwezen naar de paragrafen, waarin ze aan de orde komen. Daarnaast is een aantal woorden in de uitleg aangeduid met een*: deze worden nader toegelicht in een afzonderlijk lemma en/of kunnen bij de waardenstelling worden ingezet als te beoordelen kwalificatie.

Genade van de steiger | A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie tussen attributen, emblemen en wapens. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie tussen attributen, emblemen en wapens. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort /Interbellum_0209 (2012).

Verklarende termen en begrippen

Ambachtelijkheid[1]

In het kader van de esthetica van Jacques Maritain – Art et scholastique (1920); Kunst en scholastiek (1924) – krijgt de ambachtelijkheid in de zin van technisch kunnen en meesterschap een zwaar accent, omdat alleen zo de Goddelijke schoonheid in een kunstwerk zou kunnen worden geïncarneerd. Dit speelt met name in de kunstkritiek van Pieter van der Meer de Walcheren en Jan Engelman.

Barok[2] (zie ook: nieuwe barok)

Verwijst naar een stijl en periode in de architectuur, beeldende kunst, muziek en literatuur in West-Europa en Amerika van circa 1590 (volgens de vooroorlogse literatuur vanaf 1520) tot 1750. De stijl kenmerkt zich door grote dynamische effecten door het gebruik van krachtige diagonalen, curven, getordeerde bewegingen, concaven en convexen en sterke contrasten tussen licht en donker, en massa en leegte met spectaculaire ruimte-effecten. Emoties als grootsheid en pathos werden doelbewust ingecalculeerd.

Beuroner school[3]

De Beuroner school dankt haar naam aan de benedictijner abdij van Beuron in Sigmaringen (Baden-Württemberg, Duitsland), waar de beeldhouwer Peter Lenz als pater Desiderius Lenz een nieuwe leer voor kerkelijke kunst ontwikkelde en uitdroeg. Op zoek naar de eeuwige wetten van de kunst kwam hij terecht bij de Egyptische en de Griekse cultuur. Hier meende hij een verhoudingensysteem te hebben (her)ontdekt dat gebaseerd zou zijn op de universele wetten van de geometrie. De overtuiging dat ideale verhoudingen leiden tot perfecte schoonheid, bracht Lenz ertoe om zijn ontwerpen te maken op (de onder)grond van een patroon dat met passer en liniaal was geconstrueerd. De uitgangspunten die Lenz in het verlengde hiervan hanteerde, doen behoorlijk ‘klassiek’ aan: aspecten als rust, evenwicht, sterke contourenlijnen, een eenvoudige plooival van de gewaden en vlakke, lege achtergronden werden gecombineerd met hiëratische composities, statische figuren en onpersoonlijke gelaatsuitdrukkingen. Lenz adviseerde kunstenaars om een beperkt aantal typen koppen te ontwikkelen. Thematisch valt een terugkeer op naar de voorbeelden van het vroege Christendom uit onder meer Ravenna en Rome. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat dit idioom in Nederland vooral werd gereserveerd voor het domein van de overwinnende kerk* in de apsis, het priesterkoor en eventueel een deel van het transept met de vieringskoepel. In de strijdende kerk* van het schip waren meer epische voorstellingen toegestaan uit de sfeer van de historieschilderkunst. Lenz zette daarvoor zelf de toon met zijn kruisweg in de Mariakerk van Stuttgart, waarvan hij de dramatiek zou kunnen hebben gelegitimeerd aan de hand van het meer dynamische segment van de Griekse vaasschilderkunst. De egale achtergronden zonder landschappen of architectuurverwijzingen en de smalle podia zijn daar zeker aan ontleend.

De invloed van de Beuroner school was heel groot, onder meer dankzij pater Willibrord – Jan – Verkade die als klasgenoot van Toorop, Derkinderen en Roland Holst, en als voormalige Nabis de relatie met de eigentijdse kunstenaars bestendigde. Verkade richtte ook de zaal in van de Beuroner school tijdens de Wiener Sezession van 1906. In Nederland worden zowel de kerkelijke kunstenaars als de symbolisten sterk door Beuron beïnvloed. Een belangrijke rol daarbij vervulde de katholieke kunstkring De Violier, waarin de jonge generatie kunstenaars en intellectuelen zich kort na 1900 verenigde. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat de schilders wel de principes van de Beuroner school aanvaardden, maar met behoud van hun eigen stijl. Hierdoor is in Nederland een grote diversiteit ontstaan in de door Beuron beïnvloede werken.

Biblia pauperum / biblium pauperum[4]

De biblia pauperum gaat als begrip terug op de middeleeuwse armenbijbels. Hoewel er in Nederland al langer belangstelling voor bestond, publiceerde Alberdingk Thijm in 1866 als eerste in Nederland een transcriptie van een dergelijke armenbijbel. Men meende dat deze boeken gemaakt waren voor de eenvoudige man die aan de rijke illustraties zijn bijbelkennis ontleende. Metaforisch gezien vormde de kerk met zijn uitmonstering van beelden, schilderingen en glazen eveneens een armenbijbel. In die zin is het begrip nauw verwant met dat van het ‘boek der leken’ (Gregorius van Tours, zesde eeuw), dat Alberdingk Thijm in De Heilige Linie herintroduceerde ter aanduiding van het kerkgebouw. Tijdens het interbellum komt de term biblium (enkelvoud) of biblia pauperum vaak voor, zowel in vakbladen als de dagbladpers, en wordt hij zowel gebruikt door critici als kunstenaars.

Bidimensionaal[5]

Sarcastisch bedoelde term van Joep Nicolas, met name gericht tegen Roland Holst, waarmee hij zich afzette tegen het principe dat de tweedimensionaliteit van de muur bij wandschilderingen en glas-in-lood leidend diende te zijn voor ontwerp en uitvoering.

Combinerende verbeelding[6]

In het interbellum speelde zowel de verbeelding in de zin van puur originele vondsten een rol als de verbeelding die tot een nieuwe combinatie van op zich bekende elementen leidt. Binnen de context van de geijkte christelijke iconografie was weinig speelruimte voor de introductie van volledig nieuwe beelden. Wel had de kerkelijke kunstenaar de mogelijkheid om verrassende combinaties te bedenken. De classicistische herkomst van dit concept is onder meer herkenbaar in de opvatting van Poussin dat de originaliteit in de schilderkunst in beginsel niet wordt bepaald door een nieuw onderwerp, maar door een ongekende dispositie en expressie, waardoor het onderwerp van gewoon en oud transformeert in bijzonder en nieuw. Hoe sterk dit in het interbellum leefde, blijkt uit de variant die Engelman hanteerde. Met name de kruiswegen, die aan zéér strenge regels waren gebonden, illustreren dit principe bij uitstek.

Contrapost[7]

Bij deze stijlfiguur gaat het, aldus de AAT, om de ‘evenwichtige doch asymmetrische positie van het afgebeelde menselijk lichaam, waarin het draaien of het buigen van de verticale as van het lichaam een verandering van de richting van heupen, schouders en hoofd tot gevolg heeft’. De contrapost is een stijlindicator om het barokke element op te sporen dat verwijst naar – de wisselwerking tussen – de trits gotisch-barok-expressionisme* en klassiek-barok-modern*.

Decoratief, decoratie[8]

Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw tot ver in de twintigste eeuw was het woord decoratief (werk) synoniem met monumentaal (werk) in de zin van muur- en gewelfschildering. Op deze manier werd het gebruikt door De Stuers, Joseph Cuypers, Aurier, Plasschaert en Toorop: de nadruk lag op de verheven strekking van de figuratieve voorstellingen (historieschilderkunst*) en een zo tweedimensionaal (bidimensionaal) mogelijk karakter om de ruimtewerking van de architectuur niet te verstoren. Net zoals voorheen in de geschilderde polychromie van Viollet-le-Duc en Cuypers senior gebeurde, hadden de omlijstende siermotieven een abstracte, vaak geometrische opzet, ook daar waar ze ingezet werden ter benadrukking van de constructie (kolommen, gewelfribben) of van de architectonische opbouw (de neggen van ramen, boogvelden). In het laatste geval vond – in het voetspoor van Cuypers senior – afstemming plaats op de materiaalpolychromie, zoals te zien is in het werk van de gebroeders Dunselman in Lisse. Op de kalligrafie na zal zowel het aantal als de uitwerking van de siermotieven lopende het interbellum steeds sterker afnemen. Tegenwoordig wordt onder decoratie nauwelijks nog het figuratieve, maar vrijwel uitsluitend het sierende deel van een uitmonstering begrepen.

Decorum[9]

Decorum is een begrip uit de klassieke retorica dat tijdens de renaissance in – de theorie van – de beeldende kunsten (met name de historieschilderkunst) werd overgenomen: het staat voor het principe dat bij een bepaald onderwerp ook een bepaalde stijl hoort en dat met name verheven thema’s op een waardige manier dienen te worden uitgedrukt. In de loop van de achttiende eeuw wordt dit principe overgebracht op de architectuur: dan gaat het om het type gebouw dat de stijl bepaalt. Het stijlpluralisme in zowel de architectuur als in de schilderkunst is dan ook in sterke mate door het decorum bepaald. Doordat de monumentale schilderkunst sterk schatplichtig was aan de historieschilderkunst en zich bij voorkeur richtte op verheven taferelen, speelde het decorum in dit genre een grote rol. Dat gold al helemaal voor kerkelijke kunst, die immers moest passen bij de waardigheid van de liturgie* die in de kerk werd gevierd. Het katholieke decorum werd daarom niet alleen gerelateerd aan de (beheersing van) gevoelsuitdrukking, maar ook aan de correcte vorm. De discussie daarover leidde tot de veroordeling van de kruisweg van Albert Servaes, de veroordeling van het expressionisme voor de kerkelijke kunst en uiteindelijk na de oorlog nog tot de verwijdering van de kruisweg van Aad de Haas uit de kerk van Wahlwiller op last van Rome.

Expressionisme[10]

Het expressionisme (van Latijn: expressio, uitdrukking) is een stroming in de Europese kunst en de literatuur, die zich manifesteerde vanaf circa 1910 tot 1940. In tegenstelling tot het impressionisme waarbij de weergave van de indruk van de werkelijkheid op de schilder centraal staat, gaat het bij het expressionisme om de uitdrukking van wat de kunstenaar voelt bij diens ervaring van de werkelijkheid. In principe wordt daarbij voortgeborduurd op het symbolisme, omdat opnieuw het innerlijke, het on(der)bewuste en het intuïtieve van de kunstenaar een dominante rol spelen. Anders dan bij het symbolisme zoekt deze echter niet meer naar een corresponderend teken, maar wordt de weergave zelf het teken waarin hij zijn – vaak met emoties beladen – visie neerzet. Het persoonlijke handschrift dat tijdens het symbolisme al aan betekenis had gewonnen, en de factuur* of makelij worden dan ook steeds belangrijker. Tegelijkertijd gaan de kleurtransposities, die met name te herleiden zijn tot Gauguin en Van Gogh, als uitdrukkingsmiddel een toonaangevende rol spelen. Deze ontwikkelingen zijn weer nauw verbonden met een van de aspecten die uiteindelijk als hét kenmerk van het expressionisme geldt: de vervorming van de werkelijkheid, in het interbellum vaak aangeduid met het adjectief gedefigureerd of gedenatureerd.

Vanuit de R.K. Kerk is het expressionisme tot tweemaal toe sterk veroordeeld: de eerste keer in het kielzog van de veroordeling van de kruisweg van Albert Servaes in 1921, de tweede keer als reactie op de tentoonstelling Religiöse Kunst der Gegenwart in het Folkwang-Museum, Essen 1932. Juist het misvormen van de werkelijkheid was, zoals Maritain in 1925 in De Gemeenschap uitlegde, volgens de Una sancta* een zonde tegen de katholieke leer en in strijd met de soevereine waardigheid van Christus. In zijn Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924) – had Maritain dit harde standpunt gepareerd: wilde de kunstenaar de Geest Gods in zijn werk laten ademen, dan ‘móét hij de stoffelijke uiterlijkheden der natuur eenigermate vervormen, herbouwen en van gedaante veranderen’. Aan het religieuze expressionisme heeft Maritain een invloedrijke esthetisch-filosofische legitimatie verschaft, die de R.K. Kerk echter niet heeft bereikt. Het afwijzende standpunt van Rome tegenover het expressionisme leidde uiteindelijk in Nederland tot een hoge vlucht van de nieuwe barok*.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0210 (2012).

Factuur of makelij[11]

Hiermee wordt zowel het schildermateriaal (de verf) aangeduid als de wijze waarop het te beschilderen oppervlak (het doek, de muur et cetera) wordt bedekt: al dan niet met dikke borstelstreken, bewerkt met een plamuurmes, of juist heel vlak en glad. In die zin raakt de factuur ook de textuur van een werk, terwijl de term daarnaast wordt gebruikt als synoniem van het persoonlijke handschrift van de kunstenaar. Onder invloed van het expressionisme werd dit een steeds belangrijker artistiek medium. Met textuur wordt overigens niet de tactiele weergave van stoffen door de schilder bedoeld, maar de tastbare structuur van de oppervlakte door verf en drager. In de kunstkritiek lijkt de term factuur vooral te slaan op de creatieve meerwaarde van de behandeling (waaronder het handschrift) van de stoffelijke componenten in een kunstwerk.

Gemeenschapskunst[12]

De term gemeenschapskunst werd in 1892 door Jan Veth geïntroduceerd ter omschrijving van het ideaal dat aan de basis lag van het werk van zijn studiegenoot en vriend A.J. Derkinderen. De grondslag hiervan vormde het ideologische beeld van een harmonische maatschappij, waarin men gezamenlijk, als gemeenschap, tot grote prestaties zou komen. Zowel katholieken als socialisten zagen dit belichaamd in de middeleeuwse kathedraal. In deze visie hoorde kunst een dienende functie te hebben voor de gemeenschap en dus een boodschap uit te dragen die de beschaving ten goede kwam. Dit model werd enerzijds gevolgd in het Rijksmuseum van Cuypers (het ideaal bestond lang voordat de term gemeenschapskunst werd geïntroduceerd) en anderzijds in de Beurs van Berlage. Beide projecten vormen tevens een indrukwekkend voorbeeld van een gesamtkunstwerk*.

Geometrische module; ‘aesthetische geometrie’; ‘bezielde geometrie’[13]

Het idee van de voorman van de Beuroner* school, Desiderius Lenz, om kunst te ontwerpen op basis van een geometrisch systeem, als universele matrix van de schoonheid, is niet nieuw. In de middeleeuwen al ontwierp men op basis van de gelijkzijdige driehoek, de Egyptische driehoek (stelling van Pythagoras) en de gulden snede. Tijdens de renaissance hielden verschillende kunstenaars zich bezig met de ideale maatverhoudingen (Da Vinci, Alberti en Dürer om er enkelen te noemen). In Nederland was het Cuypers die als een van de eersten zijn gebouwen (weer) op systeem ontwierp. In de traditie van het vitruvianisme, waarmee Cuypers aan de Academie van Antwerpen was opgeleid, stond het vertrouwen in de mathematische en proportionele beginselen van de bouwkunst centraal. Dit geloof kon in christelijke zin worden gelegitimeerd op grond van de spreuk uit het boek Wijsheid, dat God het al met maat en getal en gewicht geschapen heeft. Ook Lenz beriep zich hierop in zijn schoonheidsleer. Volgens Thijm was het universum op het goddelijke plan van een eeuwige orde en onverstoorbare harmonie en maat ingericht, waarvan geometrische figuren als cirkel, vierkant en driehoek de meest zuivere aardse benadering vormden. Afgaande op wat men destijds zelf beweerde, zou dit gedachtegoed niet door Thijm of Cuypers, maar vooral via Lenz worden overgedragen op de jonge generatie symbolisten en synthetisten van de Rijksacademie: Derkinderen, Roland Holst, Toorop, Verkade, allemaal waren ze overtuigd van het kosmische oerbeginsel van de geometrie. Architecten uit de stal van Cuypers als zijn zoon, Jan Stuyt, maar ook Mathieu Lauweriks en Karel de Bazel zouden dit systeem eveneens onder verwijzing naar Lenz in hun architectuur gebruiken. Via de theosofische Vahânaschool van Lauweriks en De Bazel kwam het weer terecht bij Chris Lebeau.

Gesamtkunstwerk[14]

Dit begrip dat populair werd dankzij de invulling die Richard Wagner eraan had gegeven, impliceert dat onder leiding van één dirigent alle onderdelen van de inrichting werden ontworpen en/of uitgevoerd. Subsidiair dient het als benaming voor een kunstwerk waarin verschillende kunstvormen zijn gecombineerd, ook zonder dat direct een centrale figuur als leider aan te wijzen valt.

Gestileerd[15]

Aanduiding in de kunstkritiek om het lineaire, geabstraheerde karakter aan te geven van het werk van de volgers van Toorop (Roomse Haagse School*) en de (oud-)leerlingen van de Rijksacademie, met name die van Roland Holst. Kunstcritici onder invloed van Maritain, zoals Van der Meer de Walcheren en Engelman die weer terug wilden naar een niet-literaire ‘schilderlijke’ schilderkunst, gebruikten de term gestileerd als een negatieve kwalificatie. Zij associeerden deze met begrippen als steriel, ‘cerebrale abstractie’ en gebrek aan levenskracht en vitaliteit. In de kunst die zij voorstonden, keert de schilder zich af van het ‘steeds ijler en ijler styleeren en schematiseeren van den natuurvorm’. Voor de symbolisten en synthetisten was de abstractie echter voorwaardenscheppend om symbolen op te sporen dan wel in te bedden. Ondanks het verschil van benadering deelden beide partijen de gedachte dat de kunst een ‘geestelijke realiteit’ moest ontsluiten en dat op een leesbare manier diende te doen.

Gotisch-barok-expressionisme

Zie nieuwe barok*.

Handschrift

Zie factuur*.

Haptische modus versus optische modus[16]

De tweedeling tussen de aardse, strijdende kerk en de hemselse, triomferende kerk correspondeerde met een onderscheid in uitdrukkingsvorm: de meer haptisch-tactiele en plastische voorstelling zou de aardse strijd tonen, terwijl de vooral spirituele, optisch-visuele, lineaire representatie de hemelse victorie zou onthullen. Deze benadering is ondenkbaar zonder de invloed van de Duitstalige kunsthistorische literatuur vanaf de late negentiende eeuw, c.q. van Alois Riegl: als cultuurhistoricus poneerde hij een cyclische afwisseling tussen periodes waarin de kunstenaar de voorkeur geeft aan een tweedimensionale, optische, schematische manier van waarnemen tegenover een perceptie op basis van tactiele, tastbare, en plastische kwaliteiten (1901). Dit alternatief correspondeerde met een vooral zinnelijk Geschmack en een meer spiritueel Kunstwollen. Het bijzondere van de – monumentale – kunst in het interbellum is dat deze twee modi tegelijkertijd, naast elkaar, in één programma werden opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn met name te vinden bij F.H. Bach, Joan Collette en – als eerste en meest bijzondere – Jan Toorop. In dit boek wordt met betrekking tot Riegls dichotomie* systematisch gesproken van de haptische en de optische modus.

Historieschilderkunst[17]

De historieschilderkunst dankt haar naam aan het begrip historia (L.B. Alberti) uit de renaissance dat slaat op een zo overtuigend mogelijke presentatie van een verhalend tafereel aan het publiek via de juiste entourage, het geëigende kostuum en het passende gebaar. Zowel de beginselen van het decorum* als van het movere* speelden hierin een grote rol. Hierbij ging het er om het menselijk handelen of een gebeurtenis niet zomaar letterlijk, maar in zijn meest superieure vorm weer te geven, waarbij het exemplum virtutis (de held of heldin) vanaf de late achttiende eeuw een centrale positie innam. Om de educatieve en moraliserende zeggingskracht te optimaliseren mocht, ja moest men zelfs bereid zijn om de historische ‘werkelijkheid’ aan te passen, te ‘verbeteren’. In de academische ‘hiërarchie der genres’ stond het historiestuk bovenaan. Naarmate het genre minder intellectueel en dus verhoudingsgewijs steeds meer op ambachtelijk werk steunde, stond het lager in de hiërarchie. Stillevens stonden helemaal onderaan. De historieschilderkunst kreeg in de negentiende eeuw een nieuwe betekenis in het kader van het ‘vaderlandsch gevoel’. Ook binnen het ideaal van de gemeenschapskunst* bleven de principes van dit genre actueel.

Historisch presens[18]

Een begrip uit de letterkunde dat omschreven wordt als grammaticaal tegenwoordige tijd die in bepaalde verhaalpassages kan worden verkozen boven de normale verleden tijd van het vertellen. In de beeldende kunst is dit fenomeen vergelijkbaar met de anachronistische aankleding van de personages in eigentijdse kledij of de opname van hedendaagse figuren in historische taferelen. In principe komt dit in de middeleeuwen al voor. Paul Gauguin actualiseerde deze kunstgreep met La vision après le sermon (La lutte de Jacob avec l’ange) (1888) en Le Christ Jaune (1889). Het kan als één van de kenmerken van het synthetisme* in de (monumentale) kerkelijke schilderkunst worden beschouwd.

Iconografie[19]

Het begrip is een samenstelling van de Griekse woorden beeld en (be)schrijven en betreft de discipline van de kunstgeschiedenis die zich richt op de beschrijvende analyse van de – symbolische – betekenis van beelden en tekens. Dit kan zowel op het niveau van het enkel­voudige object of de figuur, als van samenstellingen daarvan. Abstracte begrippen die worden verbeeld door personages worden als personificaties aangeduid. De objecten die ze vasthouden en aan de hand waarvan ze geïdentificeerd kunnen worden, heten attributen. In de christelijke iconografie worden ook heiligen uitgebeeld met attributen die tot herkenning leiden. Een van de fascinerende kenmerken van de christelijke iconografie is dat ze de weerslag vormt van eeuwenoude thema’s en (oer)typen uit allerlei culturen. Tegelijkertijd vormden deze eeuwenoude schemata een keurslijf dat echter onmisbaar werd geacht vanwege de vereiste leesbaarheid* van de kunst. Tegelijkertijd speelden het decorum* en de liturgie* een dominante rol. Het knappe van menig kerkschilder uit het interbellum is het vermogen om desondanks iconografische hoogstandjes in het werk te bereiken.

Individualiteit, eigenheid[20]

Vanaf de late negentiende eeuw kreeg de hegemonie van de hyperindividualisering van de kunst concurrentie van de gemeenschapskunst* die de dienende, publieke functie van de kunst weer centraal stelde (in de beste tradities van de historieschilderkunst*). Ook de groep kunstenaars en intellectuelen rond De Gemeenschap stelde het algemene, maatschappelijke belang ideologisch op de voorgrond, zij het in katholieke zin. Op grond van de status van de vrije wil in de katholieke geloofsleer bleven echter eigenheid en individualiteit een belangrijke positie houden in de kunst, zoals met name tot uitdrukking komt in de recensies van de priesters Bernard Molkenboer en J.B.W.M. Möller.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0215 (2012).

Klassiek / klassiek-barok-modern[21]

De term heeft algemeen een tweevoudige betekenis: aan de ene kant verwijst hij naar de klassieke oudheid als verzamelbegrip voor de Griekse en Romeinse cultuur van vóór de jaartelling. Aan de andere kant gaat het om een type kunst dat tijdens de renaissance en de daaropvolgende classicistische perioden het na te streven ideaal van de kunst vormde. Hieraan verbindt men met name betekenissen als rust, waardigheid, ingetogenheid, beheersing die zich onder meer uit in een evenwichtige structuur van horizontalen en verticalen, et cetera. Karakteristiek voor de waardering van deze kunst was de typering van de kenner J.J. Winckelmann (1717-1768): ‘eine edle Einfalt und eine stille Grosse’. In deze zin speelt het begrip tenminste al vanaf de zeventiende eeuw de positieve partij in de dialectiek van goede en verkeerde kunst. In de katholieke kunstkritiek is dit herkenbaar zowel bij J.B.W.M. Möller (Gildeboek) als Van der Meer (Opgang), welke laatste hierbij werd geïnspireerd door Maritain en de Frans-Europese beweging van le retour de l’ordre*, waarmee men meende de klassieke fase van de moderne kunst in te luiden. Op min of meer verwante wijze zou het begrip klassiek door Theo van Doesburg worden geactualiseerd via de trits klassiek-barok*-modern: het verleden had het klassieke met zijn nadruk op horizontalen en verticalen als een positief fenomeen aangereikt, terwijl het barokke* als de golvende, krullende afwijking daarvan als een negatief, gedegenereerd verschijnsel werd opgevat. Modern mocht alleen die kunst heten die in zijn ontwikkeling de klassieke principes respecteerde, zoals De Stijl. Verschillende monumentale schilders hebben aan deze trits – voor een deel in samenwerking met architecten – een eigen interpretatie gegeven om hun moderniteit tot uitdrukking te brengen (zie nieuwe barok*).

Kruisweg[22]

Vanaf de vijftiende eeuw wordt in de rooms-katholieke kerk de kruisweg beoefend: een liturgische handeling, waarbij de gelovigen biddend en herdenkend langs veertien zogenaamde kruiswegstaties gaan. Deze staties bestaan uit voorstellingen waarop scènes uit het lijden, strijden en sterven van Christus zijn uitgebeeld die voor een deel direct teruggaan op de Bijbel en voor een deel apocrief zijn (voor een compleet overzicht zie de kruisweg van Toorop in Oosterbeek). Onder Paus Clemens XII (paus van 1730-1740) werd het aantal op veertien vastgesteld. In 1741 werd de kruisweg verplicht in alle rooms-katholieke kerken, waartegenover een volle aflaat werd gesteld.

De dominicaan Bernard Molkenboer gaf bij de bespreking van het exemplaar van Toorop te Oosterbeek een goede omschrijving van het doel van de beoefening van de kruisweg: de beschouwer moet worden geprikkeld om vanuit zijn empathie de strijd van Christus te ervaren door ‘Hem schrede voor schrede op Zijn bloedig spoor te volgen’. Doel hiervan is de ‘in diepe godsvrucht doorleefde meditatie van de kernfeiten der Verlossing’, stelt Molkenboer, ‘waarin een dankbaar hart met tranen verzinkt’. Alleen zo is de ziel in staat ‘om de bittere vruchten van ’s Heeren passie zalig te proeven’ en zich ten slotte op mystieke wijze met God te verenigen. Dat is de norm waaraan een kruisweg hoorde te voldoen. Als de kunstenaar daar niet in zou slagen, vormt zijn werk ‘geen kruisweg in kerkelijk-liturgischen zin, maar hoogstens een artistieke of archeologische voorstelling’.

Aan de uitbeelding van de kruisweg stelde de Una sancta* hoge eisen: de passie van Christus staat immers niet zozeer voor het lijden, als wel voor het strijden. Het zou gaan om een lijdzame strijd die Jezus vrijwillig als offer voor de mensheid was aangegaan om de overwinning op de dood te behalen en de verlossing te bewerkstelligen. Ook het lijden van de heiligen of van de mensheid kon in het kader van het katholieke geloof worden geïnterpreteerd als strijd, omdat hiermee in de voetsporen van Christus zou worden getreden. In het geval van Maria werden smart en verdriet zelfs onvermijdelijk geacht voor de verlossing. Toch heeft de kerk alleen bij de kruisweg hierover duidelijk stelling genomen. Dit heeft te maken met het ‘leidend beginsel […], dat de Kerk in den Gekruiste het liefst den “Overwinnaar van den dood” aanbidt, want “Christus heeft geheerscht van het Kruis’, aldus pater Nieuwbarn in Het Roomsche Kerkgebouw. In de kruisweg mocht het lijden dus niet te sterk worden benadrukt en dat kon alleen door Christus waardig, tot op het onaangedane af, weer te geven. Omdat de kruisweg van Albert Servaes hieraan niet voldeed, werd deze in 1921 door Rome verboden voor godsdienstig gebruik.

Lijdende, strijdende en overwinnende kerk[23]

Deze van oorsprong middeleeuwse driedeling slaat op de ruimtelijke ordening in de kerk: de lijdende kerk in de vroegere voorhof en het portaal, de strijdende kerk in het schip en de overwinnende kerk – aangekondigd door de triomfboog – in het priesterkoor. Alberdingk Thijm die deze driedeling herontdekte, onderscheidde daarnaast een verticale geleding waarbij de vloer met de zerken stond voor de lijdende, het schip voor de strijdende en de vensterzone voor de overwinnende kerk. In het interbellum speelden beide tritsen een belangrijke rol, waarbij kunstenaars vaak op het snijvlak van de strijdende en overwinnende kerk grensverleggend bezig waren.

Liturgie[24]

Het woord komt al in de Handelingen van de Apostelen voor als verwijzing naar een openbare en duidelijk omschreven ceremonie voor Christenen. Tijdens de katholieke kunstenaarsdagen van 1932 gaf de liturgist dominicaan L. Verwilst de volgende omschrijving: ‘Liturgie is de officiëele eeredienst der Kerk. De Liturgie is niet het samenstel van de leer zelf der Kerk, doch onze dogma’s gegoten in eeredienst-vormen, een ritus voor een offer- en gebedsplicht volgens bepaalde regels opgesteld’. De liturgie had tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) haar beslag gekregen in de Romeinse ritus die tot het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) van kracht was. Het kerkgebouw vormde het podium voor deze ritus met zijn choreografie van bidden, smeken en offeren, zingen en bewegen, bewieroken, kussen en zegenen. Al vanaf vroegchristelijke tijden werd deze gewijde plaats in architectuur, interne ruimtelijke ordening en uitmonstering op de liturgie afgestemd. Er ligt dan ook een nauwe relatie tussen de liturgie, de bouwsymboliek, het decoratieprogramma en de iconografie van de monumentale kerkelijke kunst uit het interbellum.

Makelij

Zie factuur.

Movere[25]

Movere is een term uit de klassieke retorica die net als decorum* vanaf de renaissance als een van de vaste regels van de – academische – kunst is gaan gelden. Letterlijk betekent movere bewegen, in dit geval het gemoed bewegen (ontroeren, aandoen) en maakte het deel uit van het scala middelen uit de retorica om het publiek te overtuigen. Dit ontroeren en (dus) overtuigen diende in de kerkelijke kunst op een beschaafde manier plaats te vinden, in overeenstemming met het decorum*. Ook dat was een reden waarom de kruisweg van Albert Servaes in 1921 werd veroordeeld, hetgeen Rome later nog eens herhaalde met het expressionisme, zoals onder meer gebezigd door Emil Nolde. Movere leunt sterk aan tegen het eveneens retorisch begrip dilectare of genieting dat Maritain actualiseerde onder verwijzing naar Poussin in Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924). Bij de epische stroming die sterk onder invloed stond van de historieschilderkunst, speelde de retorica (welsprekendheid) met alle hier genoemde componenten een grote rol. Door de meer cerebrale inslag van de symbolisten en de synthetisten ging het in hun – katholieke – werk vaak meer om een gesublimeerde gevoelsoverdracht. Bij de expressionisten verschoof het accent in navolging van Van Gogh naar de relatie tussen het handschrift en de gevoelsuitdrukking. De kwalificatie die Godfried Bomans in 1963 vastlegde: ‘ergens doet het me wel wat’, is een directe afstammeling van het movere.

Mystiek[26]

In de mystiek staat het streven naar de transcendente vereniging van de menselijke ziel met God of een goddelijk opperwezen centraal, dat het christendom van het neoplatonisme heeft overgenomen. Omdat de beoogde vereenzelviging van de ziel met God in het katholieke geloof een stap te ver ging, werd deze vereniging beschreven in termen van een verloving of huwelijk tussen de ziel en Christus, met alle sexuele connotaties van dien. Maritain verwees in Art et scholastique (1920) – Kunst en scholastiek (1924) – naar Dionysius de Areopagiet in een passage over schoonheid en liefde, over de mens als minnaar en de liefdesextase die God zelf ondergaat als gevolg van zijn overvloed. Ook in het interbellum bleef het icoon voor de mystieke eenwording het barokke beeld van de mystica Theresia van Avila van de hand van G. Bernini. Een van de kunstenaars die de mystieke liefde in zijn werk een prominente rol toekende was Jan Toorop.

Nieuwe barok[27]

De nieuwe barok uit de jaren dertig is een vorm van expressionisme die in Nederland een hoge vlucht nam nadat Rome het expressionisme had veroordeeld als arte blasfema (godslasterlijke kunst). Door op de barokke vormentaal in te spelen die geassocieerd werd met de reformatie, beschikten de kunstenaars over een effectief alibi. De keuze voor de barok lag voor de hand vanwege de met name door Duitse kunsthistorici en –critici uitgedragen opvatting, dat gotiek, barok en expressionisme op hetzelfde Formwillen teruggingen: de barok werd dus opgevat als een vorm van gotiek en het expressionisme als alternatieve barok. Ook in Nederland raakte de trits gotiek-barok-expressionisme ingeburgerd. Tegelijkertijd speelde de trits klassiek-barok-modern* van Theo van Doesburg een belangrijke rol in het kunstdebat van het interbellum.

Optische modus

Zie haptische modus versus optische modus

Originaliteit

Zie gecombineerde verbeelding.

Pondération[28]

De pondération is als begrip ontleend aan Viollet-le-Duc: het betreft het evenwicht tussen de samenstellende onderdelen in een ontwerp, waarbij massa’s van ongelijke grootte en diepte tot een ‘euritmische’ harmonie worden gebracht. Het begrip dient in dit onderzoek als noodoplossing, omdat in de kunstkritiek van het interbellum geen sluitend alternatief voorkomt. Pondération is voor een deel vergelijkbaar met wat Engelman in zijn bespreking van het werk van Van Rees bedoelde met de ‘nieuwe ruimtelijke logica’* en ‘het nieuwe gevoel voor het ruimtelijke dat de antieke perspectief aantastte’. Dit laatste kan echter ook zonder pondération. Een ander evenmin helemaal sluitend alternatief is het woord ‘verhoudingsbeelding’* van Van Doesburg: de harmonie tussen het objectieve en het subjectieve in de (contra-)compositie op het platte vlak; tussen horizontalen, verticalen en/of diagonalen met de gekleurde vlakken, die door deze lijnen worden ingesloten.

Rationalisatie[29]

De productie van monumentale uitmonsteringen was (ook) in het interbellum sterk gerationaliseerd. Onder leiding van de vaak academisch gevormde ontwerper van de polychromie werkte een ploeg aan figuristen (waartoe ook de ontwerper zelf hoorde), vlakversierders voor de ornamenten en kalligrafen voor de opschriften. Het voorbereidende werk werd gedaan door stukadoors voor de drager van de schilderingen en vakschilders voor de grondlagen. De vakschilder kon zich opwerken tot gediplomeerd meesterschilder door zich via opleidingen te bekwamen in kalligrafie en vlakversiering. Een deel daarvan zette door en ontwikkelde zich tot figurist. Verschillende academisch gevormde schilders die monumentaal werk uitvoerden hadden overigens een vooropleiding gehad aan de ambachtsschool (onder wie Matthieu Wiegman, Henri Jonas en Charles Eyck).

Retour à l’ordre[30]

De Frans-Europese beweging van le retour à l’ordre, actief vanaf 1918, ging uit van de immanent geachte groei van de moderne kunst naar een klassieke* fase die noodzakelijkerwijs moest volgen, na de reuring van het abstracte, kubistische experiment. Vertegenwoordigers hiervan waren onder anderen de filosoof Jacques Maritain, de dichter-kunstenaar Jean Cocteau en de schilder Pablo Picasso, en in Nederland in de monumentale kunst met name Matthieu Wiegman en Otto Van Rees. Hier werd de beweging in de kunstkritiek vooral uitgedragen door Pieter van der Meer de Walcheren en Jan Engelman. De Rappel à l’ordre, zoals Cocteau deze beweging noemde, inspireerde de beeldende kunstenaars tot de ontwikkeling van een nieuw classicisme dat in verhouding tot abstracte voorfase realistisch oogde.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0216 (2012).

Riegls dichotomie*

Zie haptische modus versus optische modus

Roomse Haagse school[31]

De Roomse Haagse school heeft feitelijk nooit bestaan, dat wil zeggen niet onder deze benaming. De naam slaat op artiesten die lid waren van het Haagse katholieke kunstenaarsgenootschap of in de directe omgeving daarvan verkeerden. Men streefde een symbolistische kunst na die ‘rein intellectief [sic]’ van karakter was. Niet de streling van de zintuigen, maar de ‘voldoening voor het verstand’ stond voorop die gepaard ging met een gesublimeerde gevoelsuitdrukking. Een sterk lineaire, gestileerde* kunst, geënt op het voorbeeld van Toorop was het resultaat. Uit het onderzoek voor dit boek is gebleken dat onder deze kunstenaars de eerste volwaardige receptie van het idioom van Thorn Prikker in Nederland heeft plaatsgevonden. Veel van de kunstenaars uit deze groep maakten vroeg of laat een overstap naar de nieuwe barok*.

Stijlindicator[32]

Met het begrip stijlindicator wordt een element aangeduid op grond waarvan een bepaalde stroming of vormentaal kan worden geïdentificeerd en gedateerd. Tussen de meer algemene kenmerken nemen ze een bijzondere positie in. In dit boek betreft het met name de golvende bies bij de Beuroner kunst als begrenzing van een object of gebied in een voorstelling. Voorts karakteristieke, smalle verticale elementen die in blokjes zijn opgeknipt uit het idioom van Thorn Prikker, als onderdeel van het door hem ontwikkelde glasmozaïek.

Stijlpluralisme, pluriforme of meerstijlige kunstenaars[33]

Tot ver na 1940 beschouwde men het als normaal dat een kunstenaar – tegelijkertijd – in meer stijlen werkte. Het concept van een lineaire ontwikkeling volgens het principe van progressie, waarbij de ene stijl chronologisch op de andere volgt en tot steeds ‘betere’ kunst leidt, was niet aan de orde. Kunstenaars achtten zich vrij om in deze meerstijligheid op een eclectische manier uit het verleden te putten. Niet alleen werd de keuze voor een belangrijk deel gestuurd door het decorum*, maar ook door bepaalde associaties die met een specifieke stijl gepaard gingen. Een goed voorbeeld is de barok* die als de stijl van de contrareformatie bij uitstek geschikt was voor kerkelijke doeleinden.

Symbolisme[34]

Het symbolisme was een stroming in de beeldende kunst, muziek, toneel en literatuur die in het fin de siècle opgang maakte, in eerste instantie in Frankrijk, maar spoedig daarna ook in de rest van Europa. Verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie werden centraal gesteld. Het symbolisme heeft een sterk individueel karakter, wat onder meer te maken had met de belangstelling voor het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. De innerlijke, irrationele ervaringen werden belangrijk, met de nadruk op droombeelden en de dood. Deze wat beladen inspiratie ging gepaard met onheilsverwachting en dreiging, onmacht en decadentie. Wat betreft de uitwerking stond het symbool niet langer voor een teken dat volgens een algemeen geaccepteerde code een bepaald begrip of samenstel van begrippen zou weergeven met geijkte personificaties en attributen. Als waarneembaar en betrekkelijk herkenbaar teken fungeerde het als poort naar een niet-zintuiglijke wereld. De kunstenaar zou door zijn talent toegang hebben tot die wereld en zelf de symbolen bedenken of bepalen welke bestaande beelden geschikt waren om zijn visie op de ideeën uit die wereld uit te drukken. In die zin had het symbolisme een sterk neoplatoons karakter.

In de loop van de jaren twintig nam het talige karakter van het symbolisme als ‘duister geheimschrift’ steeds verder af en werd onder invloed van het expressionisme* de nadruk verlegd naar het intuïtieve teken.

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het ‘klassieke’ symbolisme uit de late negentiende eeuw in Nederland was Jan Toorop* die tevens exemplarisch is geweest voor de verdere ontwikkeling van het symbolisme na 1900 tot in het interbellum. In dit verband kunnen verder kunstenaars als Willem van Konijnenburg, Chris Lebeau en Anton Molkenboer worden genoemd.

Synthetisme[35]

Het synthetisme kan worden opgevat als een differentiatie van het symbolisme. Bij het symbolisme in engere zin zocht een kunstenaar bij de ideeën die hij wil uitdrukken een bijpassend realistisch ogend teken. Bij het synthetisme was het juist andersom: door zijn talent achtte de kunstenaar zich in staat het teken dat onder de werkelijkheid verborgen ligt op te sporen en in zijn kunst te actualiseren. Het gaat om een synthese van leesbare beeldcomponenten uit de wereld om ons heen, die de kunstenaar destilleerde en tot symbool verhief om zijn visie uit te drukken. Een van de initiatoren was Paul Gauguin die hiervoor gebruik maakte van het historisch presens.*

Belangrijke vertegenwoordigers in Nederland waren A.J. Derkinderen en R.N. Roland Holst die het synthetisme verbonden aan het ideaal van de gemeenschapskunst*.

Ook het synthetisme is het gehele interbellum lang van kracht gebleken, waarbij met name het historisch presens* een belangrijk kenmerk bleef.

Una sancta

Synoniem dan wel metoniem voor de rooms-katholieke kerk. Het begrip slaat op de ‘ene heilige katholieke en apostolische kerk’ uit de geloofsbelijdenis die een vast onderdeel is van de liturgie van de Eucharistieviering: ‘Et unam, sanctam, catholicam et apostolicam Ecclesiam’ (vanwege het toevoegsel ‘Credo in …’ (Ik geloof in …), staat dit in de oorspronkelijke tekst in de accusativus) Het wordt in deze publicatie in de nominativus als metafoor en metoniem voor de R.K. Kerk gehanteerd. Voor de volledige tekst zie Wikipedia, lemma ‘Credo (mis)’.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0211 (2012).

Verwijzende termen en begrippen

Modern en anti-modern

Paragraaf 1.2 Probleemstelling; 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’; 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming; 2.4.1 De Katholieke Leergangen in Tilburg; 6.1 Jargon en spelersveld; 6.2.3 Kosmisch symbolisme (1921-1927); 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst

Maniërisme

Paragraaf 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie; 7.3.2 De inspiratie van Derkinderen en de Goudse glazen.

Mozaïek

Paragraaf 5.8.3 Gerardus Majellakerk te Tilburg; 5.8.4 De Cenakelkerk in de Heilig Landstichting (Piet Gerrits); 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen; 6.4.2 De Antonius Abtkerk in Scheveningen (1925-1928); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst (Anton Molkenboer).

Leesbaarheid

Paragraaf 4.2 Albert Plasschaert; 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer; 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme; 5.8.5 Evaluatie en waardering (Piet Gerrits); 6.1 Jargon en spelersveld; 6.3.1 In de periferie van grote meesters: Alex Asperslagh; 6.4.1 O.L. Vrouwe van Goede Raad in Den Haag (1922-1923); 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten; 7.7.2 Pietàkapel met de bewening in de Obrechtkerk; 7.12.4 Kritiek, kenniswinst en waardering.

Kubisme, cubisme

Paragraaf 1.2 Probleemstelling; Paragraaf 2.3.6 Campendonk en de voorhoede van de Wederopbouw; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer; 4.5.2 Een ‘plastisch en poëtisch esperanto’; 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme; 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie; 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten; 7.7 Otto van Rees; 7.12 De overvloed van de weelde: naschrift en slotbeschouwing

Abstract en figuratief

Paragraaf 2.3.6 Campendonk en de voorhoede van de Wederopbouw; 4.2 Albert Plasschaert

Byzantijns

Paragraaf 5.3 De epische mise-en-scène en de Beuroner beurtzang; 5.7 Tussen architect, atelier en kunstenaar: Joseph Cuypers en Joan Collette; 5.8.3 Gerardus Majellakerk in Tilburg en 5.8.4 De Cenakelkerk in de Heilig Landstichting (Piet Gerrits); 5.9 Op Beuroner wieken: Charles Eyck; 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering (Collette); 6.3.7 Evaluatie: kritiek en waardering (Collette); 6.4.3 Een pluriforme mozaïst (Anton Molkenboer).

Muur als papier

Paragraaf 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming (Derkinderen); 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919); 7.6.1 Tussen klassiek en barok (Otto van Rees); 7.7 De muur als een blad papier: Jos ten Horn

Neogotiek

Paragraaf 4.6 Naschrift: in de periferie van de kunstkritiek; 5.7 Tussen architect, atelier en kunstenaar: Joseph Cuypers en Joan Collette

Symboliek

Paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie

Verfmateriaal

Paragraaf 2.3.4 De steen der wijzen; hoofdstuk 3: fresco, keim, wasverf, caseïne; paragraaf 5.4.2 Rolverdeling en technieken (gebroeders Dunselman)

Dragers

Paragraaf 2.3.3 De collegestof van Derkinderen; hoofdstuk 3: pleister, linoleum, eterniet, hardboard, zachtboard; paragraaf 5.4.2 Rolverdeling en technieken (gebroeders Dunselman)

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail afb. 15 A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1884. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0214 (2012).

Naschrift

Mochten er lezers zijn die suggesties hebben voor aanvullingen en aanpassingen van de bovenstaande lijsten, dan is dat van harte welkom. Laat het ons weten per app of per mail: 06 513 87 805 of vanhellenberghubar@gmail.com.

;-) B (&M)

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Noten

*Bij dit overzicht wordt verwezen naar beleid en regelgeving die anno 2013 van kracht was. De belangrijkste verandering is de Erfgoedwet (1916). Wat die op dit specifieke punt heeft gebracht wordt uitgelegd in: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “De mantel der bescherming. De Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt als toetssteen”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2021): 22-30. http://bit.ly/2TXbZnz-VanHH2Org

Voor de volledige titels, waarnaar door middel van verkorte titels wordt verwezen, zie de bibliografie van De genade van de steiger.

[1]   Zie paragraaf 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain.

[2]   Bewerking en aanvulling van het lemma barok op de AAT.

[3]   Nieuwbarn, Beuroner Kunstleer, passim. Verkade, Van ongebondenheid, pp. 228-230. Zie voorts paragraaf 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre; 5.4.3 De Nicolaaskerk: historieschilderkunst en Beuroner schema’s; 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering; 6.1 Jargon en spelersveld; 6.6.6 Kritiek, kenniswinst en waardering.

[4]   Het thema van de Biblia pauperum en het boek der leken is verspreid over deze studie te vinden (zie het register). Meer in het bijzonder komt het ter sprake in paragraaf 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming; 2.3.3 De collegestof van Derkinderen.

[5]   Nicolas, Wij glazeniers, p. 90. Voor de context zie paragraaf 2.3.5 Roland Holst aan het roer en 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme.

[6]   Zie 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie, paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, 5.6.4 Evaluatie en waardering (F.H. Bach), 5.10.3 Han Bijvoet als epische einzelgänger (1897-1975), 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering, 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek, en 7.10 Charles Eyck.

[7]   Site RKD, AAT (Art & Architecture Thesaurus), zoekterm: contrapost.

[8]   Zie de paragrafen 2.1 Entree in de historiografie, 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’ en 4.2 Albert Plasschaert. Voorts: Hubar, De muziek van het licht, passim.

[9]   Zie de paragrafen 1.2 Probleemstelling, 2.3.5 Roland Holst aan het roer, 4.2 Albert Plasschaert, 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre, 5.4.5 Tussentijdse balans en waardering, 5.10.5 Kritiek, kenniswinst en waardering. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt.

[10] Bewerking en aanvulling van het lemma Expressionisme op Wikipedia. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt. Voor een nadere uitleg zie voorts de paragrafen 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain; 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5 Jan Engelman en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[11] Zie paragraaf 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten. Een definitie van factuur of makelij ontbreekt in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.

[12] Zie met name Bank en Van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, pp. 151-194. De AAT verwart dit begrip met dat van publieke kunst. Voorts paragraaf 2.3.1 Derkinderen en het ‘correctief voor den nood der tijden’, en 2.3.2 De aanloop naar onderwijshervorming.

[13] Nieuwbarn, Beuroner Kunstschool, pp. 26, 28, 39. Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 48-549; 336-345; i.h.b. p. 231. Zie paragraaf* 2.3.5 Roland Holst aan het roer; 6.2.3 Kosmisch symbolisme (1921-1927); Het kosmische programma in de oudkatholieke kerk te Leiden (1926-1931).

[14] Zie ook de AAT. Voorts het lemma Gesamtkunstwerk uit het Algemeen letterkundig lexicon (2002) op de site van de DBNL. Een uitstekende contextmatige uitleg is te vinden bij Bank en Van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, pp. 151-194.

[15] Zie paragraaf 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer en 4.5 Jan Engelman.

[16] Zie de paragrafen 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie, 5.7.4 De uitmonstering van de Laurentiuskerk te Dongen, en 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919).

[17] Gebaseerd op paragraaf 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre. De AAT toont een afwijkende uitleg van dit begrip.

[18] Bewerking en aanvulling van het lemma historisch presens uit het Algemeen letterkundig lexicon (2002) op de site van de DBNL.

[19] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie. Voorts de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD.

[20] Zie de paragrafen 4.3.1 Bernard H. Molkenboer o.p. en 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller.

[21] Zie 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller, 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5.3 Barok als alternatief expressionisme, 7.5 Matthieu Wiegman, en 7.6 Otto van Rees.

[22] Voor een deel ontleend aan het gelijknamige lemma op Wikipedia. Zie voorts paragraaf 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie, en 6.2.4 De kruisweg van Oosterbeek (1916-1919).

[23] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie.

[24] Zie paragraaf 5.2.2 Symboliek, iconografie en liturgie. Voorts de lemma’s liturgie, Concilie van Trente en Tweede Vaticaans Concilie op Wikipedia.

[25] Zie paragraaf 4.1. Woorden, 4.3.1. Bernhard H. Molkenboer o.p., 4.4.2 De esthetica van Jacques Maritain, 5.4.1 Jan Dunselman als historieschilder après la lettre, en 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[26] Zie paragraaf 2.4 De Roomsche academie, 4.3.2 Rector J.B.W.M. Möller, 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 4.5.2 Een ‘plastisch en poëtisch esperanto’, 4.5.4 Tussen joie de vivre en devotie, 5.4.4 Kees Dunselman in de Obrechtkerk: een iconografische exercitie, 6.2 Toorops katholieke symbolisme.

[27] Zie de uitleg in paragraaf 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[28] Zie de uitleg in paragraaf 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten. Viollet-le-Duc, Entretiens I, 1863, pp. 479-486.

[29] Zie paragraaf 2.2 De actoren en 2.5 Het onzichtbare leger van vakschilders.

[30] Zie het betreffende lemma op Wikipedia en de paragrafen 4.4.3 Het kritisch idioom van Van der Meer, 7.5 Matthieu Wiegman, en 7.6 Otto van Rees. Wat de Nederlandse vrije schilderkunst betreft zie Blotkamp e.a., Magie en zakelijkheid, passim.

[31] Zie paragraaf 6.3. De Roomse Haagse school.

[32] Zie paragraaf 5.7.2 De Beuroner stijlindicator, 6.3.2 Thorn Prikker terug in Den Haag: Lou Asperslagh, 6.3.6 Toetssteen: Augustijn Hermans en Gerhard Jansen, 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten, en 7.3.1 Asselt: de ‘groote symphonie der doodenmysteriën’

[33] Zie met name paragraaf 1.2 Probleemstelling.

[34] Bewerking en aanvulling van het lemma symbolisme op Wikipedia. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt. Voor een nadere uitleg zie voorts de paragrafen 4.2 Albert Plasschaert, 6.1 Jargon en spelersveld, en: 7.1 Liturgie, vormconcepten en exponenten.

[35] Zie hiervoor paragraaf 2.3.5 Roland Holst aan het roer, 4.2 Albert Plasschaert, en 6.1 Jargon en spelersveld. Een definitie in de Nederlandse versie van de mondiale AAT (Art & Architecture Thesaurus) van het RKD ontbreekt.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), uit 1894. Foto Sjaan van der Jagt/Beeldbank RCE 2012.

Genade van de steiger | Detail A.J. Derkinderen, De Utrechtse Stedenmaagd en de Academie. Glasschildering voor het ‘Utrechtsch Universiteitsgebouw’ (Academiegebouw), 1893-1894. Opvallend zijn de florale motieven geëtst in het glas. Foto Sjaan van der Jagt/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Interbellum_0217 (2012).

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina onder deze link (die ondanks de doorstreping wel werkt).* Ook op LinkedIn en Instagram zijn we te vinden.

Ga eens kijken en deel de berichten, zodat ze een nog grotere actieradius bereiken!

Je kunt ons en andere onderzoekers ook helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina (graag de hashtags #GvdS, monumentale schilderkunst, vaktermen gebruiken).

Verkorte link van dit item: VanHH.org/?p=19230

Spreadsheet tijdlijn archiefonderzoek Catharinakerk Eindhoven (deel 1)

Spreadsheet tijdlijn archiefonderzoek Catharinakerk Eindhoven — We hebben opnieuw een tweelingartikel gemaakt, een twee-eiige tweeling wel te verstaan. Het experiment met de combinatie van een dubbelartikel in vakblad Vitruvius en een spreadsheet online op onze website – over kasteel Borgharen4 – smaakte naar meer. Er lag namelijk nog een mooi stukje onderzoek te wachten op publicatie, maar het probleem was: de hoofdmoot bestaat uit een spreadsheet! En dat vind je hieronder

Het eerste deel van het dubbelartikel is in het oktobernummer van 2022 van Vitruvius verschenen, dat onder het spreadsheet staat.1 Hierin wordt vooral de methode van aanpak en ontsluiting toegelicht. In het tweede deel wordt ingezoomd op enkele vondsten en leemtes. Verder biedt het een overzicht van de bronnen in pdf die gedownload kunnen worden. Dat deel is verschenen in juli 2023 en kun je vinden onder deze link

Het spreadsheet is onderverdeeld in de volgende paragrafen:

  • De wegwijzer met een uitleg van de opzet.
  • De tijdlijn zelf die de volgende subparagrafen heeft:
    • Pierre J.H. Cuypers en Anton C. Bolsius | Pastoor-dekens G.W van Someren (tot 1877) en J. van Iersel
    • Willem H. Booms/Pierre J.H. Cuypers | Pastoor-dekens J. van Iersel (tot 1902) en A. Damen
    • Louis J.P. Kooken/Pierre J.H. Cuypers | Pastoor-dekens A. Damen (tot 1922) en Jos M.M. Maas
    • Kees C.H. de Bever | Pastoor-dekens Jos M.M. Maas (tot 1945), H.F. Heezemans (tot 1960) en W.J.H. Kaal
  • Afkortingen & termen en begrippen
  • Overzicht Pdf bestanden
  • Literatuur
De Catharinakerk te Eindhoven (1858-1876) van Pierre J.H. Cuypers. Foto bvhh.nu 2021

De Catharinakerk te Eindhoven (1858-1876) is ontworpen door en onder leiding van Pierre J.H. Cuypers. Dat weten we, maar wat weten we over het legioen van geestelijken, bestuurders en vakmensen dat nodig was om dit gebouw in te richten en in stand te houden? Dat vertelt het spreadsheet hieronder. Foto bvhh.nu 2021

Je kunt het spreadsheet direct downloaden via deze link! Het is niet zo dat we verwachten dat deze link op korte termijn zal verlopen, maar zolang we nog niet tot het digitale erfgoed van de Koninklijke Bibliotheek horen of een soortgelijke oplossing beschikbaar is, is het waarschijnlijk handig om dit bestand op je eigen computer te hebben.2 Voor het gebruik van de zoektoets is het niet nodig, want met die van de browser, waarin je deze webpagina bekijkt, kun je prima zoeken in het spreadsheet.


Ook de bijbehorende PDF-bestanden hebben we online gezet. Zoals we in het artikel al hebben aangegeven, moeten gebruikers zich wel realiseren, dat het bij dit werk niet gaat om professionele reproducties. De foto’s zijn in een hoog tempo met de hand gemaakt, waardoor – zeker als de inkt vervaagd was – de kwaliteit hier en daar minder is. In feite wordt het complete onderzoeksdossier ter beschikking gesteld. Je kunt het vinden in deze map https://bit.ly/Archiefonderzoek-Catharinakerk op VanHH4all (de eerder genoemde disclaimer is hierop van overeenkomstige toepassing).

Dit delen doen we graag, omdat we daar over en weer bij gebaat zijn. De wetenschap gaat er niet op vooruitgaat als iedereen op zijn gegevens blijft zitten. Bovendien kan het omdat het gaat om openbare stukken die in een archiefbewaarplaats liggen en het rapport met het spreadsheet inmiddels openbaar is in verband met de onherroepelijke omgevingsvergunning voor de restauratie van het dak van de Catharinakerk. Wat ons terugbrengt bij de vraag die naar dit onderzoek heeft geleid: welke leien lagen er oorspronkelijk op het dak van de Catharinakerk? Ga maar eens zoeken in de tijdlijn op leij en ley, of lees deel 1 van het artikel in vakblad Vitruvius hieronder!

Catharinakerk archiefonderzoek, deel 1

Hopelijk werkt de rijke oogst aan vondsten en inzichten in materiaalgebruik en technieken in de negentiende-eeuwse kerkbouw – en het onderhoud daarvan – inspirerend. Het zou bepaald geen luxe zijn als intensief archiefonderzoek standaard deel uit gaat maken van een omvangrijk restauratieproject als dat van deze kerk van Cuypers.

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  1. Titelbeschrijving van het artikel: Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Wat de archieven kunnen vertellen. De Catharinakerk te Eindhoven. Deel 21. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 16 (2022), pp.20-29. https://drive.google.com/file/d/1ESlVCMzNXKcpoIfPQ2f7zqIO-hWrGAX3 
  2. Zie de disclaimer op het gebruik van de site, onder artikel 4.
  3. Naar deze webpagina kan verwezen worden als Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Spreadsheet tijdlijn archiefonderzoek Catharinakerk Eindhoven’. VanHellenbergHubar.org, 2022. www.VanHH.org/?p=18946.
  4. Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Helpende handen voor kasteel Borgharen’. Onder redactie van Marij Coenen. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2022): 12–19. VanHH.org/?p=18887.
  5. Downloadmap van het onderzoeksdossier met alle pdf’s van de van de ontsloten archiefstukken: https://bit.ly/Archiefonderzoek-Catharinakerk.
Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. 
Daarvoor maken we gebruik van de media die hieronder bij delen staan vermeld.

Help mee om de erfgoedverhalen verder te verspreiden door ze via een of meer van die knoppen te delen.
Het zou helemaal fijn zijn als je daarbij de hashtag #CatharinakerkEindhoven gebruikt.

Verkorte link van dit item: VanHH.org/?p=18946

Overzicht diabestanden collages sociale media

Overzicht diabestanden collages sociale media en website — We hebben de collages die we vanaf 2016 maken voor de sociale media online geplaatst. Je mag ze bekijken en er screenshots van maken, zij het wel binnen de termen van de Creative Commons licentie (CC BY-NC-SA), waarover hierna meer.*

Het werken met dit medium dateert van oktober 2016, toen we bezig waren met het project #KunstinBreda. In die tijd had je nog maar de helft van de tekens voor een bericht op Twitter, waardoor je nooit echt een verhaal kwijt kon. Dus maakte ik collages met een afbeelding en een stukje tekst en dat smaakte naar meer. Ik las ergens dat deze oplossing een eigen vakterm heeft, maar jammer genoeg heb ik die niet opgeslagen. Mocht je die tegenkomen, dan houden we ons aanbevolen.

Waarom we meer tekst kwijt wilden? Omdat we bij #KunstinBreda het experiment zijn gestart om informatie te verwerven en uit te wisselen via de sociale media: #dtv (durf te vragen). Hierdoor viel pas goed op ‘hoe groot tegenwoordig de expertise is waar via de sociale media gebruik van gemaakt kan worden. Professionals delen hun kennis en varen er allemaal wel bij’.* Dat is inmiddels ook gebleken bij de twee artikelen die Marij en ik schreven over de Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed in vakblad Vitruvius (2021).

Aanvankelijk begon ik met dia’s van 30×18 cm om voldoende ruimte voor de tekst in de collage te hebben. In 2018 zijn we overgestapt naar 28×20 cm, omdat die verhouding door Instagram in die tijd wel geaccepteerd werd en die van 30×18 cm niet. Je ziet het, je moet voortdurend meebewegen met de stroom van veranderingen in de sociale media. 

Hieronder geven we een beeld van de collages van het eerste uur. In het begin was het heel eenvoudig één afbeelding met een stukje tekst, waarna geleidelijk meer variatie volgde. In 2017 introduceerden we aan de rechterkant van de collage een verticale regel voor de herkomst van het beeldmateriaal. De volgorde in het bestand is overigens van beneden naar boven, omdat het gemakkelijk werkte om de nieuwste collage bovenaan toe te voegen. Of ons voorbeeld veel navolging heeft gevonden? Niet voor zover wij het kunnen nagaan, dus het is ongetwijfeld ook iets waar je plezier in moet hebben. 

Overzicht

De onderstaande items in dit ‘Overzicht diabestanden collages sociale media’ kun je inkijken door de link aan te klikken. Je kunt ook de snelheid aanpassen of er met de cursor doorheen wandelen. Volg de instructies via het screenshot onderaan dit bericht.

Zoals gezegd, is ook op deze presentaties de Creative Commons licentie (CC BY-NC-SA) van toepassing, evenals op alle overige bestanden die we hebben geproduceerd. Voordat je iets gaat gebruiken, word je geacht om het stukje onder deze link te lezen.

Er zitten best wat doublures in de presentaties, waarvan de vroegste bestanden onderaan in het overzicht zitten. Ook hiervoor geldt: beter mee dan om verlegen. Ga je mee?

2021-2022
  • 7 nov 21 tot medio apr 22 #Screenshots sociale media en website 28×20.gslides — Link
2020-2021
  • 22 mei 21 tot 7 nov 21 #Screenshots sociale media en website 28×20.gslides — Link
  • 20 jan 20 tot 15 mei 21 #Screenshots sociale media en website 28×20.gslides.gslides — Link
2018-2019-2020
  • 16 aug 19 tot 2 jan 20 #1 Diaserie op webpagina bit.ly, VanHH2Org21. 28×20.gslides — Link
  • 20 mei 19 tot 5 sep 19 #4 Diaserie op webpagina bit.ly, VanHH2Org21. 28×20.gslides — Link
  • 19 maart 19 tot 16 aug 19 #3 Diaserie op archief webpagina 28×20.gslides — Link
  • 17 dec 18 tot maart 19 #2 Diaserie op archief webpagina 28×20.gslides — Link
  • 13 okt 18 tot 2 jan 20 Screenshots sociale media 28×20.gslides — Link
  • 30 mrt 18 tot 11 okt 18 Screenshots sociale media grijs fond.gslides — Link
2017-2018
  • 12 feb 18 tot 1 apr 2018 Selectie speciale items (powerpoint) 30×18.pptx (in gslides) — Link
  • Oktober 2018 #Screenshots sociale media 30×18.gslides — Link
  • December 2017 tot april 18 #Screenshots sociale media 30×18.gslides — Link
  • September 2017 tot 7 mrt 18 Screenshots sociale media grijs fond 30×18.gslides — Link
  • 31 aug 17 tot 21 april 18 Screenshots sociale media, bit.ly 2zslpI9, 30×18.gslides  — Link
  • Juni 2017-april 2018 #Screenshots VanHH.org in de sociale media 30×18.gslides — Link
2016-2017
  • 2016-2017 #KunstinBreda op de sociale media (bitly), 30×18.gslides — Link
  • 2016-2017 #CuypersinBeeld op de sociale media, 30×18.gslides  — Link
  • 2016 Screenshots sociale media grijs fond, 30×18.gslides  — Link

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Instructies voor de presentatie on line en om deze te downloaden

Bij de presentaties online is een menu te vinden, waarmee je de snelheid kunt aanpassen en commentaren kunt lezen. Dat menu is niet direct zichtbaar als je de presentatie opent. Dus vandaar een korte uitleg aan de hand van dit screenshot:

Deze slideshow vereist JavaScript.

Het menu wordt zichtbaar door met de cursor linksonder naast het scherm te gaan staan, op de manier waarop je het in dit screenshot ziet (rode pijl). Met de pijltjes kun je links en rechts door de presentatie wandelen. Door op de drie verticale puntjes te klikken wordt een submenu zichtbaar. 

Als je een of meer presentaties wilt downloaden, geef dan een seintje via vanhellenberghubar@gmail.com. Dan sturen we je de link(s). Ook hiervoor geldt, gebruiken mag, maar wel onder de CC BY-NC-SA-licentie.

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: https://bit.ly/Facebook-VanHH2all

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Delen is ons motto, dus iedereen mag gebruik maken van de gegevens die hier staan, maar wel binnen de termen van de Creative Commons licentie.

Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.

Over delen gesproken, je kunt ons en andere onderzoekers helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina.

Je kunt dit item citeren als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Overzicht diabestanden collages sociale media – VanHH.org’. VanHellenbergHubar.org, 14 februari 2022. www.VanHH.org/?p=18552

Verkorte links van dit item: https://bit.ly/3JmZ1Ux óf VanHH.org/?p=18552

Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger’

Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger’ — Zoals op de hoofdpagina aangegeven, hebben we in het kader van het drie-jarige project ‘De genade van de steiger’ (2011-2013) verschillende spreadsheets opgezet, die we hier online hebben gezet.1

Deze slideshow vereist JavaScript.

Spreadsheet ‘Genade van de steiger’

We beginnen met het meest omvangrijke spreadsheet: het overzicht van alle kunstenaars die we tegen zijn gekomen tijdens ons onderzoek: niet alleen hun kerkelijk oeuvre, maar ook profane werken zijn ingevoerd. Ook kunstenaars die naar achteraf bleek alleen burgerlijke opdrachten hebben uitgevoerd, zijn in dit spreadsheet opgenomen. Omdat de meeste kunstenaars maar een klein oeuvre hebben in het genre van de monumentale schilderkunst, is ook hun werk op het gebied van de glasschilderkunst meegenomen onder de aanduiding glasschilderingen om over voldoende referentiekader te beschikken. Deze term dient als verzamelnaam voor allerlei toegepaste technieken voor monumentale glazen.

Kruiswegstaties worden standaard vermeld. Indien aangetroffen in de uitgangsliteratuur, zijn de ezelschilderijen als één item ingevoerd. Daarnaast is het werk van referentiefiguren als Antoon Derkinderen en R.N. Roland Holst opgenomen.

Toen we het spreadsheet in 2014 opleverden bij de RCE hebben we dat vanwege de hanteerbaarheid in Open Office gedaan, omdat het in Excel vastliep (en loopt). Om dit materiaal on line te plaatsen hebben we het hoofdbestand in drie delen gesplitst in de format van een Google spreadsheet, waardoor ze als Excelbestanden bewerkt en gedownload kunnen worden. Evengoed zijn ze in Open Office/Libre Office te bewerken.

Bij dit spreadsheet hoort een afzonderlijk bestand met de afkortingen die naar de gebruikte bronnen verwijzen, eveneens beschikbaar in Google spreadsheet.

We kunnen het niet vaak genoeg herhalen: in principe is dit spreadsheet in 2014 afgesloten, dus qua verwijzingen naar bronnen als literatuur, internetsites et cetera is het zeker niet actueel, zoals hieronder nader wordt toegelicht.

Toelichting op het interbellum spreadsheet

De meeste kolomaanduidingen spreken voor zich, met uitzondering van de volgende:

Kolom L) met de aanduidingen K, A. P en S: is bedoeld om op typen te kunnen sorteren:

  • K = Kerk
  • A = Aanverwant kerkelijk instituut (klooster, school, patronaat, et cetera)
  • P = Profaan
  • S = Schip

Er zitten diverse symbolen, zoals @ en # in het spreadsheet. Die hebben een rol in het kwantitatieve onderzoek dat we met dit bestand hebben gedaan. Daar komen we nog op terug.

Een enkele afkorting zal niet langer duidelijk zijn, zoals:

  • MoL: ‘Monumenten on line’ is tegenwoordig te vinden onder de naam van Rijksmonumentenregister op de site van de RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)
  • SKKN: Stichting Kerkelijk Kunstbezit. Spijtig genoeg is deze in 2012/2013 opgeheven. Gelukkig is niet alle kennis verdwenen, want het instituut is in afgeslankte vorm overgenomen door het Catharijneconvent onder de naam ‘Kerkcollectie digitaal’.

Wat betreft de kleuren in het spreadsheet volgt nog een verdere uitleg.

Nota bene! — Onthoud dat veel snelkoppelingen in de bestanden verouderd zijn! Voor een deel bestaan de betreffende sites helemaal niet meer, maar voor een nog groter deel gaat het om websites die inmiddels al verschillende keren veranderd zijn zonder de methode van de redirect toe te passen. Via redirect kan namelijk doorgelinkt worden naar de nieuwe URL’s van de betreffende berichten en pagina’s. Wat vaak (maar niet altijd) uitkomst biedt is de Way Back Machine van Archive.org. Dus vind je een site, waarvan je denkt dat je die echt had moeten kunnen raadplegen, probeer dan de Way Back Machine, waarin eind 2021 ruim 629 biljoen webpagina’s zijn opgeslagen. Wie weet zit die van jou er ook bij!

Verder stond veel materiaal op de box.net server van toen nog Res nova. Inmiddels is die server vervangen door VanHH4all op Gdrive. Mogelijk dat we hier te zijner tijd een link opnemen naar een map, waarin dit materiaal opnieuw beschikbaar komt.  

Deze slideshow vereist JavaScript.

Sorteren

Het mooie van een spreadsheet is dat je ermee kunt sorteren. Daar hebben we veel plezier van gehad bij het kwantitatieve onderzoek, toen we bijvoorbeeld hebben gecontroleerd over hoeveel werk in rijks- en anderszins beschermde kerkgebouwen zit. Voor Gsheets kun je terecht bij het tabblad Gegevens in de menubalk van het programma en als je er niet uitkomt bij het tabblad Help (zoektermen: sorteren of filter). Ook bij andere programma’s kun je deze informatie vinden via de HELP-toets.

Voordat je gaat werken met de sorteerfunctie adviseren we je om het volgende doen:

  1. Maak een kopie van het bestand
  2. Lees in de gebruiksaanwijzingen hoe je moet sorteren. 
  3. Neem de tijd voor ’trial and error’
Delen en terugkoppelen

Delen is onze ‘middle name’, dus klik op de knop delen als je de kennis uit dit spreadsheet verder wil verspreiden. 

Het andere waar we heel blij mee zijn is terugkoppeling en aanvullingen. Dat kan per mail: vanhellenberghuar@gmail.com, maar mag ook via de app: 06 513 87 805.

Spreadsheets met het overzicht van de foto’s, bestemd voor de beeldbank van de RCE

Net als het voorgaande spreadsheet zijn die van de foto’s als Gsheet (Google spreadsheet) online gezet. Ze kunnen zowel met Excel, Libre Office als andere toepasselijke programma’s bewerkt worden.!

Overigens zijn de foto’s zijn qua resolutie niet zwaar genoeg om gebruikt te worden voor drukwerk. Mocht je dat nodig hebben, dan kun je die bij ons opvragen via vanhellenberghubar@gmail.com.

Kennis uitwisselen en delen

Over de kunstenaars in De genade van de steiger is nog meer te vinden bij de toegangen tot het boek. Daarnaast zijn enkele fragmenten opgenomen.

Het project komt verder met grote regelmaat aan de orde op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB en op de besloten Facebookpagina van Nederlands religieus erfgoed.

Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat de berichten over monumentale kerkelijke schilder- en glaskunst een nog grotere actieradius bereiken!

Het zou fijn zijn als je dit stuk wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop de knop delen onderaan de pagina. Wees zo goed om de hashtag #GvdSteiger te gebruiken.

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  1. De hier genoemde foto’s en het spreadsheet voor de database staan slechts voor een deel op de beeldbank van de RCE. Voor de reprorechten hanteert de RCE de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 licentie, CC-BY-SA 4.0 of de voorganger ervan: CC-BY-SA 3.0. Dit betekent dat de foto’s overgenomen mogen worden, gebruikt en gedeeld onder naamsvermelding. Voor meer informatie over de in de inhoudsopgave genoemde kunstenaars en hun werk zie het register van ‘De genade van de steiger’ en het spreadsheet met de inventarisatie (in bewerking om online te zetten).
  2. Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten, tabellen (spreadsheets) en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.
  3. Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Spreadsheets onderzoek ‘De genade van de steiger”’. VanHellenbergHubar.org (blog), 2014-2021. http://bit.ly/3kE8i0R-VanHH2Org.

Verkorte link van dit item: 

← Naar Interbellumdatabase(s) ‘De genade van de steiger’

← Naar de hoofdpagina van ‘De genade van de steiger’

Nicolas in ‘De genade van de steiger’ →

Joep Nicolas, Intrepiditas stadhuis Breda. Afb. 343 Joep Nicolas, Intrepiditas (onverschrokkenheid) uit de serie deugden (1926-27) in de trappenhal van het stadhuis van Breda. Deze cyclus is in meer opzichten beïnvloed door het werk dat hij had gedaan aan de voltooiing van de glazen van Derkinderen (1925) in de trappenhal van de Algemene Handelsmaatschappij te Amsterdam. ((Afbeelding uit: Claire Nicolas White, Joep Nicolas, p. 41.))

Dit is een doorverwijzingspagina naar ‘Joep Nicolas tussen de glazen’, overgenomen uit mijn boek ‘De genade van de steiger’.

Nicolas en tijdgenoten

 


Joep Nicolas, Long island symphony 1957, eigendom Stichting 1888 Roermond. Foto Marij Coenen 2014
Een van de meest interessante werken van Joep Nicolas: Long island symphony uit 1957 (eigendom Stichting 1888 Roermond. Foto Marij Coenen 2014).
Opvallend is het deels allegorische, deels surrealistische karakater van dit werk, waarin verschillende technieken zijn toegepast. De combinatie van monochrome en polychrome onderdelen zal de glazenier later vaker toepassen.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2vLBV54

Terug naar de hoofdpagina!

BewarenBewaren

BewarenBewarenBewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Boek Annemiek Punt | Bestelinformatie

Boek Annemiek Punt — Het boek over de monumentale glaskunst van Annemiek Punt is uit en zo oogt het:

Wil je het bestellen, surf dan naar de webwinkel van Annemiek Punt. De introductieprijs is € 25,00 (dit wordt na 9 juli € 27,50).

Het boek over een van de weinige vrouwelijke glazeniers in Nederland is bedacht, ontwikkeld en samengesteld door kunsthistoricus Joost de Wal die tevens de beeld- en (eind)redactie gedaan heeft. Met studio frederik de wal die voor de vormgeving van de publicatie tekende, vormt hij het samenwerkingsverband Gebr. de Wal, dat als uitgever van dit boek optreedt.

Wat is het resultaat?
  • Joost de Wal heeft, behalve voor de productie, gezorgd voor de biografie, de oeuvrelijst en een boeiend verhaal, getiteld ‘Techniek en vernieuwing’. Boeiend, omdat het nog eens illustreert dat bij kunstenaars als Annemiek Punt het een niet los te zien is van het ander.
  • Godsdienstfilosoof Wessel Stoker duikt in het verleden en geeft een rijkgeschakeerd beeld van hoe in het oeuvre van Annemiek Punt bijbelse en spirituele thema’s samenkomen met hun aloude rituele zeggingskracht en symboliek. Zo maakt hij duidelijk dat een geseculariseerde wereld doorborduurt op de spirituele erfenis van het verleden.
  • Zelf benader ik het werk van Annemiek Punt vanuit de erfgoedsector. Ik heb een waardestelling geschreven die in principe ingezet zou kunnen worden mocht haar werk ooit bedreigd worden. Want dat is met de omloopsnelheid van gebouwen in onze tijd geen denkbeeldig probleem. Met name de duurzame rol van het expressionisme en de oerkracht van de mimesis komen naar voren, terwijl verder de voltooiende inbreng van de toeschouwer in kaart is gebracht.

Echt een boek om cadeau te geven!

B.
Annemiek Punt, Liefdeskapel Lonneker 1989. Herkomst AnnemiekPunt.nl


Titelbeschrijving

Wal, Joost de, Bernadette van Hellenberg Hubar, en Wessel Stoker. Annemiek Punt Monumentale glaskunst 1980-2017. Utrecht: Gebr. de Wal, 2017.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2tcl7Gs

BewarenBewaren

Glazenier vandaag de dag

Artikel #AnnemiekPunt klaar, @Glaskunst! Sublieme Thomas More in kathedraal Roermond, @ifthenisnow @EMFVerheggen

Een interessante uitdaging om een artikel te schrijven over een levende kunstenaar. De eerste ervaringen heb ik daarmee opgedaan in het Bavoboek, maar toen ging het erom om te laten zien hoe de eigentijdse kunstwerken zich verhouden tot het iconografische gedachtegoed dat bouwheer en architect inspireerde, toen ze de kathedraal ontwierpen. Nu gaat het om het positioneren van een persoon en haar oeuvre, vergelijkbaar met wat ik in De genade van de steiger heb gedaan. Na het gesprek wat ik met glazenier Annemiek Punt en haar partner Astrid Vroemesse heb gehad buitelen de ideeën door mijn hoofd. Omdat ik vrijwel altijd schrijf op mijn intuïtie, zal dat vast ook hier gebeuren. Ik ben benieuwd waar het me brengt.

Inmiddels is het artikel ingeleverd en zowel Joost de Wal, de eindredacteur van het boek, als de persoon om wie het tenslotte gaat, Annemiek Punt, is tevreden. De eerste vond het ‘een rijk en wijs verhaal’: ‘helder & compleet en logisch van opbouw’. De kunstenaar schreef me: ‘Erg indrukwekkend! Het is net of ik mezelf beter ken nu’. Dat laatste is heel mooi en kernachtig gezegd, want dat is wel wat er kan gebeuren als iemand bij wijze van spreken drie stappen naar achteren zet en jouw oeuvre bekijkt als deel van de geschiedenis. Of misschien beter, een geschiedenis, want iedereen heeft nu eenmaal als vertrekpunt zijn of haar visie op het verleden; hoe wetenschappelijk ook. En ja, je hebt het al in de gaten, ik werp met deze volzinnen ook wat rookgordijnen op, omdat ik op een plezierige manier verlegen ben met de complimenten.

Heb ik je nieuwsgierig gemaakt? Surf dan naar de bestelpagina met het inkijkexemplaar.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2tLHXSa

Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo

Eind november 2015 ben ik gestart met een serie over kunst met een kleine en een grote K voor de Faceboekpagina van de nieuwe Bavo en het platform if then is now. Er valt voor een verhalenverteller zoveel te doen bij de kathedraal, zelfs als je klaar bent met de kopij van een boek van ruim 300 pagina’s. Via de pictografie hieronder kom je terecht bij de ene na de andere blog. Gaat het niet over het gebouw, dan gaat het wel over de architect, gaat het niet over de architect, dan wel over de inrichting, gaat het niet … ach, ik zou zeggen, klik eens wat aan en neem een kijkje. Je bent van harte welkom!

Hoe het werkt?

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

De balustrade van de koepel in de nieuwe Bavo. Foto bvhh.nu 2013.

Boven: de balustrade van de koepel van de nieuwe Bavo. Foto bvhh.nu 2014.

De items op de Facebookpagina van de nieuwe Bavo

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Detail van een van de glazen in de lucida van de nieuwe Bavo van Pierre J.H. Cuypers (figuratie) en Joseph Th.J. Cuypers (ornamenten). Foto BvHH 2015.  Bloemen voor sint Jozef op 19 maart (foto BvHH 2015)

Links: het openingsconcert/lezing van ‘De nieuwe Bavo bloeit’. Rechts: de feestdag van Sint Jozef op 19 maart trok veel bekijks!

Joseph Cuypers in De Limburger van 11 februari 2016.  Joseph Cuypers 75 jaar, artikel De Tijd 9 juni 1936, herkomst Delpher.
Links: het artikel over Joseph Cuypers in De Limburger kreeg op Facebook veel aandacht. Rechts: is het nu Jos, Jos. of Joseph Cuypers (herkomst: Delpher)?

Ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016).  Feestcantate voor bisschop Bottemanne met blazoen.
Links: ambachtsman of trapezewerker in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2016)? Rechts: wat heeft deze feestcantate met Driekoningen te maken (foto BvHH 2014)?

Op zoek naar de monsters in de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).  De Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).
Links: op zoek naar de monsters (foto BvHH 2015). Rechts: de Kerstkapel van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2014).

Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013).   Hogepriester op het Sacramentsaltaar nieuwe Bavo (foto BvHH 2015)
Links: Marc Mulders met de koepelschaal van de doopkapel van de nieuwe Bavo (foto Stephan van Rijt 2013). Rechts: de hogepriester op het Sacramentsaltaar van de nieuwe Bavo (foto BvHH 2015).

Op de steigers van de nieuwe Bavo  Joseph Cuypers, monogram van Cecilia in de sluitsteen (1898)
Links: introductie van de serie ‘Kunst met een kleine en een grote K in de nieuwe Bavo’ (foto BvHH 2013). Rechts: d
e sluitsteen met Cecilia (foto Beeldbank RCE-Margaretha Svensson)

De items bij ‘if then is now’

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

De sluitsteen van de apsis van de nieuwe Bavo (Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015). 'De heilige Geest' van Huib Luns uit: F.R. Hazenberg, Landgoed Hageveld, Heemstede (2012).
Links: het item over Pinksteren bracht weer de nodige verrassingen, ook op LinkedIn (rechts).

Dibbets straalt in de nieuwe Bavo. Het schip is klaar!

Links: hoe Jan Dibbets en Glasatelier Hagemeier in de Bavo stralen. Rechts: het schip van de nieuwe Bavo te Haarlem is klaar!

Historische opname van het kleimodel van het poepertje, voordat het in steen gehakt werd. Herkomst Noord-Hollands Archief haarlem, Parochiearchief nieuwe Bavo (collage en foto BvHH 2016 en 2014).  Driekoningenfeest op Ifthenisnow
Links: Het poepende mannetje op de nieuwe Bavo. Rechts: het bisdom Haarlem had veel aandacht voor volksgebruiken, zoals het Driekoningenfeest (Hoofdfoto: Cornelis Troost, Driekoningenzangers (1750). Met dank aan Teylersmuseum Haarlem).

De beelden boven de Kerstkapel van de nieuwe Bavo.  Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto's screenshot Marij Coenen, 2014)
Links: de beelden boven de Kerstkapel (foto BvHH 2013). Rechts: Nieuwe Bavo tijdens kerstvakantie geopend (foto’s screenshot Marij Coenen, 2014).

De glazen de lucida van de nieuwe Bavo.  nBavo-torenkalender-Jo Kunnen-P1110895
Links: De glazen van vader en zoon Cuypers in de lucida van de nieuwe Bavo (foto’s BvHH 2014). Rechts: het kalendarium in de noordertoren van de nieuwe Bavo (foto Jo Kunnen 2015).

Joseph Cuypers, Opstand van de oostpartij van de nieuwe Bavo (1895)  Nieuwe Bavo Ad orientem omslag WBOOKS
Links: ontwerpen aan de nieuwe Bavo te Haarlem (foto BvHH 2014). Rechts: waar gaat ‘Ad orientem‘ eigenlijk over? (ontwerp Marjo Starink, foto RCE beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder).

KathedraalMuseum nieuwe Bavo fthenisnow  Bundels licht: Niels Polak en Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo.
Links: KathedraalMuseum nieuwe Bavo (foto’s screenshot Niels Polak, 2015).  Rechts: het grote artikel uit 2014 over de atmosferische lichtval in de nieuwe Bavo naar aanleiding van de fototentoonstelling van Niels Polak (foto Niels Polak 2014).

Verder op deze site en op LinkedIn

Vanaf het moment dat ik bezig ben met de nieuwe Bavo heb ik verschillende stukjes geschreven voor deze website.
Een paar heb ik hieronder geplaatst, terwijl je de rest kunt vinden in de rubriek De nieuwe Bavo in verhalen.
Ook op LinkedIn wordt via de ‘long post’ aandacht op de nieuwe Bavo gevestigd.

Klik op het plaatje of de link onder de afbeelding en je komt vanzelf bij het verhaal terecht.

Stairway to heaven. Ontwerp Sarah Dikker. Constructie Van Hoogevest Architecten. Foto Bram Bos, Vocoza Kamerkoor 2016.

 Boven: de presentatie ‘Flora in steen’ bij gelegenheid van ‘De nieuwe Bavo bloeit’ staat on line

Lettertekens en emblemen in de galerij onder de lichtbeuk van de apsis. Wat is wat?  Ruskin Dirk Bogarde mooiste erfgoedverhaal
Links: hommage aan het team (collage met foto’s BvHH 2013). Rechts: de puzzel rond Ruskin in de nieuwe Bavo

De nieuwe Bavo is een onuitputtelijke bron, dus voorlopig ben ik nog niet klaar met deze korte stukjes.

Ondertussen hoop ik dat het velen van jullie zal aanmoedigen om mijn boek over de kathedraal te bestellen!
Klik daarvoor op deze link: http://bit.ly/Bavo-Ao.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/nieuweBavo-kunst

Nota bene — In het geval van doublures tussen de Facebookpagina en ‘If then is now’ wordt alleen het eerst geplaatste item vermeld.

Samenvatting ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’

Samenvatting boek nieuwe Bavo — In dit item vind je in kort bestek de belangrijkste thema’s in ons boek over het meesterwerk van Joseph Cuypers dat medio 2019 omgedoopt is tot KoepelKathedraal Haarlem (dit om een einde te maken aan de stelselmatige verwarring met de oude Bavo in het centrum van de stad). Normaal zou achter zo’n inleidende zin een oproep komen om het boek te bestellen, maar … dat kan niet meer. Het boek is in de reguliere boekhandel uitverkocht!

Alleen bij de kathedraal zelf is het boek nog verkrijgbaar! Als dat niet in je planning zit moet je het boek bestellen bij tweede hands boekensites, lenen via de bibliotheek, of alvast een voorproefje nemen via enkele fragmenten die hier online staan.

Maar neem eerst kennis van de samenvatting hieronder! Dat is een goed begin om een indruk te krijgen van hoe bijzonder de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal is.

*

De nieuwe Bavo te Haarlem — Ad orientem | Gericht op het oosten

Het boek dat tijdens de restauratie geschreven werd

Op 9 september 2016 is de jongste publicatie over de Haarlemse kathedraal feestelijk gepresenteerd in de nieuwe Bavo bij gelegenheid van de start van de Open Monumentendagen in Haarlem, na een korte inleiding van professor dr Paul van den Akker van de OU te Heerlen.

Ad orientem | Gericht op het oosten onthult hét leidmotief van het nieuwe boek over de Haarlemse kathedraal, beter bekend als de nieuwe Bavo van architect Joseph Th.J. Cuypers (1861-1949). De subtitel slaat zowel op de oriëntatie van het gebouw – met de apsis gericht op het oosten – als de lichtsymboliek van de dageraad en de oriëntaalse invloeden in de vormgeving. Dat heeft Joseph Cuypers niet allemaal alleen bedacht. Geen bouwmeester zonder bouwheer, dus ook zijn opdrachtgever hoort hier genoemd te worden. Dat was de bisschop van Haarlem, die vertegenwoordigd werd door zijn vicaris-generaal A.J. Callier (uit te spreken als rijmend op lier). Callier die als de programmamaker van de kathedraal beschouwd kan worden, werd in 1903 tot bisschop benoemd, tijdens de tweede bouwfase. De nieuwe Bavo kwam namelijk in drie fasen tot stand:

  • De oostpartij tot en met een deel van de viering in 1893-1898.
  • Het schip, de onderbouw van de westtorens, de rest van de viering en de koepel in 1902-1906.
  • De twee westtorens in 1925-1930, door Josephs zoon, Pierre J.J.M. Cuypers.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | De actoren
afb. 1 De bouwheren en bouwmeesters van de nieuwe Bavo: bisschop Caspar Bottemanne, zijn opvolger vicaris-generaal Augustinus Callier, Joseph Cuypers en Jan Stuyt.

De architect en zijn ploeg

Wie de naam Cuypers hoort, zal waarschijnlijk in eerste instantie denken aan de ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam. Dat ook zijn zoon Joseph en kleinzoon Pierre junior actief waren in het bouwvak is minder bekend. Hoewel er inmiddels verschillende publicaties aan Joseph Cuypers zijn gewijd – waarvan de meest recente van pastoor Crutzen over de kerk van Klimmen – is er nog veel dat niet bekend is over zijn visie en zijn creativiteit. Wat dat betreft zal met dit boek de achterstand ingelopen worden; en dat is vooral mogelijk gebleken doordat het hier om het meesterwerk gaat van Joseph Cuypers als kerkenbouwer. Bij de totstandkoming van de kathedraal waren overigens meer mensen betrokken: zijn vader kon het niet laten om in het begin zelf wat schetsen op tafel te leggen; bijna dertig jaar daarvoor was hem immers deze opdracht in het vooruitzicht gesteld. Behalve als klankbord is zijn inbreng verder beperkt gebleven tot het glas-in-lood in de lucida (de ramen in de apsis). Verder had je daar Jan Stuyt die aanvankelijk als opzichter werkzaam was, maar vanaf 1899 als vennoot van Joseph Cuypers. Ook met hem zal de architect vaak gespiegeld hebben over zijn ontwerpen. En ten slotte was daar Pierre junior die onder de hoede van zijn vader tekende aan de westtorens en het noorderportaal.[1] Los van deze creatieve mensen had je in het bouwteam bazen en onderbazen waarvan de belangrijksten in de galerij van de apsis in symbolen en initialen vereeuwigd zijn.[2]

Waarom een nieuw boek?

Nu zijn er sinds de kerkwijding van 1898 al verschillende publicaties aan de nieuwe Bavo gewijd, waarvan de laatste uit 1997: in Getooid als een bruid is uitvoerig aandacht besteed aan de ontwikkeling van het bouwplan, de iconografie en de verschillende kunstenaars die aan de inrichting werkten. Wat maakt ‘mijn’ boek anders, en sterker nog, waarom is er nog een boek nodig? Heel eenvoudig: de nieuwe inzichten als gevolg van de restauratie.[3] Het anders en nodig heeft namelijk te maken met de ontdekkingen die vooral vanaf de steiger zijn gedaan. Als een van de betrokken onderzoekers stond ik daar oog in oog met de verschillende onderdelen die van de grond af niet waren te zien. Daar kreeg ik uitleg over de vondst van minieme kleursporen wat er toe heeft geleid dat de buitenpolychromie voor een groot deel is hersteld. Daar werd ik op een wel heel directe manier geconfronteerd met onvoltooide, brute halffabricaten en zelfs misbaksels die bij zo’n verheven bouwwerk als een kathedraal eigenlijk niet passen. Daar zag je ook het vakmanschap van de baksteenpolychromie en het spannende verschiet waarin verschillende elementen hand over hand in een klimmende beweging omhoog stuwen naar het meest majestueuze onderdeel: de groenkoperen koepel. Alleen al het complexe spel van architectonische hoofdlijnen en verfijnde detaillering is een studie waard.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Op de steigers
afb. 2 Op de steiger zie je de dingen in heel andere dimensies. Maar het is vooral de sfeer die je niet loslaat. Een bijzondere plek tussen hemel en aarde.

Samenvatting ‘De nieuwe Bavo te Haarlem’ | Wat kan ik vinden in dit boek?

Licht — Niet alleen de twee genoemde thema’s komen aan bod, want er speelt meer dan alleen de polychromie en de onvoltooide elementen. Ze gaven wel de richting aan van enkele andere bijzonderheden. Allereerst de opmerkelijke visie van Joseph Cuypers op licht in architectuur. Ik haal een klein stukje aan uit een van zijn belangrijkste artikelen over de nieuwe Bavo. Eerst vertelt hij over de sterke horizontale lijnen in de historische gebouwen van Nederland. Ons land is vlak en dat geldt ook voor de architectuur.

  • ‘Moet daarin niet worden erkend de weerspiegeling van wat het Hollandsche landschap dien ouden bouwmeesters te zien en te voelen gaf — eene groote ruimte, afgeteekend door fijne, teere profielen aan den horizon, zonder scherpe kleuren of harde contrasten: eene ruimte niet omschreven door krachtige bergruggen, maar voelbaar door de tinteling der atmosfeer en de afbleekende tonen van ’t geboomte onzer polders?’[4]

Pas toen ik dit las, realiseerde ik me dat Joseph niet alleen een Limburger is, maar ook een Hollandse jongen! Zijn vader, ja, dat was een echt ‘Remunsje jung’, maar Joseph had een Amsterdamse moeder, grootvader en overgrootvader en voelde zich dus ook Hollander. Zelf zou hij zeggen dat hij van zijn moeder een ‘Hollandsch gemoed’ erfde en van zijn Limburgse vader het ‘harmonisch kunst-inzicht’.[5] Het beste dus van twee werelden.

Wat betekende dit in de praktijk? Dat hij brak met het ideaal van de zwaar gekleurde, donkere Chartresachtige glazen omdat hij het licht van het Hollandse polderlandschap naar binnen wilde halen. Zo ontwikkelde hij een nieuw concept dat je als de architectonische variant van het impressionisme zou kunnen betitelen. Want lichtinval is iets dat elk moment verandert. En daardoor heb je eigenlijk niet met één gebouw te maken, maar met een hele serie gebouwen die ieder moment van aanzien veranderen. Een belangrijke inspiratiebron hiervoor was vrijwel zeker de beroemde reeks van Monet, van de kathedraal van Rouen. Die laat prachtig zien hoeveel verschillende gebouwen één kathedraal vormt op de verschillende momenten van de dag.[6]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Instantaneité
afb. 3 Claude Monet, Cathédrale de Rouen (1892-1894)

De Unvollendete — De onvoltooide elementen, misbaksels en halffabricaten worden in het boek behandeld als onderdeel van de Unvollendete, onder verwijzing naar de beroemde symfonie van Schubert. Nu was Joseph Cuypers een beelddenker, geen filosoof. Ook al zou je het niet (of misschien juist wel) zeggen na het poëtische stukje dat ik net aanhaalde: hij dacht vooral in beelden en niet in woorden. En dat is wat al die onvoltooide stukken steen laten zien: hoe Joseph Cuypers als beelddenker een filosofisch concept wist te verwerken. In dit geval gaat het om een denkbeeld van Thomas van Aquino die hierbij weer steunde op Aristoteles. Kort door de bocht kun je stellen dat alles wat bestaat één grote bulk potentie is: alleen zo kun je verklaren hoe het mogelijk is dat iets is en op hetzelfde moment iets anders aan het worden is. Als we alleen al naar ons zelf kijken zijn we voortdurend in staat van verandering: we zijn niet helemaal meer wat we waren, maar ook nog niet helemaal wat we het aan het worden zijn. En het mooie hiervan is dat we ieder moment keuzes kunnen maken. Dat is precies wat uitgedrukt wordt door de Unvollendete: de potentie om na het wordingsproces tot een bepaald stadium doorlopen te hebben, iets anders te worden. En dat iets anders maakt deel uit van een eindeloos scala aan mogelijkheden. Al die mogelijkheden zitten in ons, net zoals in de steen direct uit de groeve een eindeloze hoeveelheid beelden zit besloten.[7]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Die Unvollendete
afb. 4 De Unvollendete bestaat uit rudimentair beeldhouwwerk, halffabrikaten en misbaksels

Oriëntalisme — De kathedraal valt op door sterk oosters aandoende patronen en ornamenten, met de koepel als meest in het oog lopende uitdrukkingsvorm. Deze aandacht van Joseph Cuypers voor, zoals hij het zelf noemde, ‘Spaansch-Arabische motieven’ heeft niet alleen te maken met de erkenning van de inheemse architectuur van het heilige Land als inspiratiebron van christelijke cultuur, maar is opnieuw sterk beïnvloed door de figuur van Thomas van Aquino. Want zoals deze wijsgeer de geschriften van Aristoteles te danken had aan de islamitische denkers van Arabische signatuur, ontleende Joseph Cuypers daar een onderscheidend deel van zijn vormenschat aan.[8]

Polychromie — Er wordt wel gezegd dat dit oriëntalisme ook tot uitdrukking komt in de kleuren. En hoewel er zeker enige overeenkomsten zijn, steunt Joseph Cuypers hier toch vooral op de Farbenlehre van Goethe – de dichter, ja ! – en het onderzoek van Viollet-le-Duc; om de enorme ervaring van zijn vader op dit gebied niet te vergeten. Vooral de buitenpolychromie is heel bijzonder, omdat we van dit type geen enkel ander voorbeeld in Nederland (meer?) hebben. Voor de oorlog moet die voor een groot deel al zijn verweerd, want in het collectieve geheugen van Haarlem was geen enkele herinnering meer aan de eertijds rijke tooi van de torens, gevels en steunberen van de kathedraal. De polychromie werd ondersteund door verguldsel dat het licht en de kleuren reflecteerde, zoals ook aan de binnenkant gebeurde door middel van glanselementen als terracotta, edelsmeedwerk, mozaïeken en noem maar op.[9]


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | De bruid
afb. 5 Van de buitenpolychromie van de nieuwe Bavo was nauwelijks nog iets over.

Catechismus en Biblia pauperum — Ook de latere bisschop Callier was intensief bezig met het gedachtegoed van Thomas van Aquino. Hij liet zich zelfs vereeuwigen in het beeld van deze heilige bij het heilig Hartaltaar. Anders dan de architect was hij geen beelddenker, maar vooral een docent die elementaire geloofswaarheden, vervat in de catechismus, over het voetlicht wilde brengen. Daarvoor koos hij onder meer de systematiek van de middeleeuwse Biblia pauperum (armenbijbel), waarvan in het bisdom nog verschillende originele exemplaren bestonden, zoals in de Grote Kerk van Laren. Callier wist heel goed dat hij zijn ideeën niet kon realiseren zonder de tussenkomst van de uitvoerende kunstenaar, die hij dan ook een bijzondere status toekende. Zo werd zijn haast persoonlijke beeldhouwer, Johannes Maas, getypeerd als ‘priester van het Schoone’. Het geeft aan dat kunstenaars en geestelijken tijdens de bouw een bijna gelijkwaardige status hadden. Bijna, want uiteindelijk voelde de geestelijkheid zich toch ver verheven en bevoorrecht boven de leken. Wel kon de kunstenaar net als een geestelijke als een ingewijde worden beschouwd, iemand die door zijn scheppingsvermogen, kennis en inspiratie dieper doordrong tot de goddelijke geheimen dan de gewone gelovige.[10]

Netwerk en De Heilige Linie — Om het verhaal over de verschillende actoren in te kaderen, is zowel aandacht besteed aan het netwerk waarin zij verkeerden, als aan de gemene deler die onder het programma lag, het handboek over kerkbouwsymboliek van Josephs peetoom, J.A. Alberdingk Thijm, De Heilige Linie (1858).[11] Om te beginnen komt dit tot uitdrukking in de oriëntatie van de kerk, maar er spelen nog talloze andere thema’s mee die onder meer leidden tot de ontdekking van de bruid van het oosten en de bruid van het westen.[12]

Ervaring

Wat heeft het nu zo bijzonder gemaakt om dit boek te schrijven. Sowieso was het fantastisch om dit onderzoek te mogen doen, me te verdiepen in de verschillende persoonlijkheden die direct en zijdelings bij het project van 1895 tot 1930 waren betrokken – wat heb ik veel mensen leren kennen! – en bezig te kunnen zijn met alles wat zich op ons netvlies ontvouwt. Want daar gaat het per slot van rekening bij een kunsthistoricus om: om het visuele spel dat zich voor onze ogen afspeelt dankzij de kunst die door mensenhanden tot stand is gebracht. Maar wat dit boek toch wel extra bijzonder maakt, is dat ik het tijdens de restauratie heb mogen schrijven. En dat is behoorlijk apart in Nederland, want meestal gebeurt zoiets als het werk gedaan is. Dan kun je in principe al niet meer achter de schermen, of liever, vanaf de steigers kijken. Vooral dat laatste heeft dit me bij dit boek veel gebracht. Zo vond bij het herstel van de polychromie een directe wisselwerking plaats tussen onderzoek, schrijven en restaureren, waarbij over en weer een verdiepingsslag plaatsvond. Maar ook de gelukkige situatie dat het gebouw vanaf de steigers bestudeerd kon worden, leverde kennis en inzichten op die zonder dat onmogelijk zouden zijn geweest.


Samenvatting 'De nieuwe Bavo te Haarlem' | Jan Dibbets
afb. 6 Jan Dibbets (centraal met de stok) ontwierp eigentijdse glazen voor het schip van de nieuwe Bavo.

Lest best was het heel speciaal dat er een wisselwerking was met levende kunstenaars over hun recente bijdrage aan de kathedraal. Wat dacht je van de glazen van Jan Dibbets in het schip, de glasobjecten van Marc Mulders in de doopkapel of het mozaïek van Gijs Frieling bij de Sacramentskapel, allemaal na een proces van denken en overleggen tot stand gekomen in 2016. Hierbij speelde op de achtergrond de iconografische inbreng van de plebaan, met wie ik over actuele beeldprogramma’s kon praten: niet iets van gisteren, maar van vandaag, alhoewel uiteraard wel diep geworteld in de traditie. En zo vonden verschillende gesprekken plaats met de actoren van nu, variërend van de voorzitter van de Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo tot de koster en de conservator van het KathedraalMuseum; van de architect en de opzichter tot de metselaar; van de kleurhistoricus tot de meesterschilder. Deel uitmaken van een team, vergelijkbaar met dat wat de Bavo ooit tot stand bracht. Je kunt het slechter treffen als onderzoeker en schrijver.

;-) B(&M)

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Sociale media en erfgoed als de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media zowel in om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Met betrekking tot dit project kun je een overzicht vinden in de serie ‘Kunst met de kleine en de grote K in de nieuwe Bavo’. Daartoe behoort ook deze samenvatting die op 25 november 2015 is gepubliceerd op het platform if then is now: http://bit.ly/Ifthenisnow-Bavo. Daarna volgde In 2016 bij gelegenheid van de verschijning van het boek tot tweemaal toe een analoge druk, en wel in Vakblad Vitruvius en in de periodiek met restauratienieuws over de nieuwe Bavo, In de steigers.

Jammer genoeg bestond destijds nog niet de optie van het Twittermoment – waarvan op dit moment (juli 2019) de vraag is hoe lang dat nog blijft bestaan – maar enkele tweets zijn verzameld onder deze link

Sinds 2018 hebben we een Facebookpagina als ankerpunt voor de berichten op de sociale media: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal, kunstenaars als Joseph Cuypers en architectuur en kunst uit de laten negentiende en twintigste eeuw een nog grotere actieradius bereiken!

Delen is ons motto, dus iedereen mag gebruik maken van de gegevens die hier staan, maar wel binnen de termen van de Creative Commons licentie.*

Over delen gesproken, je kunt ons en andere onderzoekers helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina.

*

Noten & beeldmateriaal

Beeldmateriaal in de tekst

  • afb. 1 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal uit het eerste boek over de nieuwe Bavo: M.A. Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem. Bouwgeschiedenis, constructie en symboliek, Haarlem 1898. De portretten zijn van de hand van Theo Molkenboer.
  • afb. 2 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 3 Deze collage is gemaakt aan de hand van reprovrij beeldmateriaal, afkomstig van Wikimedia Commons (zoektermen: Monet, Cathédral Rouen).
  • afb. 4 Deze collage is gemaakt met foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar.
  • afb. 5 Deze collage is gemaakt aan de hand van foto’s van Bernadette van Hellenberg Hubar en Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken.
  • afb. 6 Deze collega is gemaakt met foto’s van Judith Bohan en Bernadette van Hellenberg Hubar, en met een projectie van Van Hoogevest Architecten en een scan van Haarlems Dagblad.
  • Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.

Noten

[1]    Zie de uitleg van Arjen Looyenga in Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, pp. 44-58. De vennootschap van Joseph Cuypers en Jan Stuyt duurde van 1898 tot 1909 en niet, zoals vaak wordt gedacht van 1900 tot 1908 (vriendelijke mededeling Agnes van der Linden, onder verwijzing naar haar boek: Vrienden van Jan Stuyt en Louise Barozzi: Bijdragen aan een album anno 1928, Nijmegen 2015, p.86).

[2]    Bernadette van Hellenberg Hubar, ‘Hommage aan het team’, op: vanhellenberghubar.org, http://wp.me/P4eh3s-7q (2013).

[3]    Eggenkamp, Wim, ‘Restauratie Kathedrale complex van Sint Bavo halverwege’, in: Haerlem Jaarboek 2014, Haarlem 2015, pp. 133-179.

[4]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.2.5 ‘De invloed van Goethe’.

[5]    Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, p. 214.

[6]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.4 ‘Licht en atmosfeer’.

[7]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 4.2 ‘De graden van volmaaktheid (Thomas van Aquino)’.

[8]    Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 7 ‘De koepel als epiloog’.

[9]    Hubar, Ad orientem, paragraaf 6.1 ‘De juwelen van de bruid’.

[10]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 5 ‘Te Deum laudamus’.

[11]   Hubar, Ad orientem, hoofdstuk 2 ‘Acte de présence’. Ibidem, hoofdstuk 3 ‘De Heilige Linie’.

[12]   Hubar, Ad orientem, paragraaf 3.4 ‘De onzichtbare patrones’.

Verkorte link: bit.ly/2bPlZXW-nBavo of  VanHH.org/?p=8536