Piet Gerrits in Tilburg

Piet Gerrits Tilburg | Open Kerkendag Brabant 2017. Collage bvhh.nu 2017

Een van de gebouwen die open was tijdens de eerste Open Kerkendag Brabant op 26 november 2017 was de Gerardus Majella in Tilburg. Een apart ontwerp van Joseph Cuypers (waarschijnlijk in samenwerking met zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers), uitgemonsterd met schilderingen en mozaïeken van Piet Gerrits. Waarom die zo bijzonder zijn vertel ik hieronder in een stuk, ontleend aan mijn boek De genade van de steiger:

Uit paragraaf 5.8.3 | Gerardus Majellakerk in Tilburg

In 1922 raakte Piet Gerrits betrokken bij de uitmonstering van de Gerardus Majellakerk in Tilburg, waarover de architect, Joseph Cuypers, in een krantenartikel schreef:

  • ‘Zeer gelukkig is in dit verband te noemen de keuze van pastoor Verschure die den kunstenaar en oud-stadgenoot Piet Gerrits, der H. Landstichting de leiding aanbood voor de meubileering en versiering der kerk, nu of later te voltooien. Juist zijn buitengewone kennis der Byzantijnsche kunst — de bakermat onzer kerkelijke kunst— zijn fijn en veel omvattend talent, zijn karaktervolle doch eenvoudige echt christelijke stijl, zullen dit nieuwe Huis Gods maken tot een heerlijk en devoot huis des gebeds.’[253]

In 1933, enkele jaren na de Cenakelkerk, waren de schilderingen klaar (afb. 187a-c). Bij een vergelijking van de twee cycli in Tilburg met de decoraties van de Heilig Landstichting valt als eerste op dat het Beuroner getinte werk vooral in mozaïek is uitgevoerd, in het heilige der heilige van de kerk, terwijl de verhalende voorstellingen boven de arcade, in de lichtbeuk van het schip geschilderd zijn. Dat de taferelen in een krantenartikel worden aangeduid als fresco’s duidt eerder op ingesleten taalgebruik dan op een correcte aanduiding van de techniek. Mede gelet op de matte toon heeft Gerrits hier zeer waarschijnlijk keimverf gebruikt, waarmee hij in 1929, dus eveneens in die tijd, ervaring opdeed in de Gerardus Majellakerk in Den Haag, ontworpen door Jan Stuyt.[254] De recensent van de Nieuwe Tilburgsche Courant was erg onder de indruk van de ‘diepe kennis van het H. Land en het oude en Nieuwe Testament’ die Gerrits in zijn uitmonstering tentoonspreidde: ‘Het is een Evangelie van lijn en kleur, waarbij de aandachtige beschouwer ziet wat hij vroeger gelezen en gehoord heeft’.[255] En dat is precies wat het werk zo bijzonder maakt.

Geen kunstenaar heeft zo systematisch als Piet Gerrits de episodes en lessen in beeld gebracht van het openbare leven van Jezus, waarin deze zich strijdbaar opstelde tegenover het vastgeroeste joodse geloof van het oude verbond. Het belang van de parabels hierbij komt in de Tilburgse schilderingen prachtig tot uitdrukking. Met korte teksten in het Nederlands worden telkens kernzinnen uit de bijbelse verhalen aangehaald, waardoor de boodschap van Christus nog sterker wordt ingeprent. De voorstellingen zijn in een vlotte stijl geschilderd, waarbij achtergrond en kostumering volledig zijn afgestemd op wat Gerrits in het Heilige Land had bestudeerd. Leerlingen, tollenaars, deugdzame en berouwvolle vrouwen, schriftgeleerden en farizeeën, ze zijn allemaal weergegeven als bedoeïenen, terwijl door middel van architectuurdetails, interieuropnames, rotsformaties en planten een beeld van het Palestina van het begin van de jaartelling wordt opgeroepen. Hier is de historieschilder aan het woord die de toeschouwer van de bijbelse wijsheid wil overtuigen. Hoewel de recensent meent dat de kleurstelling met de bruine hoofdtoon is aangepast aan de architectuur, lijkt Gerrits met deze aardse tinten met name de associatie met het Heilige Land te versterken. De afstemming op de architectuur wordt vooral bereikt door de indeling van de taferelen: ze lijken als een doorlopende reeks naadloos in elkaar over te vloeien, maar houden ondertussen het ritme aan van de korbelen van de kapconstructie en de zwikken van de bogen. Vooral bij de laatste toont Gerrits een grote vaardigheid op het gebied van compositie: hij gebruikt ze als een verlaagd podium voor zijn scènes, die door hun aparte positionering – als driekwart ruitvormig inzetje – de blik vangen.

Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, De parabel van Lazarus en de rijke vrek. Cyclus in de Gerardus Majellakerk, ontworpen door Joseph Cuypers, te Tilburg. Herkomst: RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Hier zien we Lazarus zitten tussen de honden; de beroofde en mishandelde Jood die door de meest verachtelijke van zijn geloofsgenoten, de barmhartige Samaritaan, wordt geholpen; de overspelige vrouw; het verdwaalde schaap en Maria Magdalena die de voeten van Christus wast. Voor wie gewend is aan de latere geïllustreerde kinderbijbels komt dit alles nauwelijks als revolutionair over, maar op dat moment was Gerrits de enige die op zo’n directe wijze het Nieuwe Testament voorspiegelde. Als een beeldband, een stripverhaal gelijk, kan het van de muren worden afgelezen, vooral ook vanwege de keuze voor Nederlandstalige teksten. Zelfs opgeknipt in afzonderlijke onderdelen zouden deze scènes al iconografisch een novum zijn, laat staan als doorlopende geschiedenis. Daarbij valt inhoudelijk vooral de nadruk op het menselijke karakter van dit deel van de bijbel, de kant van de eenvoud, de onvoorwaardelijke liefde en vergevingsgezindheid van Christus. Kortom, niet de straffende God waarmee de Una sancta* tijdens het interbellum het kerkvolk zo graag in het gareel hield. Voor Gerrits gold helemaal wat Van der Vliet zei: de kunstenaar moet zelf leraar zijn om de leer van Jezus te verspreiden. Met zijn laagdrempelige beeldverhalen gaf Gerrits haast een doorkijkje op wat na Vaticanum II in de kerkelijke kunst stond te gebeuren.

Het vreemde is dat het programma in de koorpartij, van de overwinnende kerk, dit idee eerder versterkt dan verzwakt: niet ondanks, maar juist dankzij de door Gerrits toegepaste Beuroner oplossingen – ‘Byzantijnsch’, zou Joseph Cuypers zeggen – lijkt hij hier vooruit te lopen op Vaticanum II (afb. 188). Op hiëratische wijze is Christus groter weergegeven dan de met hem rond de tafel zittende apostelen, terwijl Judas met zijn zak geld wegsluipt om zijn aandeel in de verlossing te bewerkstelligen. Net zoals Bach beeldde Gerrits de leerlingen ten teken van hun heiligheid vrijwel gewichtsloos, maar even kleurrijk als tweedimensionaal uit. Judas daarentegen is in wereldse dimensies neergezet met zwaar geplooide, in het aardse bruin getinte kleding. Ook hij weet dus gebruik te maken van de dichotomie die Riegl de kunstenaars had aangereikt.[256] Deze indruk wordt bevestigd door enkele kenmerken die tegelijkertijd tot de canon van Lenz kunnen worden herleid: zowel Jezus als zijn tafelgenoten zijn als non- individuele types weergegeven, zonder persoonlijke uitstraling. Op het tafelkleed na wordt iedere vorm van diepte vermeden. Wel is achter Christus’ rug als een monochroom ornament de vruchtbare druivenrank zichtbaar met elf weelderige trossen.[257] Als slotakkoord verschijnt, haast opgelost in etherische nuances, Maria als Moeder Gods. De manier waarop ze is gepositioneerd met haar mantel die uitwaaiert in een gelijkzijdige driehoek, verraadt de Beuroner getinte invloed van Toorop.

Wat iconografisch het meest frappeert, is de prominente verwijzing in woord en beeld naar de wijnstok uit het evangelie van Johannes die in het interbellum verder alleen bij Joep Nicolas in de Agneskerk te Amsterdam (1937) is te vinden (zie afb. 319). Sowieso is een laatste avondmaal op deze plaats niet standaard. Meestal komt dit onderwerp voor op de oostelijke transeptwanden of in de koortravee. Het enige andere bekende voorbeeld is het werk van Jan Dunselman in de kathedraal van Rotterdam. Vrijwel steeds wordt dan in de kalligrafie gerefereerd aan het hoogtepunt van de consecratie, zoals te zien viel bij het laatste avondmaal van Kees Dunselman in de Obrechtkerk. Piet Gerrits combineerde echter het moment van de instelling van de eucharistie met de metafoor van de wijnstok, waarmee nogmaals werd benadrukt hoe God en mens een symbiotische vereniging aangaan. Niet de geslachtofferde God, maar de liefdevolle God die het moment van de kruisdood haast voorbij kijkt, staat hier centraal. Vooral dit accent lijkt zijn licht vooruit te werpen. Men hoeft maar te denken aan het kerkelijk lied van de post-Vaticaan II dichter Huub Oosterhuis uit 1964:

  • ‘Ik ben de Wijnstok, Mijn Vader de Wijngaardenier
    Gij zijt de ranken, dus blijf in Mij, Ik blijf in u
    Dan vindt gij vruchten hier.’

Tegen de tijd dat dit lied in de kerken zou worden gezongen, werd ook op de muren een andere toon aangeslagen, zoals Kees Mandos in de Antoniuskerk in dezelfde stad laat zien (1958) (afb. 189). In een vertrouwde iconografie worden op tekenachtige wijze figuren gegroepeerd die alleen door het typologiseren van de koppen en de stilering nog iets van Beuron uitdragen. Voor het overige is er de adem van het expressionisme over heen gegaan, die opvallend genoeg het werk van Gerrits vrijwel geheel onberoerd heeft gelaten.

Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).
Piet Gerrits, Apsismozaïek met het Laatste Avondmaal. Cyclus in de Gerardus Majellakerk in Tilburg. Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder (2011).

Naschrift

Tot zover het fragment uit De genade van de steiger. Meer lezen? Kijk dan of je het boek tweedehands kunt kopen, want bij de Walburg Pers is het uitverkocht.

Het zou fijn zijn als je dit dit artikel wilt delen of mailen. Dat kun je doen via de knop delen aan het einde van deze pagina (gebruik de hashtag #GvdSteiger).

;-) B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!

← Terug naar De genade van de steiger!

Bronnen

Bovenstaand stuk is paragraaf 5.8.3 uit De genade van de steiger, pp. 241-244. In de voetnoten staan verkorte titels die volledig zijn aangehaald in de bibliografie van het boek dat inmiddels echter uitverkocht is. De oorspronkelijke aankondiging op de site van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed was als volgt (met dank aan de Way back Machine van Archive.org). Deze pagina is echter verwijderd, toen het boek was uitverkocht en zou toen plaats hebben moeten maken voor de aankondiging van de uitgave online. Dat is nog altijd niet gebeurd en – om de sfeer van het boek te blijven – daar mag wel een monumentale engel bij in de trant van de heerscharen die Piet Gerrits in de Cenakelkerk in mozaïek vereeuwigde.

Toelichting op enkele namen en begrippen:

  • de Una sancta (de Ene of Enige heilige): dit begrip heb ik in De genade van de steiger geïntroduceerd als synoniem van de kerk of R.K. Kerk, omdat deze twee woorden/begrippen anders wel heel vaak zouden voorkomen. Una sancta is ontleend aan het credo of de geloofsbelijdenis en slaat op ‘de ene heilige katholieke en apostolische kerk’ (et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam). Zoals ik het gebruik gaat het niet alleen om de oorspronkelijke trotse overtuiging van het credo, maar ook om de onverzettelijkheid van de katholieke kerk jegens onafhankelijk denkende figuren binnen de eigen gelederen.  En laten dat nu vaak kunstenaars en kunstcritici zijn. De grens tussen trots en zelfgenoegzaamheid werd en wordt door de clerus vaak overschreden en meestal ten koste van de leken.
  • Van der Vliet: (volgt)
  • Bach is niet de componist, maar de kerkschilder F.H. Bach, wiens werk in de vroegere Juvenaatskapel van Maastricht in De genade van de steiger behandeld wordt.
  • Riegls dichotomie: (volgt)

Noten:

  • [253]    KB krantenbank (tegenwoordige beter bekend als www.Delpher.nl), zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1922).
  • [254]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Gerarduskerk (Het Vaderland, 1929).
  • [256]    KB krantenbank, zoektermen: Piet Gerrits Majella (Nieuwe Tilburgsche Courant 1933).
  • [257]    Zie paragraaf 5.6.3 Aardse en hemelse stijl: Riegls dichotomie.
  • [258]    Nieuwbarn, Kerkgebouw, p. 90.

Dit item is ook te vinden in de rubriek #Kerkverhalen van www.ifthenisnow.eu. Kijk ook eens op http://bit.ly/ITIN-Kerkverhalen.

De verkorte link van dit item is: http://bit.ly/2iQLE5t

Daar schoten drie stralen dooreen …

Daar schoten drie stralen dooreen — Hoe een oeroud kerstliedje in 1852 werd gered en gerestaureerd door de gebroeders Joseph en Lambert Alberdingk Thijm.

J.A. Alberdingk Thijm portret en profile (in de vierpas staan met de klok mee de woorden: godsdienst, kunst, vaderland en taal). Het portret is tegenwoordig te bewonderen in Museum Cuypershuis te Roermond. Herkomst: KDC Nijmegen.

J.A. Alberdingk Thijm portret en profile (in de vierpas staan met de klok mee de woorden: godsdienst, kunst, vaderland en taal). Het portret is tegenwoordig te bewonderen in Museum Cuypershuis te Roermond. Herkomst: KDC Nijmegen.

We zijn er zo langzamerhand wel aan gewend dat er binnen de katholieke kerk merkwaardige dingen gebeuren; dat zaken die allang afgehandeld hadden moeten zijn – zoals voorbehoedsmiddelen, celibaat en vrouwelijke voorgangers – in een doodlopende straat liggen te verschimmelen en trivia de voorrang krijgen. Hoewel … trivia? Kun je het afschaffen van het Nederlandse kerstliedje ‘De herdertjes lagen bij nachte’ echt als iets onbenulligs afdoen? Want dat is inmiddels (in 2013) door Rome gedaan, op voordracht van de Nederlandse Raad voor Liturgie. Niet dat er een verbod op het zingen ligt, oh nee, maar niet meer in kerkelijk verband, als onderdeel van de eredienst. Is het zomaar weer de volgende publicitaire flater van klasse van de Una sancta? Het is in ieder geval een tot treurnis stemmende miskenning van eeuwenoude volksvroomheid. En daar zou de kerk nu net haar bestaansrecht aan moeten ontlenen. Dit is echter niet het enige, want er schuilt nog meer achter.

Peter Nissen merkte op Facebook op dat J.A. Alberdingk Thijm de schrijver is van dit liedje, maar dat klopt niet helemaal. Het is namelijk een oud Utrechts volksliedje waarvan de ouderdom zich verliest in de tijd. Samen met zijn jong gestorven broer, de componist, musicus en musicoloog Lambert, heeft Thijm in 1852 teksten en partituren van dit soort oude kerstliedjes verzameld en uitgegeven. Wat dat voor een karwei is geweest, blijkt wel uit zijn beschrijving:

‘Had het eenige zwarigheden, om de beste texten dier liederen op te sporen, welke in hunne voormalige populariteit. zelve een waarborg hunner inderdaad onmiskenbare epische of lyrische kracht aanboden, het was ongelijk moeilijker de melodiën der meeste machtig te worden. Nu eens moesten er oude organisten of begijntjens, dan eens bedelaarskinderen van de straat, wijd en zijd in verschillende streken verspreide zangers en zangeressen, in den arm worden genomen, dan weêr door een doolhof van verkeerde aanwijzingen de weg gezocht in een vijftigtal van alom verzamelde handschriften en oude drukken, om te komen tot de traditioneele waarheid – dat is, om den text te doen zingen op de wijs, die er ‘van ouds bij behoorde’: om niet te spreken van de zwarigheid der overbrenging van verschillende onvolkomen noteeringen in nieuw muziekschrift, de kiesche bepaling van maatsverdeeling, waar die slechts zeer duister in het oude stuk was aangeduid en toch,. om den zang der verschillende koepletten den ongeoefenden duidelijk te maken, diende te worden vastgesteld; noch van de aanhoudende slingering der keuze tusschen het oude eigenaardige maar moeilijke of thands impopulaire en het nieuwere plattere , maar aangenamere. Bovendien, voor het letterkundig gedeelte had men den voorarbeid van vele verdienstelijke mannen; voor het muzikale was NIETS gedaan […].’

Het had dan ook heel wat werk gekost om tot publicatie van het resultaat te komen: een boekwerk dat de weidse titel kreeg van Oude en nieuwere kerstliederen benevens gezangen en liederen van andere hoogtijden en heilige dagen alsook van den advent en de vasten, gerangschikt naar de orde van het kerkelijk jaar, waaraan zijn toegevoegd eenige geestelijke liedekens van gemengden inhoud (Amsterdam 1852). De manier waarop de gebroeders Thijm dit materiaal presenteerden was niet zonder precedent: want net zoals Jozefs latere zwager, architect Pierre Cuypers, middeleeuwse kerken restaureerde en ‘voltooide’, deden zij dat met deze liedjes. Volgens de biografie over Thijm van Michel van der Plas is de tekst van De herdertjes, die slechts rudimentair bewaard was gebleven, tenslotte wel zo sterk omgewerkt dat het in zijn ogen een opus van Thijm is geworden. Met name het volgens hem weinig geslaagde couplet over de drie stralen zou geheel van de hand van Jozef zijn. Het voert te ver om daar hier op door te gaan, maar laat die tekst nu net van toepassing zijn op bepaalde thema’s die in de voorgevel van het Rijksmuseum zijn verwerkt. Hoewel Van der Plas tegen dit soort werk aankijkt als lang geleden kunsthistorici tegen de neogotiek, denkt ook hij dat zonder toedoen van de gebroeders Thijm veel verloren zou zijn gegaan.

En nu meent de Nederlandse Raad voor Liturgie in te moeten grijpen en dit stukje kerkelijk cultuurgoed te moeten verbannen. Wat me het meest prikt bij deze actie van de Una sancta, is de miskenning van het werk van een man die een van de grootste voorvechters was van het herstel van de kerkelijke hiërarchie in Nederland in 1853. Michel van der Plas stelt terecht dat het de leken zijn die dit hebben klaargespeeld, waarbij vaak opgebokst moest worden tegen de opinies van vaderlandse geestelijken en Rome. Je kunt het haast niet averechtser bedenken, noch kan het vaak genoeg verteld worden: toen betrokken families als die van Thijm hun werk eenmaal hadden gedaan, werden ze door de kerk zonder pardon van het toneel geschoven. De nieuwe kerkelijke leiders in Nederland hadden geen behoefte aan strijdbare, onafhankelijk denkende katholieken: leken wel te verstaan. Die hadden hun tijd uitgediend. Het geeft te denken!

De piano van Antoinette Alberdingk Thijm, ontworpen door Pierre J.H. Cuypers

De piano van Nenny Alberdingk Thijm was een huwelijksgeschenk van haar man, Pierre J.H. Cuypers in 1858. Op de piano staan in het rechter paneel belangrijke promotors en componisten van kerkmuziek weergegeven: tweede van rechts staat Lambert Alberdingk Thijm. Op de foto staat de piano nog waar hij hoort, namelijk in het Cuypershuis te Roermond. Tegenwoordig staat het instrument tussen de vele topstukken haast onzichtbaar opgesteld in het Rijksmuseum.

B.

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Postscriptum 2018

Vijf jaar na dato herlas ik dit stuk in de kersttijd en werd opnieuw verontwaardigd. Intussen ben ik een paar boeken verder: in 2016 verscheen De nieuwe Bavo te Haarlem en begin vorig jaar Tussen Gabriel en Michael over de kathedraal te Rotterdam.  Het blijft een ingewikkeld verhaal, de verhouding van de Una sancta – een benaming die in 2013 als synoniem voor de R.K. Kerk in De genade van de steiger introduceerde – tot de leken. Als reflectie is het zeker een artikel waard om op een rij te zetten waarom ik dat synoniem in het ene boek wel en het andere niet gebruik. Nolens volens weerspiegel ik de Januskop van de kerk: aan de ene kant een geloof vol liefde, aan de andere kant een kerk vol beklemmende dogma’s. Ik kom er op terug en daar mag je me aan houden!

Collectie Kersteindejaarsgedichten en -verhalen

Meer gedichten en verhalen lezen, die ik bij gelegenheid van Kerstmis, Oud & Nieuw en Driekoningen schreef? Pluk dan eens wat uit dit rijtje:

  • Tussen Chronos en Karos | Eindejaarsbrief 2021-2022 via deze link.
  • Het liep tegen het nieuwe jaar (2020-2021) via deze link.
  • Zalig Kerstfeest in 2019 | Rood/Colourfield via deze link.
  • 2018 Kerstmis en Nieuwjaar 2019 via deze link.
  • Tweemaal Driekoningen | Sweet memories (2016; 2018) via deze link.
  • Nieuwjaarswens op Driekoningen (2017) via deze link.
  • Kerstverhaal in de Poolse Kapel (2017) via deze link.
  • Deinend … (2009; 2017) via deze link.
  • Zalig kerstfeest allemaal! (2016) via deze link.
  • Driekoningenfeest (2016 op if then is now) onder deze link.
  • Draaiende spiralen (2015) via deze link.
  • Wat schikt het … (2015) via deze link.
  • Een ster en een kroon (2015-2016) via deze link.
  • De Kerstkapel van de nieuwe Bavo (2015) via deze link.
  • De vlam van de kosmos tegen ‘t blauw | Nieuwjaarswens 2014 via deze link.
  • Rood | Colourfield (2014) via deze link.
  • Boven de Kerstkapel (2013) via deze link.
  • Daar schoten drie stralen dooreen … (2013) via deze link.
Bronnen
  • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Arbeid en Bezieling; de esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum, Nijmegen 1997
  • Plas, Michel van der, Vader Thijm, biografie van een koopman-schrijver, Baarn 1995.
  • Thijm, J.A. en L.J.A. Alberdingk, Oude en nieuwere kerstliederen benevens gezangen en liederen van andere hoogtijden en heilige dagen alsook van den advent en de vasten, gerangschikt naar de orde van het kerkelijk jaar, waaraan zijn toegevoegd eenige geestelijke liedekens van gemengden inhoud, Amsterdam 1852.
  • Thijm, J.A. Alberdingk, Enkele trekken eener characterschets. Gedachtenis eens vroeg verloren broeders, z.p. (Amsterdam) 1855. https://bit.ly/3nTydD7-JCC: bron van het citaat hierboven en van het ontwerp voor de zerk van de familie Alberdingk Thijm.
  • www.omroepbrabant.nl d.d. 15 november 2013. Als PDF ook te vinden in http://bit.ly/Uitdelen2all.
Familiegraf Alberdingk Thijm

De dood van zijn broer Lambert was de reden voor Thijm om een grafplaat voor de familie te ontwerpen. Later werd hij zelf ook in dit graf bijgezet. Herkomst: Thijm, Enkele trekken eener characterschets (zie bronnenlijst hiervoor).

Sociale media en erfgoed

VanHellenbergHubar.Org zet sociale media in zowel om nieuws over kunst, cultuur & erfgoed te delen als om vragen te stellen en zo kennis te vergaren. Centraal hierin staat onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ onze pagina, zodat de berichten over onderwerpen als de voorgaande een nog grotere actieradius bereiken!

Verkorte links van dit item: https://bit.ly/1Ot5Tlh-VanHH2Org of VanHH.org/?p=539