Kerstvertelling 2017

#Kerkverhalen | Kerstvertelling in de Poolse kapel op ifthenisnow.eu (screenshot bvhh.nu 2017).

Voor mijn kerstvertelling dit jaar surf je naar if then is now.

We maken via een omweg naar Polen een rit naar de Poolse kapel van Breda, op een prominent punt gelegen in een park aan de Lovensdijk.

Vanaf het moment dat ik die zag – wandelend langs de Wilhelminasingel van Breda, waar ik afgelopen jaar werkte aan het project #KunstinBreda – intrigeerde dit bouwsel me. Maar dat is niet zo vreemd, want een van mijn vroegste projecten – of acties, zo je wil – betrof onder meer het behoud van het ciborium altaar in de Servaaskerk.  Daar stond en – gelukkig – staat een juweel van negentiende-eeuwse edelsmeedkunst op de hoge koortravee van deze middeleeuwse kerk, in Breda gaat het om een baldakijn boven een altaar in de openlucht van na de oorlog. Het blijft fascinerend hoe structuren op pijlers met je mee bewegen, doordat het beeld dat ze omlijsten telkens verandert, terwijl je er langsloopt. Als je je daar bewust van bent, geniet je nog meer van architectuur, binnen én buiten!

Maar ik dwaal af, want daar gaat mijn kerstverhaal niet over, zoals je kunt zien op if then is now.

Fijne en vooral ook ontspannen feestdagen toegewenst!

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Naschrift — Woon je in Breda of ben je er tijdens een uitstapje, ga dan eens kijken bij de Poolse kapel. Ze ligt tegenover het adres wat hier wordt vermeld.

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract

Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract schreef ik eind 2016 – samen met Marij Coenen als beeld- en tekstredacteur – naar aanleiding van mijn ervaringen met het project #KunstinBreda. Het ligt aan de basis van het doorkijkje op de naoorlogse monumentale kunst in de desbetreffende brochure van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed die begin 2019 uitkwam.1 

Charles Eyck, Het Fatimaraam (1957) in het Fatimahuis (voorheen Fatimakerk) van Pierre Weegels in Weert. Foto Marij Coenen 2016.

Het Fatimaraam van Charles Eyck in het Fatimahuis (voorheen de Fatimakerk) te Weert, uit 1957. Als Eyck de figuren had weggelaten, zou het glas niets aan zeggingskracht hebben ingeboet. Het bleek niet eenvoudig om een begaanbaar pad te kiezen tussen figuratief, decoratief of abstract in de na-oorlogse kerkelijke kunst. Foto Marij Coenen, mei 2016.

_______________

Na de Tweede Wereldoorlog pakten de kunstenaars vrijwel allemaal hun figuratieve stijl op van voor 1940. Maar de nieuwe abstracte kunst drong op. Wat betekende dit voor de kerkelijke kunst? 

Je zou denken dat dit een theoretisch probleem is, maar dat is allerminst het geval. Los van hoe dit de kunstenaars aan het hart ging, heeft dit consequenties voor hoe wij hun werk waarderen. En dat heeft weer gevolgen voor het toekomstige lot van de fysieke objecten.

Het is inmiddels gemeengoed dat we midden in een hausse aan kerksluitingen zitten. En als het zover is, waar blijft dan de uitmonstering? Sterker nog, in hoeverre zijn de interieurstukken van de kerkgebouwen in Nederland geïnventariseerd of gewaardeerd? Want als we als maatschappij gaan besluiten welke kerken wel of niet behouden blijven, tellen de uitmonsteringen natuurlijk mee. Maar die verdwijnen vaak in de handen van opkopers, die hierover geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen. En zo verdwijnen scheepsladingen overzee, zoals ik in mijn artikel ‘De kerk als buit’ heb aangetoond.2 Het helpt niet om tegen te werpen dat er al veel is geïnventariseerd. Zeker, er is veel werk verricht door met name de opgeheven Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, beter bekend als SKKN, die in een zeer magere vorm is opgegaan in de afdeling Erfgoed in Kerken en Kloosters van het Catharijneconvent. Maar het schort aan waardestellingen en registratie van dit kunstbezit dat niet alleen uit roerende objecten bestaat, maar ook uit aard- en nagelvaste monumentale kunst, zoals glazen, altaren en schilderingen. Dat waarden stellen kan bovendien alleen adequaat gebeuren als we voldoende weten van de kunst in kwestie. Op dit gebied bestaat, zeker wat betreft de twintigste-eeuwse kunst, in de praktijk een vrij grote kennisleemte die onder meer is ontstaan, doordat kunsthistorisch Nederland lange tijd alleen oog had voor de avant garde.3 Maar er is heel wat meer gemaakt tijdens de wederopbouw en de daarop volgende decennia.

In Breda hebben ze op deze problematiek een voorschot genomen met het project #KunstinBreda, waarover ik eerder al enkele blogs schreef. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met de waardering van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte. Een behoorlijk groot aantal hiervan dateert uit de periode 1935-1965, de tijdspanne waarover dit thema in het bijzonder gaat. In de jaren 1930 was het barok expressionisme wat de klok sloeg, zoals ik heb uitgelegd in het item over het wegkruis van Leen Douwes.4 Veel kunstenaars zetten dit voort na de oorlog, waardoor nog tot in de jaren zestig hiervan voorbeelden zijn te zien, zoals het tableau van Joep Nicolas in de Koninklijke Militaire Academie van Breda (1964). Daarnaast had je onder de glaskunstenaars de sterke invloed van Heinrich Campendonk, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, wiens invloed in naoorlogs Breda onder meer doorwerkte via het oeuvre van Marius de Leeuw, Jan Dijker en Gerrit de Morée. Zoals blijkt uit de recente vondst van een majeur werk van de laatste – het liturgisch centrum in de kerk van Prinsenbeek – zie je onder meer bij hen dat manoeuvreren met de kool en de geit tussen figuratief, decoratief of abstract.5 Collega-onderzoeker Monique Dickhaut, in 2019 gepromoveerd op het debat in de naoorlogse Limburgse kunst, wees me erop dat veel van wat als abstract gepresenteerd werd in feite decoratief was.6 Zelf viel me op dat veel van wat abstract wordt genoemd vanzelf weer figuratief wordt – of lijkt te worden – als gevolg van de spontane mimesis. Ik zal dit hieronder toelichten, maar hier kan al opgemerkt worden dat je in beide gevallen zou kunnen spreken van een ontsnappingsclausule. Dat had niet alleen met esthetische of maatschappelijke vraagstukken te maken – figuratief werd op een bepaald moment geassocieerd met het realisme van de totalitaire staten – maar ook, of liever opnieuw met de kerk.

De kerk en de kunst: figuratief, decoratief of abstract

Wie meer over de strijd van de kerk tegen de moderne kunst wil weten moet het boeiende artikel lezen van Jos Pouls, ‘Tussen Rome en Parijs’.7 Hierin bespreekt hij onder meer de reuring rond de eerste tentoonstelling over moderne kerkelijke kunst in Nederland in het Van Abbemuseum in 1951. Onder het motto dat Nederland wakker geschud moest worden, had Edy de Wilde deze overgenomen van Musee d’Art Moderne in Parijs. Dat wakker schudden lukte, want heel Nederland kwam er op af. Niemand die ook maar iets met kerkelijke kunst te maken had ontbrak. Was het dan zo schokkend wat er was te zien? Vandaag zouden we zeggen van niet – gelet op de expressionistische en kubistische signatuur – maar toen bleek het een graadmeter te zijn voor wat de Kerk (met een hoofdletter) accepteerde.

Kort en goed was er nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie van voor de oorlog, ook al was de sterke vernieuwingsbeweging vanuit Frankrijk – waarvan de bovenstaande diaserie een indruk geeft – evenmin te stuiten. Ik heb de belangrijkste jaartallen aan de hand van Pouls in een kroniek gerangschikt.8 Wat blijkt als we ze langslopen:

  • 1920 | De veroordeling van de expressionistische kruisweg van Albert Servaes (hierover vertelde ik al iets bij het wegkruis van Leen Douwes). De waardigheid van Christus was in het geding.
  • 1931 | De veroordeling van de tentoonstelling van expressionistische moderne religieuze kunst in Essen als ‘arte blasfema’: met name de vertekening en misvorming van de door God geschapen ‘werkelijkheid’, die in de visie van de kerk geïdealiseerd hoorde te worden in vorm, factuur en kleur, was onacceptabel.
  • 1946 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Pablo Picasso en Henri Matisse.
  • 1947 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: Piet Mondriaan (2.9).
  • 1947 | De encycliek Mediator Dei stelt dat ‘moderne voorstellingen en vormen niet uit vooringenomenheid mochten worden verworpen en dat kerkelijke kunstenaars vrij moesten worden gelaten’. Dit ging niet zonder mitsen en maren, want opnieuw klinkt het verzet tegen moderne kunstwerken die immers ‘misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en bovendien menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’.
  • 1947-1949 | Met het voorgaande was de toon gezet voor de strijd rond de ‘blasfemische’ kruisweg van Aad de Haas in Wahlwiller die hij tenslotte zelf verwijderde uit de kerk. Omdat hier nooit een officieel verbod op is gelegd door Rome, kon deze in tegenstelling tot die van Albert Servaes, teruggeplaatst worden.
  • 1947-1948 | De dominicanen M.A. Couturier en P. Regamey – bevriend met onder meer de filosoof Jacques Maritain en zijn netwerk van hedendaagse kunstenaars – starten in hun tijdschrift Art sacré een offensief voor de toepassing van moderne kunst in de kerk.
  • 1948 | Tentoonstelling Stedelijk Museum: De experimenteelen (Cobra) (dia 2.9).
  • 1948 | P. Régamey is als spreker aanwezig op het con­gres over ‘Nederland’s Nieuwe Kerken’ in Rotterdam, waar hij vernieuwing bepleit. Zijn lezing wordt gepubliceerd in het Katholiek Bouwblad.
  • 1948 | In het Gildeboek (een periodiek voor kerkelijke kunst) wordt verslag gedaan van het congres over moderne religieuze kunst in Parijs, opgezet door M.A. Couturier en P. Regamey.
  • 1950 | Onder invloed van Art sacré worden de eerste moderne kerken in Frankrijk gebouwd en ingericht met behulp van – deels niet-katholieke – kunstenaars. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan is Notre Dame de Toute Grâce in Assy, waar de dominicaan Couturier onder meer als glaskunstenaar bij betrokken was (dia 1.2). Hier vind je tegeltableaus van Henri Matis­se (dia 1.7) en Marc Chagall (dia 1.4), glazen van onder meer Georges Rouault (dia 1.3) en een bijzonder crucifix van Germaine Richier (dia 1.6). De voorgevel is gesierd met een reusachtig mozaïek van Fernand Léger (dia 1.1). Een ander voorbeeld in dit medium komen we tegen aan de binnenkant en dat is van een kunstenaar die ook in Breda heeft gewerkt: Théodore Stravinsky (dia 1.5). Als we de monumentale kunst in deze kerk onder een stilistische noemer willen samenvatten, dan is het expressionisme, en wel in een vorm die voor de oorlog al gangbaar was. Wat dat betreft hoeft alleen gewezen te worden op George Raoult, van wie werk opgenomen is in het toonaangevende naslagwerk van de kunsthandelaar Clemens Meuleman – Hedendaagsche religieuse kunst – uit 1936.
  • 1950 | Recensie in Limburgsch Dagblad van de tentoonstelling van ‘moderne Franse religieuze kunst in het Palazzetto Venezia’ te Rome, ‘welker welsprekende woordvoerder, de Dominicaner pater Pie Régamey is’: met onder meer werk van Marc Chagall, Alfred Manessier (dia’s 2.4 en 2.8). Henri Matisse, Georges Raoult en Georges Braque. De recensent verwijst onder andere naar Jacques Maritain en meent: ‘ook deze expositie herbergt haar deformaties, haar extremiteiten’, maar het zijn er relatief weinig.
  • 1951-1955 | In een van de meest progressieve bisdommen van Frankrijk, Besançon, kwam hèt icoon van de moderne kerkbouw tot stand: Notre-Dame-du­-Haut in Ronchamp van Le Corbusier (dia 2.2). Hij ontwierp zowel het gebouw als de monochrome glazen die hij zelf gebrand zou hebben.
  • 1951 | Tentoonstelling ‘Moderne religieuze kunst uit Frankrijk’ in het Van Abbe­museum in Eindhoven met een sterke expressionistische nadruk. De reacties varieerden van uitgesproken positief tot negatief. Apart is de vaak positieve aandacht die Alfred Manessier(dia’s 2.4 en 2.8) krijgt die als een van de weinigen met haast volledig abstracte doeken aanwezig is. Hij past bij uitstek in de visie van Couturier en Regamey dat met name de abstracte kunst goed ingezet kon worden om het religieuze ‘binnenleven’ uit te drukken.
  • 1950-1953 | Reactie Vaticaan: veroordelingen, anti-modernistische richtlijnen en verplaatsing kunstvoorwerpen. Casus: crucifix van Germaine Richter werd verwijderd uit de kerk van Assy (dia 1.6).
  • 1951-1955 | Katholieke kunstenaars en hun organisaties omarmen het voorbeeld uit Frankrijk. Exponenten in Nederland zijn onder meer de glaskunstenaar Daan Wildschut (dia 2.5) en beeldhouwer Nic Tummers (dia 2.6).
  • 1957-1958 | Omslag in het Vaticaan met de bedevaartkerk Madonna della Lacrime in Syracuse (Italië) in een futuristische kegelvorm uit gewapend beton (1957) (dia 2.7). Voorts werd het semi-abstracte werk ‘Doornenkroon’ van Alfred Manessier uit 1954 door de kerk in 1958 bekroond (dia 2.8).
  • 1962-1965 | Tweede Vaticaans Concilie.

Ik zou de lijst nog wel wat verder kunnen uitbreiden, maar dit is voldoende om te begrijpen waarom datgene wat we standaard als het gevolg van Vaticanum II karakteriseren, vaak al enige jaren ouder is, terwijl opnieuw duidelijk is dat de uitgesproken en dramatische versie van het expressionisme na de oorlog niet alleen opnieuw ‘modern’ was, maar onveranderd de gebeten hond bleef van Rome. Dit kan een extra aansporing zijn geweest voor al die kunstenaars om vast te houden aan de barokke variant die na 1931 tot ontwikkeling kwam, zoals Leen Douwes en Jacob Ydema.9 Tegelijkertijd valt op dat maar weinig artiesten zich aan de abstracte kunst waagden, zelfs al was deze door de twee dominicaner pioniers gepromoveerd tot volwaardig medium voor de uitdrukking van kerkelijke kunst en religieuze gevoelens. Een van de weinigen die daarin heel ver ging was Alfred Manessier die hier voor de oorlog al mee experimenteerde. Zijn werk geeft aan dat het de mannen van Ars sacré ook echt te doen was om abstract in de zin van optimaal non-figuratief.

Mimesis trouvé

De goede verstaander hoort het al: optimaal non-figuratief. Waarom ik deze nuance introduceer? Omdat het bijna ondoenlijk is pure abstracte kunst te maken. Óf het werk gaat in de richting van de geometrische abstractie, waarbij al snel een decoratieve boventoon doorklinkt. Óf de lijnen en vlakken hergroeperen zich in onze ogen tot herkenbare vormen: de spontane mimesis of mimesis trouvé die vaak geassocieerd wordt met Leonardo Da Vinci. Hij beschreef als eerste (?) hoe zich uit de wolken en – minder romantisch – bevlekte en vol gespogen muren figuren losmaakten.10 De moraal van het verhaal is duidelijk: het menselijk oog kan zichzelf niet beletten om in de chaos van vormen het herkenbare naar voren te halen en de meest elementaire daarvan zien we bij de vroegste tekeningen van ieder kind: de kopvoeters die Cobra tot een artistiek leidmotief maakten (dia 2.9).

Wat het met onze waarneming doet valt goed te illustreren aan de hand van het ‘moderne’ hoogaltaar van de heilig Hartkerk in Breda (dia 2.10). Toen het onder invloed van Vaticanum II regel werd om de mis te vieren met het gezicht naar het kerkvolk toe, was een nieuw hoogaltaar nodig. Het bestaat uit een tombe en altaarblad uit natuursteen met een zeer eenvoudige, maar weloverwogen ornamentiek. De inkepingen in de mensa suggereren stenen plooien. Op de tombe is het kruis in het midden het enige herkenbare embleem dat omringd wordt door omhooggaande, ‘zittende’ lijnen die vanuit de mimesis trouvé geïnterpreteerd kunnen worden als gelovigen rondom Christus. Het is duidelijk een van die voorbeelden waarbij de kerkelijke kunst de zwenking naar het abstracte maakt, maar wel op die manier dat het ook als decoratief geïnterpreteerd kan worden, zodat het geen aanstoot zou geven. Tegelijkertijd wordt de spontane mimesis geprikkeld die tot een figuratieve beleving leidt.

Toets: de Fatimakerk in Weert

In dit verband is het interessant om een uitstapje te maken naar Weert, naar de Fatimakerk van Pierre Weegels (1953) (dia 2.1). Hier ontwierp Hugo Brouwer in 1959 – naar verluidt – de eerste abstracte ramen voor een kerk, nadat Charles Eyck in 1957 zijn grote Fatimaraam boven de orgeltribune zag geplaatst. Dit laatste oogt als een explosie van wervelende zonnen die het centrum vormen van uitschietende vleugels van kleur, waarin de futuristisch beïnvloede zaagtandlijnen voor nog meer snelheid zorgen. Te midden van deze nagenoeg volledig abstracte dynamiek bewegen zich enkele figuren als dragers van het verhaal. De uitdrukking van dit machtige gebeuren gaf de kunstenaar een – mogelijk ook in zijn ogen – legitieme gelegenheid om over de grenzen van zijn figuratieve idioom te kijken. En een sterke expressionistische flair is het resultaat.

Wanneer Hugo Brouwer een paar jaar later, in 1959, opdracht krijgt voor de beglazing van het schip kiest hij voor een heel andere route dan Charles Eyck. Ze hebben dan al eerder aan een project gewerkt: de Catharinakerk van Pierre J.H. Cuypers te Eindhoven, waar door het oorlogsgeweld alle glazen verdwenen waren.11 Eyck heet daar onder meer abstracte roosvensters ontworpen te hebben, maar die zijn nu net bij uitstek decoratief en borduren voort op de geometrische ontwerpmethode waarin de generatie van Joseph Cuypers zo sterk was (dia 2.11). De twee voorbeelden van Charles Eyck vormen een pittig contrast met het werk van Brouwer. In de Fatimakerk ontwierp de kunstenaar liefst twee maal vijf ramen in de lichtbeuk van het schip en twee in die van de apsis, terwijl hij voorts op het niveau van de zijbeuk verschillende medaillons met glas bezette. Hij koos hierbij voor een wisselend palet in verschillende combinaties, waarbij vooral de optische kwaliteit van het gekleurde glas werd benut, met naast elkaar geplaatst vlakken van gelijke kwaliteit. Grisaille werd achterwege gelaten om plastische suggesties van schaduwen te vermijden (dia’s 2.14-2.17).

Opzet was om het lineaire, tweedimensionale karakter van het ontwerp optimaal tot uitdrukking te laten komen. Daardoor wordt ook het decoratieve karakter van dit werk bepaald. De vernieuwing ligt in de stap die Brouwer vervolgens zet. Hij laat zich inspireren door het idioom van toonaangevende kunstenaars uit de Parijse scene om vervolgens met eigen oplossingen te komen. Het is fascinerend hoe hij omgaat met de surrealistische beeldtaal van Joan Miró (dia 2.12). Maar de meest veelzijdige invloed die hij ondergaat is die van Pablo Picasso (dia 2.13). Zo ontstonden ramen, waarin het motief van de stromende lijnen van Miró of Matisse is overgenomen. Hiertussen zijn basale geometrische figuren gevlochten die je bij Miró als geïsoleerde schema’s tegenkomt, ieder met hun eigen archetypische lading. Brouwer heeft duidelijk een voorkeur voor cirkels, driehoeken en ellipsen (dia 2.14). De invloed van Picasso herken je onder meer in een raam, waar uit de lijnen en gesloten omtrekken een grotendeels naakte, gedeformeerde vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Hierbij wordt duidelijk ingespeeld op de mimesis trouvé. Dat gaat nog sterker op voor een van de andere glazen, waarin je een soort geabstraheerde, zij het geheel geklede Venus van Milo kunt herkennen. Iconografisch zou je die twee kunnen herleiden tot Eva en Maria of Judith (dia 2.15). Of dat correct is vraagt om een ander type onderzoek.

Behalve de twee vrouwenfiguren zijn er ook enkele dieren te herkennen, evangelistensymbolen nog wel: de vogel (adelaar) van Johannes, de stier van Lucas en de leeuw van Marcus (dia 2.16). Met elkaar maken ze deel uit van een oeuvre waarin de mimesis trouvé voor een groot deel is losgelaten en het decoratieve karakter van de abstracte kunst weer naar voren treedt. Wat bij dit segment opvalt, is de – vermoedelijke – toepassing van het automatische handschrift dat zich vaak uit in enkele alles verbindende lijnen (dia 2.17).12 Hoewel op dit gebied nog veel vergelijkend onderzoek gedaan moet worden, is het wel duidelijk dat Hugo Brouwer een bijzondere prestatie heeft neergezet in Weert, waarbij een serieuze stap is gezet om de eigentijdse abstracte beeldtaal te implementeren in de kerkelijke kunst.

Bernadette van Hellenberg Hubar

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Bronnen

De * in bovenstaande tekst verwijst naar de volgende bronnen, samengesteld met behulp van Zotero.

  1. Hubar, Bernadette van Hellenberg. Monumentale kerkelijke schilderkunst (1890-1980). Onder redactie van Marij Coenen en Bernice Crijns. Brochures Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Amersfoort: RCE, 2019. bit.ly/2TSEmyu-VanHH2Org.
  2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “De kerk als buit”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2g4EuZd. Deze mirror is samengesteld uit:
    1. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Spolia”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2f4Bvkq; en: 
    2. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “Uitmonstering”. if then is now, 2016. http://bit.ly/2dPFUas.
  3. Positieve uitzondering is onder meer Kuipéri, Judith. “Kerkelijke kunst”. Jan Dijker 1913-1993, 2013. http://bit.ly/2dewvZu. Voorts het hierna geciteerde werk van Jos Poels.
  4. Over het barokke expressionisme zie: Hubar, van Hellenberg, Bernadette, Angélique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013, pp. 379-385. Voorts Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Het expressionistische wegkruis van Leen Douwes in vakblad Vitruvius”. VanHellenbergHubar.org (blog), 20 december 2017. http://bit.ly/2B6AMYg-Vitruvius.
  5. Hubar, van Hellenberg, Bernadette. “#KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters.” Ohé en Laak, 2017. Dit project werd uitgevoerd in nauwe samenwerking met Marjanne Statema. Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Voor en na Vaticanum II in Prinsenbeek (1963)”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2016. http://bit.ly/2fVUrAz. De vondst staat op naam van Door Jelsma
  6. Dickhaut, Monique F.A. Arcadië voorbij: het Limburgse kunstdebat in de wederopbouwperiode (1945-1965). Nijmegen: Vantilt, 2019.
  7. Poels, Jos. “‘Tussen Rome en Parijs’, De context van een omstreden tentoonstelling van moderne religieuze kunst in Eindhoven (1951).” Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 11 (2002): 129–54.
  8. De kroniek aan de hand van Pouls is aangevuld met significante momenten, ontleend aan Jobse, Jonneke. De schilderkunst in een kritiek stadium? critici in debat over realisme en abstractie in een tijd van wederopbouw en Koude Oorlog: 1945-1960. Kunstkritiek in Nederland 1885-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2014.
  9. Zie voor Leen Douwes noot 4. Voor Ydema zie Hubar, De genade van de steiger, pp. afb. 2, afb. 388, afb. 389, afb. 391, 13, 16-17, 21, 171, 381, 388, 456, 458-460, 463, 465.
  10. Beyst, Stefan. “‘Mimesis: herwaardering van een schijnbaar onbruikbaar geworden concept’.” D-sites. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2dvXY6K.
  11. Zie de volgende bronnen:
    1. “Fatima Huis Historie”. Fatima Huis. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZjrqE.
    2. Reliwiki. “Weert, Coenraad Abelsstraat 31a – Onbevlekt Hart van Maria – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZc1nb.
    3. Thoben, Peter. “De ramen van de St.Catharinakerk – De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven”. Geraadpleegd 26 december 2016. http://bit.ly/2ixF16t.
    4. Brouwer, Jos, Sybrand Zijlstra, en Hugo Brouwer. Hugo Brouwer. Eindhoven: (Z)OO producties, 2013. 
  12. “Surrealisme”. Het modernisme (blog), t.p.q. 2013. http://bit.ly/2jZx2Ue.
  13. Reliwiki. “Tilburg, Ringbaan West 300 – Margarita Maria Alacoque – Reliwiki”. Geraadpleegd 3 januari 2017. http://bit.ly/2iZ5sRw.


Jan Dijker, glazen apsis Margarita Maria Alacoquekerk, Ringbaan West 300, Tilburg. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.
Jan Dijker, De abstract-decoratieve glazen in de apsis van de Margarita Maria Alacoquekerk aan de Ringbaan West te Tilburg dateren van 1961.13 Ik heb hier veel herinneringen liggen, omdat dit mijn parochiekerk was. Foto Reliwiki/Anton van Daal 2002.

_________

Versies van dit artikel

  • De versie van dit webartikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’, op: Vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/2folRjT (2016). Op deze site is het zowel geplaatst in het hoofdstuk #kerkverhalen als – door middel van een doorverwijzing – op #glas. Het is op 31 augustus 2019 bijgewerkt, onder meer naar aanleiding van de spectaculaire vondst van de kunstenaar van het monumentale liturgisch centrum van de kerk van Prinsenbeek, te weten Gerrit de Morée, door Door Jelsma.
  • Het item is in de oorspronkelijke vorm ook te vinden op het platform ifthenisnow.eu: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “#Kerkverhalen | Figuratief, decoratief of abstract?” if then is now, 2016-2017. http://bit.ly/2iA2yq2.
  • Tenslotte is het later enigszins aangepast analoog gepubliceerd als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 10 (2017): 10–15. http://bit.ly/2BI1Hgq-Vitruvius

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2folRjT

Terug naar de hoofdpagina #Kerkverhalen!
Terug naar de hoofdpagina #Glas!

Erfgoedzorg in de States

Sociale media hebben de naam vluchtig te zijn. Hoewel dat niet helemaal ontkend kan worden, valt me op dat in de erfgoedsector toch heel wat nieuws passeert dat allerminst vluchtig is en af en toe best om reflectie vraagt. Van een van die berichten – over monumentenzorg in de States, dat ik een paar jaar terug deelde – verbaast het me nog steeds dat er destijds zo weinig reactie op gekomen is:

Erfgoedzorg in de States is bepaald geen alledaags onderwerp, dus dat zou op enige nieuwsgierigheid mogen rekenen. Mij raakte het onderwerp vooral, omdat Amerikanen zelf beweren nauwelijks gestolde geschiedenis te hebben. Het idee om gebouwen, stedenbouwkundige structuren of landschappelijke ensembles als getuigen van het verleden te behouden zou daar veel minder diep geworteld zijn dan hier. Of dat beeld natiebreed van toepassing is, weet ik niet, maar wie een kijkje neemt op de site van de Cultural Heritage Commission van Los Angeles, zal aangenaam verrast worden. Men is al ruim een halve eeuw actief en beschikte al in 1962 – het jaar van onze eerste monumentenwet! – over een ‘Cultural Heritage Ordinance’. Zoals ze zelf trots vertellen: ‘Los Angeles’ ordinance was one of the earliest pieces of historic preservation legislation in a major urban center, predating by three years the 1965 passage of New York City’s renowned Landmarks Preservation Law’.*

Postwar | Wederopbouw

Dat is echter niet het enige dat me aan deze post op Hyperallergic intrigeerde: bij de ‘Googie style’, waarin dit ‘landmark’ is ontworpen, gaat het ook nog eens om een categorie die in Nederland als wederopbouwarchitectuur wordt betiteld. Misschien is het naïef van me, maar dat ze aan de andere kant van de oceaan belangstelling zouden hebben voor dit jonge erfgoed, of liever, dit type architectuur uit deze periode al als erfgoed zouden beschouwen, had ik niet verwacht. Wij zijn er al trots op dat we enkele – vooroorlogse – pompstations beschermen, maar de categorie cafetaria … O zeker, je kunt ze vinden in het monumentenregister, maar het gaat dan om latere (her)bestemmingen of, zoals bij de Diergaarde Blijdorp in Rotterdam, om een onderdeel van het tentoonstellingsgebouw ‘Rivièrahal’ dat in 1939-1941 werd gebouwd naar ontwerp van Sybold van Ravesteyn 1938).* Dus niet, zoals met de benzinestations, om ‘een autonoom bouwtype, met een eigen verschijningsvorm’.*

RCE - Tankstation Van Ravesteyn Enschede | Erfgoedzorg in de States  RCE - Van Ravesteyn Arnhem | Erfgoedzorg in de States
Links: het na-oorlogse tankstation te Enschede (1959-1961) van Sybold van Ravesteyn oogt door zijn schermgevel als een functionalistische folly. Op dit moment is het object voorbeschermd in afwachting van de definitieve aanwijzing tot rijksmonument. Foto gevonden op transisalania.blogspot.nl (2013).* Rechts: Ook dit ontwerp (1957) van Van Ravesteyn werd voor Purfina gemaakt. De evidente gemene deler met het één jaar oudere Norms is … jawel, de zaagtand. Herkomst: Beeldbank RCE 2002.


Overigens zitten bij die vroege tankstations beslist enkele pareltjes, waaronder de exemplaren die ontworpen zijn door Dudok en Van Ravesteyn. De een sterker dan de ander, dragen ze vrijwel allemaal een zakelijke, minimalistische signatuur. Met hun grote luifels en ruim beglaasde kiosken maken ze een knipoog naar het Nieuwe Bouwen uit het interbellum. Met name Van Ravesteyn wist hieraan als geen ander een speelse draai te geven, zoals in Enschede en Arnhem is te zien. Zetten we Norms daarnaast, dan vallen binnen ons Nederlandse referentiekader niet alleen de zaagtand, maar vooral de Rietveldachtige elementen en kleuren op. Het meest dominant is wel het grote ruitvormige rode vlak, dat spontaan de vraag oproept in hoeverre de vooroorlogse exercities van Theo van Doesburg in Amerika bekend waren. Vanuit Amerikaans perspectief wordt het ontwerp als volgt omschreven:

The 24-hour coffee shop was designed in 1956 by Louis Armet and Eldon Davis and is emblematic of the space-age Googie style that took hold in Southern California in the postwar years. The origin of the style’s name comes from a coffee shop designed by John Lautner in 1949. Characterized by bold geometric forms, upswept roofs, glass, steel, and neon, Googie buildings represented the optimistic futurism of the Atomic age with a dose of SoCal car culture mixed in.*

Ed Ruscha, Norms La Ciegena, on Fire, 1964. Herkomst: The Broad Art Foundation, Santa Monica.

Ed Ruscha, Norms La Ciegena, on Fire, 1964. Herkomst: The Broad Art Foundation, Santa Monica.*


Op de achtergrond hoor je Roy Orbison zingen!

Over Roy Orbson gesproken, heeft iemand toevallig de film Carol (2015) gezien? Een van de scenes daarin is opgenomen bij een Googie style wegrestaurant.

;-) B.*

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Post scriptum

Het teken * in de bovenstaande tekst staat voor de volgende informatie:

  • De informatie over de bedreigde ‘LA Googie Landmark’ is afkomstig van de site Hyperallergic.
  • Al zoekende naar meer informatie kwam ik dit boek op Amazon.com tegen: Hess, Alan. Googie: fifties coffee shop architecture. San Francisco, CA: Chronicle Books, 1986.
  • Voor de informatie over het erfgoedbeleid van Los Angeles zie de webpagina over de Cultural Heritage Commission.
  • Of het om feitelijke bescherming gaat of vrome intenties, die we in Nederland vooral kennen in verkeerd opgezette bestemmingsplannen, kan onder meer afgeleid worden uit het volgende stuk van de Cultural Heritage CommissionTop Ten Myths inzake erfgoedbehoud.
  • De afbeelding van het kunstwerk van Ed Ruscha is ontleend aan www.thebroad.org. Voor meer informatie over dit werk surf naar Norms La Ciegena of naar hetzelfde item op Evernote.
  • Voor beschermde pompstations, tankstations, benzinestations levert de zoekterm ‘benzine’ in het monumentenregister on line van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de volgende treffers: NijmegenDiemen, Breda, Den Bosch (tweemaal), Groningen en Enschede. Behalve de laatste gaat het om vooroorlogse artefacten. Met de zoekterm ‘tankstation’ kun je terecht op de beeldbank van de RCE, waar ook enkele naoorlogse, nog niet beschermde exemplaren te vinden zijn.
  • Voor de rol van Sybold van Ravesteyn bij de Diergaarde Blijdorp volg deze link. Zie ook de beschrijving in het monumentenregister on line van de RCE.
  • Een mooi overzicht van tankstations en relevante informatie is te vinden op: Johan Grootveld, ‘Volgooien maar, tanken vroeger en nu’, op: grootveld.net (2008). Aan deze site is ook de mooie formulering van ‘een autonoom bouwtype, met een eigen verschijningsvorm’ ontleend. Wat betreft authentieke voorbeelden, zie voorts de collectie op http://www.flickriver.com/photos/tags/benzinestation/interesting.
  • De foto van het tankstation van Van Ravesteyn te Enschede is gevonden op de site van Transisalania, waar als herkomst de RCE staat vermeld. Deze foto was echter op de beeldbank niet te vinden. Over dit ontwerp verscheen een artikel van de hand van M.S. Verweij, ‘Glanerbrug, een benzinestation naar ontwerp van ir S. van Ravesteyn’, in: Jaarboek Monumentenzorg 1999, pp. 159-167, on line via DBNL.
  • Voor Roy Orbison zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Roy_Orbison. Een grote collectie van zijn songs is te vinden op Youtube.
  • De film Carol van regisseur Todd Haynes is gemaakt met Cate Blanchett en Rooney Mara als hoofdrolspelers. Phyllis Nagy baseerde haar scenario op het deels autobiografische boek The Price of Salt van Patricia Highsmith uit 1952. Het is een fascinerende film over een destijds onacceptabele liefde, die een prachtig beeld geeft van het Amerika van de jaren ’50. Je kunt hem tegenwoordig huren via Youtube. Voor meer informatie volg deze link.
  • Mochten de URL’s verloren gaan, de belangrijkste stukken zijn opgenomen in Evernote.

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Erfgoedzorg in de States”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2015. http://bit.ly/1klLJLU-VanHH2Org.

De verkorte link van dit item is http://wp.me/p4eh3s-1lD | http://bit.ly/1klLJLU-VanHH2Org

Van mij voor jou …

Van mij voor jou — Het is altijd leuk om iets weg te geven: aan mensen die je zijn gaan volgen via de sociale media of iemand die je net hebt leren kennen of zomaar …

Omslag historische novelle 'Se non è vero'. Klik op het plaatje om te vergroten (bvhh.nu 2008). Omslag historische novelle 'Het labyrint''. Klik op het plaatje om te vergroten (bvhh.nu 2007). Tussen Gabriel en Michael. De schilderingen naar Kees Dunselman in de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam. Rotterdam: HH. Laurentius & Elisabethparochie, 2018.

Vandaar deze keur aan mooiste dingen die de afgelopen decennia zijn gemaakt, fact and fiction naast elkaar:

  • Het labyrint, Fanfiction gewijd aan Pierre J.H. Cuypers en opgedragen aan Wies van Leeuwen, Ohé en Laak 2007. Als je al zo lang met iemand als Cuypers bezig bent, is het heel verfrissend om af en toe je fantasie de vrije loop te laten. Vandaar deze historische novelle die Bernadette opdroeg aan haar vriend en vakgenoot Wies van Leeuwen bij gelegenheid van het verschijnen van zijn Cuypersbiografie.
  • E kas blou / Het blauwe huis, gedichten op locatie met reisimpressies, Curaçao 2011. Mateloos genieten van ‘n stukje Caribisch ‘Nederland’. Dit kun je mooi door bladeren via Issuu.
  • Sur place, Roermond in dertien beeldgedichten (2010-2011), met Annelei Engelberts. Hoe je een historische stad door twee poëtische brillen kunt bekijken. Alweer iets om mooi door te bladeren met Issuu of om op te zoeken tussen de andere beeldgedichten op http://bit.ly/Gedichten4all.
  • Se non è vero, Fanfiction gewijd aan Nenny Alberdingk Thijm, Ohé en Laak 2008. Het was heel plezierig om de vrouw achter Cuypers op een wat vrije manier tot leven te brengen. Net als Het labyrint speelde deze historische novelle een rol in de Cuyperscode.
  • De muziek van het licht, Cuypers’ polychromie, Res nova, Ohé en Laak 2007. Ooit geweten dat Cuypers zeer waarschijnlijk synesthesie had? Dat lees je in deze studie, waarin ook de kleuren van het Rijksmuseum aan de orde komen. Het stuk verkeert nog steeds in de conceptfase en dat is maar goed ook, want sinds we met de nieuwe Bavo van Joseph Cuypers bezig zijn geweest, zijn er heel wat nieuwe inzichten naar voren gekomen.* 
  • Het poepende mannetje‘ over een bijzonder beeld aan de buitenkant van de nieuwe Bavo inVitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals, 10, nummer 40 (2017). Wat betekent zo’n geuzennaam en wat stond Joseph Cuypers voor ogen?
  • Wat dacht je van het laatste E-boek, Tussen Gabriel en Michael (onder deze link)? Wat heeft Rotterdam toch een prachtige kathedraal en wanneer wordt die nu opgenomen in het Grootste Museum van Nederland!
  • Het belangrijkste project waar we op dit moment mee bezig zijn, betreft de Joseph Cuypers Collectie. Om de potenties daarvan te beoordelen heb ik voor De Spiegel van Roermond (2017) een assessment geschreven, dat je onder deze link kunt bekijken: http://bit.ly/JoCuy-Spiegel

Blader er maar eens doorheen en neem wat van je gading is.

Wil je meer weten over mij en mijn vennoot Marij Coenen? Kijk dan eens bij het persoonlijke verhaal van B & M.

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  • Meer weten? Surf naar de projectpagina op deze site.
  • Af en toe moet je schonen in de selectie. Daardoor kwam dit item op de parkeerplaats terecht: ‘Retort in het borgingsproces, De erfgoedSWOT© en de Wederopbouwkernkwaliteiten in de AMvB Ruimte’, in: Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 4, nummer 13 (2010), pp. 16-21 en 5, nummer 14 (2011), pp.18-25. Wederopbouw is hot, maar er is wel heel veel van. In dit artikel zit een handreiking voor een selectiemethode. Speciaal voor lezers die van abstract denkwerk houden.
  • Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH4U