Maskerade | Gedichten bij een installatie van Betteke Derix

Maskerade | Gedichten — De cyclus Maskerade kwam spontaan tot stand, toen ik in februari 2021 voor een gezamenlijke wandeling bij glaskunstenares Betteke Derix was en ze me een blik gunde op haar toen nog onvoltooide installatie in klein formaat voor de manifestatie InBeeld 2021 (thema identiteit).1 Zomaar opeens was het er: de connectie, de vonk, noem maar op. ‘Mag ik een gedicht bij dit werk schrijven’, vroeg ik haar. Haar ja mondde uit niet in één, maar drie gedichten die hieronder te zien zijn in de diapresentatie; zowel in hun geheel en als in de vorm van toepasselijke stukjes bij de afbeeldingen.

In de presentatie heb ik geprobeerd om iets van het ruimtelijke effect van de installatie over het voetlicht te brengen. Als gevolg van corona moest InBeeld2021 afzien van een fysieke tentoonstelling. Vooral de driedimensionale kunst heeft daarvan te lijden en dat geldt voor een installatie al helemaal: voor dat type kunst is de factor beweging, waardoor je het werk vanuit verschillende gezichtshoeken kunt waarnemen, essentieel. Wie beweegt laat dat wat statisch is, vanzelf meebewegen en dat maakt zo’n werk levendig. Wat Betteke Derix vanuit het ene punt zomaar bij elkaar lijkt te hebben geplaatst, ontvouwt zich op een andere plaats als een snoer van gelijkgestemde hoofden en elders weer als een dans die op beginnen staat. Overal zit interactie. Dit zorgt ervoor dat Maskerade in de meest directe zin van het woord veelzijdig is.

Zelf heeft Betteke Derix, werkzaam als rechter bij de rechtbank Limburg in Roermond, als informatie bij haar installatie het volgende doorgegeven aan de organisatie. 

  • Maten: Ongeveer 30×40 cm en 35 cm hoog.
  • Materiaal: parfumflesjes (van glas), gips, glas, metaal en verlichting.
  • Toelichting Identiteit (het thema van InBeeld 2021): Voor mij bestaat dat in dit werk uit: mijn parfumflesjes en verschillende hoofden met elk een verschillend masker/doek voor. Mijn vak: veel verschillende mensen zien, horen en beslissingen nemen. Elk heeft wel iets af te schermen. Waar moet ik doordringen, wat moet ik weten om te beslissen. Hoe weet men zich gehoord. En tegelijkertijd brengt dat ook reflectie met zich mee. Zie ik iets van mezelf terug in de weerschijn/blik van de ander. Kijkend luisteren.

De gedichten en de diapresentatie zijn als onderdeel van de installatie door InBeeld 2021 op de webpagina met de inzending van de ECI-Cultuurfabriek geplaatst.2 Ik voel me vereerd dat Betteke mijn naam aan haar kunstwerk heeft toegevoegd. 

;-) Bernadette

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen
  1. InBeeld 2021 staat voor de prijs voor de beeldende amateurkunst in Nederlands- en Belgisch-Limburg. Voor de Nederlandse provincie Limburg wordt deze manifestatie georganiseerd door Huis voor de Kunsten in Roermond. Voor meer informatie bezoek de website en voer in het zoekscherm in: InBeeld.
  2. Voor de ECI-Cultuurfabriek volg deze link.
  3. Dinsdag 15 juni werden de finalisten bekend gemaakt. Hoewel we buiten de boot zijn gevallen, was en blijft het voor mij een heerlijk project. 
Maskerade op de site van InBeeld2021. Screenshot bvhh.nu 2021.

Maskerade op de site van InBeeld2021. Screenshot bvhh.nu 2021.

Om nog eens na te lezen …

… en aan te refereren of te gebruiken, de tekst van het gedichten.

Citeren mag – of het nu helemaal is of dat je er stukjes uit haalt – maar wel onder de voorwaarde dat mijn naam en die van Betteke Derix worden vermeld en er geen commerciële toepassing plaatsvindt.

Met open vizier

De blik door glas gefilterd
Het onzegbare voorbij
Flaneren zij langs het oog
Hun elegante gestalten
Voetloos glijdend in een traag
vloeiend contrapost
Het hoofd recht of in een knik
maken zij contact
Met open vizier
Transparant, niets verhullend
tot het moment
dat het licht invalt
en de spiegeling van het glas
de oogopslag laat verdwijnen
de ontmoeting beperkt
tot een spiegelbeeld
van wie kijkt

Koppige taal

Als langstelige bloemen
uit de hof van vrouwe Justitia
werden ze geschikt,
de een na de ander
De waanwijze filosoof
zijn visie op het recht paraat
De blik standvastig, maar o ...
het verhaal erachter verzwegen
De arrogante rapper
de krullenkop schuin, de lippen getuit,
Ongenaakbaar achter glas
Mij maak je niks
Zei ook de jongen met hanekam
Maar toch nog kinderen
Op het oog vrij om te spreken,
maar hun verhaal dooft achter beslagen glas
dat soms niet alleen de ogen
maar ook de mond afdekt
De jonge non-descripte vrouw,
ieders buurvrouw om de hoek
wat is haar verhaal?
Wordt ze geslagen door haar man?
Heeft ze geld witgewassen?
Was ze te goed van vertrouwen?
Achter haar de vreemde woeste man,
de zonderling, de dakloze die al te vaak
in het portiek van de rechtbank slaapt
En wie zijn toch die androgyne figuren
de schedels met hun grote dak vol knobbels
waaronder het gist van de verhalen
gesublimeerd achter glas?
Zij hoorde hen aan en las hun gezicht
en vertaalde de weerschijn voor hun ogen
in een vonnis

Pas de dix et moi

Geen burgers van Calais
waartussen ik me bevond
verdwaald op Gullivers reizen
dwalend tussen pylonen
lichtvoetig verbonden door
een groene draad van kop tot voet
De zachte curve van hun lijf
nodigt me uit tot een pas de deux
Pas de deux, pas de dix et moi
Volg ik de patronen van een reidans
tastend naar hun afwezige handen
op akkoorden die niemand hoort
zacht ontsnappend aan hun stenen lippen
vormen wij een spel
waarin de tijd even pauzeert

Nota bene — Al mijn werk valt onder de CC-BY-NC-SA licentie. Er mag dus, zoals hiervoor aangegeven, vrijelijk gebruik van gemaakt worden, onder voorbehoud van naamsvermelding en geen commercieel gebruik. Dat geldt zowel voor de tekst als het beeldmateriaal in de presentatie.

Graag nodig ik je uit om dit item te delen. Dat kan via de knop delen onderaan de pagina. Het zou helemaal fijn zijn als je daarbij de hashtag #InBeeld2021 gebruikt.

Verkorte link van het item: http://bit.ly/34QftL6-VanHH2org

Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, De lichtinval in het schip van de nieuwe Bavo gaat een sfeervolle interactie aan met de zachte, organische tinten van de baksteen en glanselementen als de glasharde terracotta’s, de terrazzo vloer en de houten banken (2014).

De atmosferische lichtval van Joseph Cuypers in de foto’s van Niels Polak

De nieuwe Bavo is een bron van artistieke inspiratie. Dat laat Jan Dibbets zien met zijn ontwerp voor de nieuwe beglazing van het schip en dat laat ook de jonge fotograaf Niels Polak zien met zijn werk in het kader van de Kunstlijn Haarlem (31 oktober – 2 november 2014 en daarna nog de hele maand november in Kunsthandel Courbois). Het opvallende is dat beide kunstenaars vanuit hun aanvliegroute de kathedraal haast intuïtief, in een oogwenk weten te vatten; een proces waarover kunsthistorici als ik soms jaren doen.

De fascinatie van Polak met de kathedraal levert boeiende foto’s in zwart-wit op die laten zien wat het licht doet als hij de ruimte op het juiste moment vanuit de juiste plek observeert. Dan slaat hij toe, precies zoals Henri Cartier-Bresson het formuleerde: want fotograferen is immers een spontane impuls die ontstaat door voortdurend kijken en die het moment in zijn eeuwigheid grijpt.[1] Dat bijzondere moment in zijn eeuwigheid is nu precies wat Niels Polak (1977) en Joseph Cuypers (1861-1949), de architect van de nieuwe Bavo, met elkaar gemeen hebben. Daarover wil ik het hier hebben en om dat uit te leggen gaan we terug in de tijd.[2] Die achterwaartse reis wordt telkens onderbroken met voorbeelden van hoe Polak het licht in de nieuwe Bavo interpreteert. Het gaat immers niet zomaar om een afstandelijke observatie van wat Cuypers bedoelde, maar om wat hij daar als kunstenaar mee doet.

Licht en ‘atmospheer’

Van de bergkam van Goethe naar de Hollandse polder — Architect Joseph Cuypers, zoon van de man die het Rijksmuseum ontwierp, heeft verschillende artikelen over de nieuwe Bavo geschreven die zijn visie op het gebouw etaleren. Het meest elementaire stuk is gepubliceerd in het tijdschrift Van onzen tijd in 1906-1907. Hierin introduceert hij onder meer het woord ‘atmospheer’ dat hij globaal in twee verschillende betekenissen gebruikt: hij bedoelt er aan de ene kant de tijdsgebonden invloed mee van het weer op het bouwmateriaal – letterlijk de verwering. Anderzijds gaat het om de waarneming van licht en kleur. Veelzeggend is de passage die volgt op de constatering dat de Nederlandse bouwkunst van het verleden veel meer horizontale lijnen toont dan elders in Europa rond dezelfde tijd:

‘Moet daarin niet worden erkend de weerspiegeling van wat het Hollandsche landschap dien ouden bouwmeesters te zien en te voelen gaf — eene groote ruimte, afgeteekend door fijne, teere profielen aan den horizon, zonder scherpe kleuren of harde contrasten: eene ruimte niet omschreven door krachtige bergruggen, maar voelbaar door de tinteling der atmosfeer en de afbleekende tonen van ’t geboomte onzer polders?’ [3]

Je zou bijna zeggen, een impressionistische beschrijving pur sang. Inmiddels weten we dat Joseph Cuypers in deze passage sterk beïnvloed was door de tekst der teksten over dit type observatie uit niet minder dan de Farbenlehre van Goethe. Dit werk dat door zijn vader al was omarmd bij de ontwikkeling van zijn polychromie, had in Nederland tot in de schoolboeken voor het schildersambacht zijn weg gevonden.[4] Ik kan het niet laten, dus ik neem je mee op een kleine omweg langs Goethe die een prachtige analyse van het blauw in de lucht noteert:

‘Wird die Finsternis des unendlichen Raums durch atmosphärische vom Tageslicht erleuchtete Dünste hindurch angesehen, so erscheint die blaue Farbe. Auf hohen Gebirgen sieht man am Tage den Himmel königsblau, weil nur wenig feine Dünste vor dem unendlichen finstern Raum schweben; sobald man in die Täler herabsteigt, wird das Blaue heller, bis es endlich, in gewissen Regionen und bei zunehmenden Dünsten, ganz in ein Weißblau [afblekend] übergeht’.[5]

‘Als de duisternis van de oneindige ruimte door atmosferische, door het daglicht verluchte nevels [van de dampkring] bekeken wordt, dan verschijnt de blauwe kleur. Op hoge bergen ziet men overdag de hemel koningsblauw, omdat daar maar weinig [wolken]sluiers voor de oneindige donkere ruimte zweven; zodra men naar het dal beneden gaat, wordt het blauw heller, totdat het uiteindelijk in bepaalde gebieden en bij een toenemende bewolking volledig in een witblauw overgaat [afbleekt]’.

Dat was de kern van de kleurenleer van Goethe, dat het niet alleen maar gaat om een natuurkundig fenomeen van frequenties en golven, maar om een atmosferische gewaarwording die we vandaag de dag vertalen in termen van sfeer en stemming. Daar pakt Joseph de draad van het verhaal op en legt hij uit hoe anders dit werkt in het Nederlandse landschap waar Goethes bergkammen ontbreken en de ruimte voelbaar wordt door het geboomte en ‘de tinteling der atmospheer’. Laat dit nu de sfeer zijn die Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo naar binnen wilde halen. Dat benadrukt hij als hij het heeft over de kleur in de kathedraal, waarvan de zachte gele toonzetting door de toename van kleurige decoraties meer en meer naar de achtergrond zal wijken:

‘Toch is het aangewezen om hier in gevoelige schakeerin­gen te blijven, zooals de natuur van het licht in ons Vaderland dat naar mijn oordeel steeds eischt. Wat wij ook van de Italiaansche en andere in ‘t Zuiden gestichte bouwwerken mogen leeren, de krasse verlichting die daar enkel door kleine bovenlichten eene groote betoovering aan de gebouwen geeft, zou in ons land gedurende meer dan de helft van ‘t jaar een onvoldoende verlichting geven’.[6]

Vandaar dat hij telkens weer een pleidooi zal houden voor de toepassing van lichte, witte partijen in de glazen die in ‘onze lage en breede Kathedraal, en in ons klimaat hoog noodig’ zijn.[7] Alleen zo zal het licht de kans krijgen om zowel op heldere als bewolkte dagen de sfeer in de binnenruimte te bepalen.

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, Licht en schaduw in het schip van de nieuwe Bavo vanaf de galerij van het transept (2014). Het gaat hier niet om de zon in zijn volle kracht, maar om het wisselende licht dat tussen de wolken door schiet en gedempte tonen veroorzaakt die de fotograaf een extra accent geeft door geeft door middel van belichtingsinstellingen. De vele tinten schaduwgrijs illustreren de ‘gevoelige schakeeringen’ die Joseph Cuypers als een reflectie beschouwde van het Nederlandse klimaat. De meer donkere pijlers en bogen op de voorgrond omlijsten het lichtere tafereel in het schip en werken als een repoussoir waardoor het oog de diepte in wordt getrokken. Daar wordt het opgenomen in de wisselwerking tussen haaks op elkaar staande richtingen – hoogte, breedte, diepte – die via de ronding van de gewelven en bogen in balans worden gebracht. Zelfs in een statisch medium als een foto weet Polak de factor beweging van Joseph Cuypers tot uitdrukking te brengen.

Van het schilderachtige naar het impressionisme

De factor beweging — Was het nieuw wat Joseph Cuypers met licht deed? In dit stadium ben ik geneigd om te zeggen: ja, maar niet zonder kanttekeningen. In relatie tot atmosfeer als stemming waren zijn collega-architecten er, gelet op de vakliteratuur, nauwelijks mee bezig.[8] Maar los daarvan hebben we ook nog te maken met de schaduw of liever de lichtval van zijn vader. Om dit in perspectief te plaatsen, ga ik het eerst hebben over iets wat daar in hoge mate mee samenhangt, namelijk beweging, en wel de beweging van ons, mensen in en om een gebouw. Al vanaf de achttiende eeuw houden architectuurtheoretici zich bezig met de ‘schilderachtige’ belevingswaarde die ontstaat doordat men al wandelend verschillende indrukken ontvangt van een gebouw.[9] Dit werd niet langer opgevat als een statisch object, maar als een bron van aangename variatie, doordat het tijdens het bewegen als het ware voortdurend veranderde. De volgende stap in dit bewustwordingsproces was dat architecten hierop in gingen spelen. Beïnvloed door de romantische landschapstuin die al in de achttiende eeuw furore maakte, ging men er toe over om ‘momenten’ te ensceneren, waardoor het gebouw in zijn diverse vormen tot zijn recht kon komen. Er kwam een choreografie van routes en vues die de toeschouwer quasi-spontaan stuurde en zo een nieuwe dimensie gaf aan de beleving van architectuur. Voor deze kwaliteit introduceerde de architectuurhistoricus Manfred Bock de factor beweging. Hij licht dit toe aan de hand van het Rijksmuseum, dat hij als een ‘modern gebouw’ typeert onder meer vanwege:

‘het feit dat Cuypers de factor beweging bij het ontwerp incalculeert en er dus voor zorgt dat de ruimtelijke structuur niet zo maar vanuit één punt afleesbaar is, maar pas in de tijd ervaren kan worden’.[10]

Deze opmerking kan moeiteloos doorgetrokken worden naar de lichtwerking, waarvoor immers bij uitstek geldt dat die alleen in de tijd ervaren kan worden. Van dat laatste was Cuypers senior zich welbewust, zoals blijkt uit de manier waarop hij scènes in licht en kleur in zijn ruimten regisseerde. Deze aanpak maakte dat er eigenlijk nooit sprake was van één gebouw, maar een verzameling momentane gebouwen die zich naar gelang de lichtinval en de factor beweging, ingezet door de wandelende toeschouwer, manifesteerden.[11] Bij de nieuwe Bavo is het al niet anders. Zijn zoon nam hier letterlijk de ruimte om gebruik te maken van het parallaxeffect: een voortdurende verandering van de ruimte als je langs of tussen de ritmisch geordende, zware pijlers van het schip loopt of in de arcade van de kooromgang. Ook met de dubbelschalige opzet van de wanden met hun vele galerijen heeft Joseph Cuypers hierop ingezet: niet alleen geven de verticale kolommen een extra impuls aan de factor beweging, maar gaat de diepte van de galerijen gepaard met licht- en schaduweffecten die het plastische aanzien van de binnenruimte vergroten.[12] De kathedraal behelst een meesterlijk ontworpen choreografie die beleefbaar wordt als je in en met het gebouw meebeweegt.

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, Het licht gevangen in de neggen van de ramen in de noordertoren van de westbouw. De ritmische geleding, de diepte van de dagkanten en de balustrades in steen en hout geven het geheel een plastische effect. Door dit in combinatie met de lichtval uit te buiten speelt Polak in op een van vele ‘momenten’ die Joseph Cuypers in de kathedraal had ingepland (2014).

De schilderachtige visie van Cuypers senior — Dit talent hadden vader en zoon dus duidelijk gemeen, maar waar lag dan het verschil? Dat wordt duidelijk wanneer we nagaan hoe Pierre Cuypers met licht omging. Dat had in zijn geval alles te maken met de ontwikkeling van zijn visie op polychromie: veelkleurige uitmonsteringen, zoals die in het Rijksmuseum. In zijn werkwijze valt een overgang te bespeuren van relatief zachte, heldere tinten naar een zwaarder kleurengamma dat als middeleeuws geafficheerd werd. Hierover merkte ik in mijn studie ‘De muziek van het licht’ het volgende op:

‘Zeker was het een winstpunt dat het verzadigde ‘middeleeuwse’ palet meer rekening hield met de werking van glas-in-loodramen. Cuypers kon zo verbluffende clair-obscur momenten realiseren die de factor verandering en beweging in zijn interieurs optimaal uitbuitten.[13] Opnieuw zijn daarin Engelse invloeden te bespeuren en wel via het tijdschrift The Ecclesiologist, dat zowel door Thijm[14] als Cuypers geraadpleegd werd. Met de auteur van het artikel in kwestie, architect G.E. Street, had Cuypers als erelid van The Ecclesiological Society in 1862 in Londen kennis gemaakt. Street hield reeds in 1852 een pleidooi voor de integratie van ‘those lovely alterations of light and shade, when nature gives them to us in briljant sunshine.’[15] Dit doet sterk denken aan de rol die Brouwers[16] ‘het klaarder en meer donker licht’ toekent bij de afstemming van polychromie. Cuypers parafraseerde Street nog in 1891 met zijn beschrijving van de traceringen van de Utrechtse Dom, ‘die het schitterend licht met het geheimzinnige halfdonker in schilderachtige schakeering afwisselt.’ Om dit effect te bereiken adviseerde Street de architecten ‘to concentrate the admission of light on particular points.’[17] Een van de interieurs waar Cuypers dit het meest overtuigend bereikt had, betrof de verdwenen uitmonstering van de Sint Servaaskerk: de afwisselende lichtkwaliteit, variërend van gedempt tot volop stralend, genereerde hier even zovele momenten, waarin een compleet register aan clair-obscur en kleurharmonieën werd opengetrokken.[18] Door deze meerwaarde speelde de verzadigde polychromie nog beter in op de gevoelens van grootsheid, melancholie en ‘wellustige droefgeestigheid’ (‘pleasing gloom’), dat een schilderachtig beleven van architectuur vergde. Maar terwijl dit zintuiglijk deelhebben voor de één doel op zich was, moest het in de visie van de clerus leiden tot ‘huiver der heilige plaats’, tot vatbaarheid voor Gods boodschap en aldus tot het ‘Sursum Corda’, dat Brouwers met Pugin[19], Cuypers en Thijm het ultieme doel achtte van de kunst.’[20]

Naar een impressionistische visie — Waar Cuypers senior met name inspeelde op wat de heldere lichtinval via het zware glas-in-lood in zijn gebouwen deed, concentreerde Joseph zich op een veel breder gamma van het typisch Hollandse licht, dat hij ook op minder uitgesproken zonnige dagen in zijn kathedraal wilde binnenhalen. Vandaar ook dat hij afstand neemt van de verzadigde Chartres-achtige ramen en pleit voor lichte glazen. Vandaar ook dat hij heel bewust glanselementen in de nieuwe Bavo toepast, te beginnen met de glasharde gele terracottabanden die door hun spiegelende kracht bij uitstek als lichtverspreiders aan te merken zijn. Maar daar blijft het niet bij: alles doet in dit spel van reflectie mee: de luchters en het koorhek, de vergulde accenten op de sculptuur, de polychromie en het edelsmeedwerk, de fluorescerend brons geschilderde deuren en vooral niet te vergeten het glanzend opgewreven hout van de banken.[21] Het gaat niet langer om het creëren van dramatische scenes, maar om een subtiele opeenvolging van verstilde momenten, waarvoor Joseph Cuypers niet zomaar het Hollandse polderlandschap als referentie nam. Je zou kunnen zeggen dat hij de schilderachtige toonzetting van zijn vader actualiseert door een impressionistische visie te ontwikkelen. Dat hij daarmee een antwoord bood op wat men in die tijd meer en meer in architectuur waardeerde, wordt bevestigd door de kunstcriticus Jan Kalf: in een artikel over Joseph Cuypers uit 1908 liet hij zich ontvallen dat hij afziet van ‘eene architectonische of impressionistische beschrijving’ van de nieuwe Bavo, omdat er daar al zoveel van waren.[22]

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, De Mariakapel pal in het oosten van de nieuwe Bavo (2014). Het felle licht corrigeert via de camera de donkergekleurde glazen van dom Jacques van der Meij. Door met een lange sluitertijd te werken en vaak in te flitsen is de sculptuur van het altaar in zijn detaillering zichtbaar gebleven ondanks de sterke lichtval. In werkelijkheid is de kapel op dit moment zo niet waar te nemen. Met deze opname benadert Polak het beeld dat Joseph Cuypers voor ogen stond, vooral omdat het altaar van Joseph Cuypers en Johannes Maas oorspronkelijk ook nog indirect licht vanuit het priesterkoor ving.

Tussen Monet en Schubert — Het idee van de beleving van een gebouw als een verzameling momenten wordt door de meeste mensen niet geassocieerd met architectuur en waarschijnlijk al helemaal niet met het oeuvre van vader en zoon Cuypers. Voor het gros is dit concept vrijwel exclusief verbonden met de beroemde momentopnamen van één en hetzelfde object van de impressionistische schilder Claude Monet. Een wel heel toepasselijk voorbeeld vormt de serie van de kathedraal van Rouen die hij door de dag heen in een steeds ander licht geschilderd heeft (1890-1894): de fameuze ‘instantanéité’, of zoals Cartier-Bresson zou zeggen, momenten in hun eeuwigheid.[23] Nauwelijks veel later lijkt Joseph Cuypers deze nieuwe versie van een schilderachtige visie op architectuur op te pakken om een architectonische variant van de ‘instantanéité’ ontwikkelen. Wat Monet op het doek registreerde bouwde hij in in zijn concept van de kathedraal: een verzameling momenten die onder bepaalde omstandigheden onder invloed van licht en beweging realiteit kunnen worden. Dit rijmt wonderwel met dat andere concept dat aan de kathedraal ten grondslag ligt: het gebouw als Unvollendete, als een onvoltooide symfonie à la Schubert, voltooid in zijn onvoltooidheid. Er waren heel wat overwegingen die aan dat concept ten grondslag lagen, maar als we het op de meest pragmatische houden dan is het geld. Joseph Cuypers wist dat hij de nieuwe Bavo nooit in eenmaal zou kunnen realiseren, hetgeen alleen al blijkt uit de drie bouwfasen: 1895-1898, 1902-1906 en 1927-1930. Maar dit gold ook voor het interieur met zijn noodbeglazing, dito polychromie, hoogst noodzakelijke meubilair et cetera. Dit incomplete krijgt doelbewust een plaats in het concept, zoals onder meer afgelezen kan worden aan de ruwe blokken steen die her en der de buitenkant sieren en de vele onvoltooide kapitelen, basementen en zelfs misbaksels van terracotta aan de binnenkant. De kathedraal was niet zomaar een gebouw: ze was opgetuigd met kwantumachtige potenties die in de toekomst al dan niet realiteit konden worden, zoals de glazen van Jan Dibbets laten zien.[24] En dat brengt ons weer terug bij de vraag hoe vernieuwend Joseph bezig was.

Innovatie of articulatie

Van ingrediënten naar receptuur — We zagen het al met de factor beweging: de meeste ideeën komen niet zomaar uit de lucht vallen en hebben een lange incubatietijd nodig om het niveau van een levensvatbaar artistiek concept te bereiken. Dat geldt ook voor de atmosferische lichtwerking, de architectonische instantanéité en de Unvollendete. De ingrediënten waren zonder meer aanwezig: de schilderachtige effecten waar Cuypers senior op inzette, het onvoltooide karakter van kunst waarover zijn zwager J.A. Alberdingk Thijm (de peetvader van Joseph) al had geschreven, de sfeervolle Hollandse landschappen die op schilderijen waren vereeuwigd en in de Voorhal van het Rijksmuseum zaten de eerste glazen met redelijk veel wit … het lag allemaal klaar als rijp fruit. Waarom juist bij Joseph Cuypers de vonk oversprong had te maken met zijn bijzondere, zo niet unieke positie als zoon van zijn vader. Toen hij na zijn studie in Delft in 1883 toetrad tot het productieve architectenbureau Cuypers heeft hij als weinig anderen van zijn tijdgenoten het bouwproces in een veelheid van facetten in de praktijk mee kunnen maken. Wat daarbij zeker beslissend is geweest voor de ontwikkeling van zijn visie is dat hij heel wat kerken heeft gezien in de eerste fase van de afronding: klaar om in gebruik te worden genomen, maar grotendeels oningericht. Hoe vaak zal hij niet rondgelopen hebben in zo’n gebouw met een rijk palet aan geologisch bepaalde kleuren dankzij de materiaalpolychromie, met lege afgepleisterde muurvelden, waar zich nog geen schilderingen op bevonden, en een atmosferische lichtinval als gevolg van de heldere noodbeglazing. Hoe je die laatste kwaliteit kunt behouden bij de overstap naar definitief glas-in-lood liet hij zien in zijn eerste echte eigen kerk, de Urbanus in Nes aan de Amstel (1889-1891). Daar hield hij zelfs rekening met de wisselende lichtintensiteit aan de noord- en zuidzijde van het schip.[25]

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, De patroonheilige van de nieuwe Bavo in de lichtval vanuit de koortravee (2014). In het voetspoor van zijn vader schiep Joseph Cuypers in zijn kathedraal ook ruimte voor een type instantanéité met sterke clair-obscurpotenties. Het bronsachtig glanzende houten beeld is van de hand van Albert Termote (1958).

Die atmosferische beleving was echter niet het enige dat tot de vernieuwende impuls leidde: Joseph Cuypers wist uit ruime ervaring dat veel kerken de eerste tijd door geldgebrek een pas op de plaats moesten maken. Op het meest noodzakelijke meubilair na zouden sommige gebouwen pas decennia later ingericht worden. En het kon nóg erger: het meest dramatische voorbeeld op dit gebied had Joseph van nabij meegemaakt met de kathedraal van Amsterdam, de Willibrordus buiten de veste die na de eerste fase van priesterkoor en pastorie (1873) maar niet voltooid leek te kunnen raken. Joseph zou deze kerk in plaats van zijn vader afbouwen. En hij doet dat analoog aan de nieuwe Bavo op een manier die ruimte laat voor verdere afwerking. Dat was in 1897 toen de eerste fase van de Haarlemse kathedraal bijna klaar was.

Van de nood een deugd — Vanuit deze ervaring zet Joseph Cuypers bij de nieuwe Bavo een beslissende stap: hij maakt van de nood een deugd door de nog niet voltooide kerk tot de inzet van zijn ontwerp te maken: een voldragen Unvollendete met de potentie om ooit of misschien wel nooit afgebouwd en ingericht te worden. Een gebouw dat in zijn onaffe toestand zoveel kwaliteit heeft dat het als af kan gelden, maar ruimte houdt voor toevoegingen. Dat betekende echter niet dat er grenzeloos toegevoegd mocht worden, dat er geen kaders waren waar de toekomstige sierkunstenaars zich aan te houden hadden. Een van de voorwaarden waar Joseph Cuypers streng aan vasthield was nu juist die atmosferische lichtval. Dat liet hijzelf zien met het wit dooraderde glas-in-lood van zijn vader in de apsis en zijn engelenglazen in het hoogkoor. En daar zit ook het grote verdriet van deze man: dat zijn opdrachtgever, de bisschop, in een vrij vroeg stadium hier vanaf is gestapt. Zo kwamen er hoge koorbanken die de lichtwerking in de koorgang en de kapellen sterk verhinderen. Zo kwamen er conflicten met Han Bijvoet en dom Jacques van der Meij die met hun glazen terugkeerden naar het Chartres-achtige palet, waarin voor wit of zachte partijen geen ruimte was.[26] Hierdoor kon het ook gebeuren dat de toepassing van licht glas welbeschouwd opnieuw uitgevonden zou worden. Dat gebeurde in 1925 met de glazen van Derkinderen in het gebouw van de Algemene Handelmaatschappij te Amsterdam van K.P.C. de Bazel. Doordat deze door het onverwachte overlijden van Derkinderen voltooid werden door Joep Nicolas, kreeg het witte glas een plek in het idioom van de volgende generatie glazeniers.[27]

Innovatie of articulatie — Dat brengt ons terug bij de vraag of Joseph Cuypers innovatief bezig was of de erfenis van zijn vader articuleerde. Het antwoord kan zijn: beide. De vondst ligt in de ontdekking van de impressionistische schoonheid van de maar net afgebouwde kerk die volgens de rationele uitgangspunten van zijn vader was ontworpen. Door dit stadium als esthetisch doel te articuleren zet Joseph zijn ontdekking op het artistieke plan en zet hij de toon voor een volledig nieuwe benadering van de kerkbouw. De manier waarop hij dit concept in de nieuwe Bavo en de Willibrordus heeft uitgevoerd, is naar het zich laat aanzien eenmalig geweest: tot dusver is geen andere Unvollendete tevoorschijn gekomen. Wel is zijn impressionistische visie op atmosfeer en licht in de kerk, waarmee hij een hele verzameling instantanéitées regisseerde, een stabiele factor in zijn werk en dat van anderen gebleken.[28] Het zijn deze instantanéitées die als momenten in hun eeuwigheid zijn geïnterpreteerd en vastgelegd in de monochrome foto’s van Niels Polak.

Bernadette van Hellenberg Hubar

____________

Nota bene — De voorgaande analyse maakt deel uit van het voorbereidende onderzoek van de auteur ten behoeve van een publicatie over de nieuwe Bavo naar aanleiding van de huidige restauratie. Dit project vindt plaats in opdracht van de stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo te Haarlem.

De verkort aangegeven literatuur in de noten verwijst naar titels die volledig zijn geciteerd in de bibliografie op de site van Vanhellenberghubar.org.[29]

Op de foto’s van Niels Polak berust auteursrecht en zijn alle rechten voorbehouden! Toestemming voor gebruik kan geregeld worden via: niels@silicium.nl.

Niels Polak, Licht en atmosfeer in de nieuwe Bavo te Haarlem (2014)
Niels Polak, Vue op het schip en koor van de nieuwe Bavo vanaf de orgeltribune (2014). De rustige ritmiek van de nieuwe Bavo met de schaduwslag van banken en kolommen nodigt uit tot een processie door het middenschip die alles in beweging zet.

Noten

[1]    Voor Henri Cartier-Bresson zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Henri_Cartier-Bresson. Voor de nieuwe Bavo volg http://bit.ly/VHH2nB-Haarlem.

[2]    Deze tekst is voor een deel ontleend aan de waardenstelling die ik in 2013 over de nieuwe Bavo schreef: Hubar, Auto intextum, paragraaf 4.3.

[3]    Joseph Cuypers, Sint-Bavo, Van Onzen Tijd (1906-1907), pp. 102-103.

[4]    Hubar, Auro intextum, paragraaf 4.3. Polman, De kleuren van het Nieuwe Bouwen, pp. 39-41, 55; 56-58.

[5]    Goethe, Farbenlehre, p. 110, stelling 155.

[6]    Joseph Cuypers, Sint-Bavo, Van Onzen Tijd (1906-1907), pp. 111-112.

[7]    Brief van Joseph Cuypers aan bisschop Aengenent, 13 januari 1930, geciteerd naar Erftemijer e.a., Getooid als een bruid, p. 214.

[8]    Een kleine steekproef via het zoekprogramma van de KB, Delpher – www.delpher.nl – met de termen architectuur en atmospheer brengt als vroegste voorbeeld het artikel geciteerd in noot 6 naar voren!

[9]    Hubar, De gepatineerde droom, p. 40. Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 114. De factor beweging valt te herleiden tot de tweede helft van de achttiende eeuw.

[10]  Bock, Cuypers-Berlage-De Stijl, Forum (1986), pp. 102-103.

[11]  Hubar, De gepatineerde droom, p. 40. Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 114.

[12]  Voor de dubbelschalige opzet zie de analyse van Arjen Looyenga in Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, pp. 76-83. De vraag van Looyenga waarom Joseph Cuypers hiervan zo’n overvloedig gebruik maakte is hiermee wel beantwoord.

[13]  Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 23, 114.

[14]  J.A. Alberdingk Thijm, kunstcriticus, -theoreticus, zwager van Cuypers en schrijver van de toonaangevende publicatie over kerkbouwsymboliek, De Heilige Linie (1858). Voor de nieuwe Bavo is dit handboek van grote invloed geweest.

[15]  Muthesius, High Victorian movement, 39-58; m.n. 41: citeert G.E. Street, ‘The true principles of architecture and the possibilities of development’, The Ecclesiologist 13 (1852), 247-262; m.n. 257-259.

[16]  J.W. Brouwers was priester, publicist en een huisvriend van Thijm en Cuypers. Hij schreef onder meer over Cuypers’ schilderingen in de Servaaskerk en op de piano van diens vrouw, Antoinette Alberdingk Thijm (zie Brouwers, Muurschilderingen). Brouwers vormde samen met zijn vrienden het ‘Roomsche ABC’: Alberdingk Thijm, Brouwers en Cuypers. Zie: http://bit.ly/Brouwers-dbnl.

[17]  Zie de vorige noot en Cuypers, Voordracht 1892, pp. 5-6.

[18]  Hubar en Van Leeuwen, De beginselloosheid tot adagium verheven, pp. 83-85.

[19]  Brouwers, Muurschilderingen, pp. 13. King, Pugin, pp. 135-141 (De Engelse architect A.W.N. Pugin was met name aan het begin van de carrière van Cuypers een belangrijk rolmodel voor zowel hem als Thijm). Stoks, Cuypers Gedenkboek, pp. 19-25; m.n. 25. Het begrip ‘wellustige droefgeestigheid’ is afkomstig van de romanschrijver Rheinvis Feith: voor deze en aanverwante termen en hun herkomst zie Hubar, Arbeid en Bezieling, 429-432.

[20]  Deze passage is in haar geheel overgenomen uit Hubar, De muziek van het licht, p. 65.

[21]  Door de chemische inwerking van de onderlaag van de bronzen beschildering van de deuren is het glanseffect hiervan versterkt (onderzocht door Judith Bohan, kleuronderzoeker en restaurator, en Luc Megens van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed).

[22]  Kalf, Joseph Cuypers, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 1908, p. 372.

[23]  Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Kathedraal_van_Rouen_%28Monet%29. Voor een goede uitleg zie: http://bit.ly/NGA-Monet, ontleend aan: Michael Lloyd & Michael Desmond, European and American Paintings and Sculptures 1870-1970 in the Australian National Gallery, 1992 p.72.

[24]  Zie Hubar, Dibbet’s ramen, http://wp.me/p4eh3s-Uo.

[25]  Zie Hubar, Urbanuskerk, http://wp.me/P4eh3s-bK en Hubar, Dibbet’s ramen, http://wp.me/p4eh3s-Uo.

[26]  Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid, pp. 214-215.

[27]  Hubar, Genade van de steiger, pp. 404-407.

[28]  Een mooi voorbeeld is de Paterskerk te Eindhoven (1896-1898) van twee Cuypersleerlingen, P. Bekkers en J. Hegener, generatiegenoten van Joseph Cuypers. De atmosferische lichtinval en polychromie zijn in 2014 geanalyseerd door middel van een waardenstelling: Hubar, Paterskerk, http://wp.me/p4eh3s-pI.

[29]  Zie http://bit.ly/VHH2bibliografie.

Titel, verkorte link, tentoonstellingsadres et cetera

Dit item kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘De atmosferische lichtval van Joseph Cuypers in de foto’s van Niels Polak’, op: ifthenisnow.nl, http://bit.ly/ITIN-nBavo-Polak (2014) / op: vanhellenberghubar.org, http://bit.ly/VHH-Cuypers-Polak (2014).

Meer foto’s van Niels Polak zijn te zien op: http://bit.ly/Niels-Polak-500px en www.nielspolak.nl.

Tentoonstellingsadres:
Kunsthandel Courbois
Schaghelstraat 14
2011 HX Haarlem
www.kunsthandelcourbois.nl

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/VHH-Cuypers-Polak

Bovendonk van drie generaties Cuypers (2008)

Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

Seminariecomplex Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th. J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923).

‘Kwaliteit is het product van een langdurige ontwikkeling, van een samengaan, versmelten, van ‘kunde’ in de dubbele betekenis van technische vaardigheid en beheersing van de stof, een en ander afgerond, tot iets dat de maker individueel eigen is, het stempel van de persoonlijkheid, de originaliteit’ (Hella Haase).*

In de zomer van 2008 vond in opdracht van MAS Architectuur het eerste grote cultuur- en bouwhistorisch onderzoek plaats naar het voormalig seminariecomplex Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers en Joseph Th.J. Cuypers. Het complex werd begin twintigste eeuw gesticht en functioneert tegenwoordig voor een klein deel nog steeds als priesteropleiding en voor het overige als hotel en conferentieoord. In 2007 vond in het kader van het Cuypersjaar een druk bezocht symposium plaats dat in ieder geval liet zien hoe passend deze bestemming voor dit gesamtkunstwerk van de architecten Cuypers is. Voordat we de samenvatting van de cultuur- en bouwhistorische analyse laten volgen, passeren hier eerst de vondsten uit het onderzoek de revue.*

Res novae

— door Bernadette van Hellenberg Hubar

  • Bovendonk is in het werk van Cuypers evenzeer een statement van ontwerptechniek, stijl en iconografie als het Amsterdamse Rijksmuseum.
  • De symboliek is niet beperkt gebleven tot de beelden en reliëfs in de gevel maar strekt zich ook uit tot de gehanteerde bouwstijl van het complex.
  • Bij het ontwerp van het complex heeft Cuypers de aan A.W.N. Pugin ontleende thematiek van de ‘stad in het klein’ gebruikt.
  • Bovendonk is, net als bijvoorbeeld het Rijksmuseum, een voorbeeld van interpretatie en emulatie van een historisch voorbeeld, in dit geval de architectuur van het huis van Maarten van Rossum in Zaltbommel.
  • De geometrische patronen van de tegelvloeren in de gangen van het complex zijn ontleend aan de Dictionnaire raisonnée van Viollet-le-Duc.
  • Bij de bouw van het grootseminarie zijn de marmeren schouwen uit het voormalige zomerverblijf van monseigneur de Nelis hergebruikt in de hoofdvleugel.
  • Het complex is ontworpen op basis van een geometrisch raster dat zijn wortels heeft in de ontwerpleer van de Fransman J.N.L. Durand.
  • De logistieke indeling van Bovendonk is een uitwerking van de beproefde seminarieplattegronden van Haaren en Driebergen-Rijsenburg.
  • Cuypers grijpt in Hoeven terug op de kloostertypologie uit de renaissance en de barok, die gekenmerkt wordt door geometrische rasterplattegronden met vele binnenplaatsen en door kloostergangen ontsloten vleugels.
  • De voorgevel is ontworpen op basis van de gelijkzijdige driehoek, terwijl de verhoudingen van de zijgevels op de minder steile Egyptische driehoek zijn gebaseerd.
  • Het basisschema van de hoofdtrappen gaat terug op het trappenhuis van de directievilla van het Rijksmuseum.
  • Bovendonk is een van de vroegste complexen waar op grote schaal een CV-installatie is ingebouwd.
  • Het gehanteerde kleurschema in Bovendonk vertoont grote overeenkomsten met het ‘Oud-Hollandse’ kleurenschema van het Rijksmuseum, dat is gebaseerd op de kleurenleer van Georg Hirth. In Das deutsche Zimmer der Renaissance uit 1880 bepleitte Hirth de rehabilitatie van de kleur bruin. Cuypers werkt de belangrijkste principes uit dit werk in Bovendonk uit in directe samenhang met de materiaalpolychromie.
  • Het ontwerp van Bovendonk vertoont sterke overeenkomsten met andere late werken uit het oeuvre van P.J.H. Cuypers, in het bijzonder de Roermondse Teekenschool (1902-1904), de Maastrichtse Stichting Ridder Emile de Stuers (1901-1904), de Ursulinenkapel te Hamont (1912-1914), en de Lievevrouwekerk te Venlo (1912-1914).
  • Joseph Cuypers is niet alleen verantwoordelijk geweest voor de uitvoering van de bouw, maar heeft ook grote delen van het complex ontworpen. De refter en recreatiezaal zijn vrijwel zeker van zijn hand.
  • Het ontwerp van de voorgevel van de kapel door Joseph Cuypers vertoont opvallende overeenkomsten met de Amsterdamse Vondelkerk, ontworpen door P.J.H. Cuypers, en kan als eerbetoon aan zijn vader worden opgevat.
  • De iconografie van de kapel is grotendeels een herhaling van de iconografie van de voorgevel, gericht op de verbeelding van de rol van het seminarie bij de opleiding tot het priesterschap.
  • De noordvleugel is nooit van eigen toiletten voorzien geweest. De huidige toiletgroepen zijn pas bij een verbouwing in de jaren vijftig of zestig ingebouwd.
  • Het complex had oorspronkelijk geen badkamers wat opmerkelijk is gezien het feit dat ze wel voorkomen op oudere ontwerpvarianten van het complex.
  • Gelet op zijn aanwezigheid als één van de drie herders bij het Maria-altaar kan geconcludeerd worden dat Pierre Cuypers junior bij het ontwerp van de kapel betrokken is geweest.
 
Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

In de trappenhuizen beleef je de factor beweging.

Samenvatting onderzoek Bovendonk

— door Wies van Leeuwen

Ruimtelijke schepping

Als grote ruimtelijke schepping in neogotische stijl is Bovendonk een samenballing van de principes die het werk van vader en zoon Cuypers typeren. Het is een kwalitatief hoogstaand gebouw, ontworpen en uitgevoerd door architecten met decennia aan ervaring. En dat is te zien. Wie het gebouw omcirkelt herkent onmiddellijk elementen uit de silhouetten van het Amsterdamse Rijksmuseum, het Centraal Station en de Roermondse Teekenschool. Aan deze gebouwen spelen hoge leien daken, torens, smeedijzeren bekroningen, dakkapellen, trap- en tuitgevels een intrigerend spel, waarbij het silhouet steeds verandert. In weerwil van de bewogen, schilderachtige silhouetten is de opzet van Cuypers’ gebouwen de resultante van de zakelijke eisen die aan het ontwerp worden gesteld. Hij volgt daarin de zienswijze van de door hem bewonderde Engelse architect A.W. Pugin. Die beschrijft in 1841 hoe pittoreske schoonheid voortkomt uit de wijze waarop de bouwers van de middeleeuwen hun plattegronden en ontwerpen opzetten aan de hand van de wensen van de opdrachtgevers en de plaatselijke omstandigheden. Daarbij benadrukken Pugin en de evenzeer door Cuypers bewonderde Eugène Viollet-le-Duc dat ornament alleen mag dienen als verrijking van de hoofdconstructie.

Typologie plattegrond

In samenspraak met de opdrachtgevers gebruiken ze een al sinds decennia voor seminaries beproefde plattegrond. Hoogstwaarschijnlijk is deze voor het eerst ontwikkeld in het bisdom ’s-Hertogenbosch, waar Jacobus Cuyten met de Oisterwijkse architect H. Essens in 1834-1836 het grootseminarie van Haaren ontwerpt. Het wordt een sobere, haast classicistische baksteenbouw met een waardig fronton en torentje. Essens rangschikt drie vleugels rondom een cour die gesloten wordt met een driebeukige kapel. Bovendonk is de schilderachtige variant van deze opzet. Het gebouw vormt een rechthoek, waarvan drie zijden bestaan uit twee- en drielaags vleugels met zadeldaken en de vierde zijde gesloten wordt door de kapel. De plattegrond toont het streng volgehouden grid van vierkanten en rechthoeken. Dat grid is overduidelijk zichtbaar in de lijnen van de gewelven van gangen en zalen, maar ook in de bibliotheek en klaslokalen keert het terug in de ijzeren plafondbalken, die de traveeën aangeven.

Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

De hallen, de gangen op de begane grond en de refter en recreatiezaal zijn overdekt met kruis- en netgewelven in baksteen.

Constructie, ambachtlijkheid en materiaalgebruik

Bovendonk is een baksteenbouw, deels onderkelderd. De buitenmuren zijn versierd met speklagen, siermetselwerk en ornamenten in kalksteen, de ramen en beeldnissen hebben gebakken profielsteen met subtiele kleurverschillen tussen helderrood en bruinrood. De hallen, de gangen op de begane grond en de refter en recreatiezaal zijn overdekt met kruis- en netgewelven in baksteen, ook weer met gebruik van gebakken profielsteen voor de ribben en kleurverschillen in de steen. Minder representatieve ruimten zijn overdekt met in baksteen gemetseld troggewelfjes, rustend op ijzeren profielen. Zo ontstaan brandvrije constructies. De gangen en kamers zijn veel soberder en hebben gepleisterde muren. Naar boven toe wordt het gebouw soberder, tot de indrukwekkende houten kappen van de immense bergzolders.

De decoraties en raamvormen tonen het onderscheid tussen representatieve gangen en zalen en eenvoudige verblijfsruimten. Vergelijk bijvoorbeeld de getraceerde ramen van de bibliotheek met de schuiframen van de theologantenkamers en de boogramen van de refter met die van de toiletaanbouwen. In de refter vinden we ook de brede bogen, rustend op hardstenen kolommen. Zij geven extra ruimtelijkheid en de gepleisterde aanzetten der gewelven zijn voorzien van gestileerde geschilderde bladmotieven, ter accentuering van de constructie. De muren zijn hier ter bescherming voorzien van een lambrisering van geglazuurde baksteen. Ook de grote variatie in kapitelen tussen de open en gesloten kloostergangen is opvallend: binnen bladkapitelen, buiten eenvoudige lijstkapitelen. De bibliotheek is ook een constructief hoogstandje. Daar rusten de uit grenenhout opgebouwde galerijen op ijzeren profielen met geschilderde geometrische siermotieven. De profielbalk van de twee galerijen is met een smeedijzeren stang opgehangen aan de oorspronkelijk okerkleurig geschilderde moerbalken van het plafond. De kapel door Joseph Cuypers is uitwendig sober gedetailleerd en minder rijzig dan de oudere ontwerpen van Pierre Cuypers. Middenschip en zijbeuken zijn gebaseerd op de gelijkzijdige driehoek en tonen een verzorgde detaillering in baksteen met marmeren kolommen en decoratieve marmeren vloeren.

Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

De buitenmuren zijn versierd met speklagen, siermetselwerk en ornamenten in kalksteen, de ramen en beeldnissen hebben gebakken profielsteen met subtiele kleurverschillen tussen helderrood en bruinrood.

Cuypers wordt geroemd als de man ‘die alle ambachten kende’, niet in letterlijke zin maar ‘zeker voor zoover hij den aard van het materiaal en de bewerking daarvan moet begrijpen en daarnaar zijn vormen maken.’ Met zijn kennis en ervaring maakt hij Bovendonk tot een ruimtelijke en visuele eenheid. Als constructeur zal hij vanaf het eerste begin van zijn carrière, kort voor 1850, zeer uiteenlopende materialen gaan gebruiken, waarbij hij al vrijwel meteen afrekent met pleister- en stucwerk, dat hij als onwaardig surrogaat veroordeelt. Daarvoor in de plaats grijpt hij terug op de eeuwenoude baksteentraditie van Limburg. Verder past hij waar nodig uiteenlopende natuursteensoorten zoals hardsteen en mergel toe, al snel gecombineerd met ijzer. Ook hier is de Dictionnaire van Viollet-le-Duc een onuitputtelijke bron van inspiratie.

Rationeel door het ontwerpen op systeem

In Bovendonk gebruikt Cuypers baksteen, natuursteen, hout, ijzer en – niet zichtbaar – gewapend beton. Deze materialen stellen Cuypers in staat de inwendige bestemming van zijn gebouwen in het uitwendige uit te drukken, zoals zijn leermeesters het wilden. Die afwisseling van materialen en vormen geeft zijn gebouwen met een logische, rationele plattegrond een schilderachtig karakter. In de tweede helft van de negentiende eeuw vindt de overgang plaats van goeddeels op basis van ervaring en intuïtie geconstrueerde gebouwen, naar de berekening van constructies. Evenals zijn illustere voorbeeld, de Franse architect E. Viollet-le-Duc, is Cuypers van mening dat de stabiliteit van het gebouw wordt gewaarborgd door het gebruik van de juiste geometrische grondvormen. Cuypers senior zal zijn constructies dus waarschijnlijk nog niet berekend hebben, maar zijn zoon Joseph kan al wel tabellen voor draagsterkte gebruikt hebben. Cuypers garandeert de degelijkheid van zijn gebouwen door zijn ruime ervaring en intuïtie.

Hij baseert zijn gebouwen op geometrische grondvormen: het vierkant en de rechthoek. Daarnaast gebruikt hij de ranke gelijkzijdige en de iets minder rijzige Egyptische driehoek, die de basis vormen voor de gevels en de ornamenten. De rijzige voorgevel van Bovendonk is ontworpen op basis van de gelijkzijdige driehoek. In de soberder gevels van de zijvleugels vinden we de iets gedrongener proporties van de Egyptische driehoek.

Symboliek en iconologie

Net als deze gebouwen en in beginsel alle kerken is Bovendonk voor Cuypers de verbeelding van het Hemels Jeruzalem. In navolging van Alberdingk Thijms Heilige Linie vat Cuypers zijn kerken op als de verbeelding van het Hemels Jeruzalem op aarde. Het apocalyptische visioen van de evangelist Johannes inspireert hem levenslang. Zijn profane gebouwen krijgen een vergelijkbare symbolische lading. Ze verbeelden een ideale wereld, een stad-in-het-klein, als beeld van de corporatieve staat op katholieke grondslag. Een moreel verantwoord visioen: ieder kent zijn plaats, ieder heeft zijn rol. Daarnaast vertoont Bovendonk alle kenmerken van de Cuyperiaanse ‘stad-in-het-klein’. De Civitas dei, de Stad Gods van Augustinus is erin verbeeld. Het is daarmee de microkosmos van de in zichzelf besloten samenleving van professoren, priesterstudenten en huispersoneel. Het gebouw heeft net als andere kloosters en het Rijksmuseum een ‘stedelijk’ silhouet gekregen, met een afwisselend en schilderachtig dakenlandschap, topgevels en torens. Het beeld van de stad-in-het-klein is voor de bezoeker die de groene oprijlaan en daarna het voorplein betreedt overduidelijk zichtbaar aan de drie trapgevels van de voorbouw. Ook van opzij en op de binnenplaats is deze symboliek zeer sprekend aanwezig in de vooruitspringende trapgevels van de trappenhuizen van de noord- en zuidvleugel en de voorbouw.

De factor beweging

In de ‘stad’ Bovendonk buiten vader en zoon Cuypers de factor beweging ten volle uit. Door de ramen van de kloostergangen heen veranderen gevel en silhouetten van de vleugels voortdurend. Wie de trappenhuizen betreedt maakt kennis met wisselende ruimten. Door bogen en nissen zijn steeds weer andere gewelfvormen en plafonds te zien. De gangen en zalen functioneren als de ‘straten’ van de stad en bieden met hun op organische bruin- en bronstinten gebaseerde kleurstellingen een steeds wisselend beeld aan de bezoeker. Vooral de tegelvloeren en het glas-in-lood spelen daarin een belangrijke rol.

Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

De factor beweging komt vooral tot zijn recht in de gangen en zalen met zijn tegelvloeren en glas-in-lood, doordat ze met hun kleurstellingen een steeds wisselend beeld geven aan de bezoeker.

Priesteropleiding

Door het vermengen van de gotiek en de Oud-Hollandse stijl maakt Cuypers in Bovendonk als het ware duidelijk dat ook de priesters die in daar worden opgeleid deel hebben aan de Nederlandse cultuur. Bovendonk draagt ook uit dat het samenlevingsverband van professoren, priesterstudenten en personeel een microkosmos is van de maatschappij op katholieke grondslag. Daarbij is de voorgevel het frontispice van het gebouw, de titelpagina die de functie verklaart. Dat blijkt uit de voorstellingen in de voorgevel en uit het educatieve programma in de kapel. Beide zijn gericht op de verbeelding van de rol van het seminarie bij de opleiding tot het priesterschap.

Vader en zoon Cuypers

Het seminarie is een laat werk van het bureau Cuypers. Het schijnbare gemak waarmee het geheel is opgezet en uitgewerkt verraadt de ervaring van de architect van het Rijksmuseum. Het vertoont echter een combinatie van soberheid en afgewogenheid die het laat passen tussen late werken als het klooster van Keer bij Maastricht, de Ursulinenkapel te Hamont en de Lievevrouwekerk te Venlo. Als we in Bovendonk proberen de hand van vader en zoon te herkennen, dan is dat niet gemakkelijk. De tekeningen zijn getekend door vader Cuypers, de schilderachtige vormentaal van Bovendonk verraadt in de afwisseling van baksteen en lichte natuursteen, de compositie en detaillering overduidelijk de hand van vader en zoon. De rationele opzet van het geheel is ook zichtbaar in het materiaalgebruik en de toegepaste constructies. Daarin verraadt zich ook de hand van de aan de Polytechnische School te Delft geschoolde Joseph Cuypers.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat vader Cuypers zich bij Bovendonk wel heeft bemoeid met de hoofdopzet en veel details – dat kon hij toch niet laten – maar dat ontwerp en detaillering goeddeels van de hand van Joseph zijn. Het seminariegebouw is door vader en zoon zeker opgevat als een typisch product van het bureau Cuypers, waarin Joseph al sinds 1885 nauw samenwerkt met zijn vader en vanaf 1898 de overhand heeft. Ondanks de verschillen in detaillering en de contrasten tussen rijkdom en soberheid vertoont het gebouw een onmiskenbare eenheid en daarmee alle kenmerken van een werk van het bureau Cuypers. Het onderzoek was in handen van David Mulder, Wies van Leeuwen en Bernadette van Hellenberg Hubar. De laatste heeft de verschillende bijdragen aangevuld en in één rapport samengebracht, dat redactioneel getoetst werd door Marij Coenen.*

Grootseminarie Bovendonk te Hoeven van Pierre J.H. Cuypers, Joseph Th.J. Cuypers en Pierre J.J.M. Cuypers (1897-1906; 1922-1923). Collage bvhh.nu 2008.

De architecten Pierre, Joseph en Pierre junior Cuypers als herders bij het Maria-altaar.

Naschrift en downloadlink

— Door VanHH.org

Voortschrijdend inzicht — Ruim 10 jaar na dato is er zeker sprake van kenniswinst als het gaat om grote en langdurige projecten als Bovendonk. Door het onderzoek naar de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal in Haarlem en de Joseph Cuypers Collectie in Roermond is het wel duidelijk dat de samenwerking tussen de vaders en zonen Cuypers niet altijd even eenduidig is. Wies van Leeuwen geeft in zijn samenvatting al aan dat Joseph vanaf 1889 de overhand heeft op het bureau in Amsterdam. Cuypers is al overwerkt als in 1892 de vertrouwensbreuk met Stoltzenberg plaatsvindt, waarna hij zich terugtrekt in Valkenburg. Net nadat hij terug verhuisd is naar Roermond (in 1898) overlijdt zijn vrouw, Nenny, waarop een tweede inzinking volgt. Terecht meent Wies (hierboven) dat je je kunt afvragen wat de oude Cuypers nu echt aan het ontwerp van Bovendonk heeft gedaan, behalve het ontwerp van Joseph Cuypers en zijn medewerkers kritisch volgen en tenslotte goedkeuren. De geschiedenis herhaalt zich in 1922, want dan vormen Joseph en zijn zoon Pierre J.J.M. het architectenteam Cuypers. Zo zijn de torens van de nieuwe Bavo die na 1925 zijn ontworpen, van de hand van Pierre J.J.M. die het hele project ook heeft begeleid; dit alles onder de vleugels van zijn vader. Dit is de reden waarom we tegenwoordig van de architecten Cuypers zouden moeten spreken. Vanaf het moment dat Joseph afstudeert, in 1883, en aan de slag gaat in Architectuur, zoals het bureau in de familie genoemd werd, is het afgelopen met de solopositie van zijn vader. Op zijn beurt geeft Joseph na de Eerste Wereldoorlog het estafettestokje door aan zijn zoon die bij Bovendonk zeer waarschijnlijk een positie verdient als co-architect.*

Het rapport en latere publicaties — Het rapport over Bovendonk kan als onderdeel van het educatieve fonds Cuypers4all gratis gedownload worden via http://bit.ly/Cuypers-Bovendonk. Delen ervan zijn inmiddels gebruikt voor de monografie Lindeijer, Marc, Jan Brouwers, David Mulder, en Hans de Jong. Seminarie Bovendonk: reisgids door een monument, 2018. De daaraan opgenomen teksten van David Mulder zijn collegiaal getoetst door Bernadette van Hellenberg Hubar. In de literatuurlijst staat ten onrechte Herman Heuver bij de auteurs, terwijl de inbreng van Bernadette van Hellenberg Hubar en Marij Coenen achterwege is gelaten. Herman van Heuver was opdrachtgever, Bernadette was co-auteur en samensteller van het rapport en Marij eindredacteur.

Eveneens in 2018 is een publicatie van de heemkundevereniging verschenen: Caulil, C.M.M. van, Hans de Jong, P.C Lauwerijssen, A.J.M Vermunt, Rieni Voermans, A.P.F Wouters, en Stichting Priesteropleiding Bovendonk (Hoeven). Uythof Bovendonk: centrum van West-Brabant. Hoeven: Stichting Bovendonk, 2018.

Voor beide publicaties heeft Bea Hoeks – een deel van – de fotografie en/of vormgeving verzorgd. Als lid van de Facebookgroep Nederlands Religieus Erfgoed zorgt ze ervoor dat dit deel van Nederland in de aandacht blijft staan.

In het kader van de Open monumentendagen in 2019 is Bovendonk als locatie opgenomen in de Open Monumenten Special over de Bernardusdagen (25 augustus, 1, 8 en 15 september). Een mooie gelegenheid om meteen dat andere bijzondere werk van Pierre J.H. Cuypers te zien, de Sint Pieter in het klein in Oudenbosch. Klik op onderstaand plaatje voor een vergroting van de route!

Kennis delen — Zoals hiervoor al aangestipt, is VanHH.org op dit moment als schrijverscollectief intensief bezig met de Joseph Cuypers Collectie op het gemeentearchief van Roermond, onderwerp van het volgende e-boek. Dit project komt met grote regelmaat aan de orde op onze Facebookpagina: http://bit.ly/VanHHOrg2FB

Ga eens kijken en ‘like’ de pagina, zodat de berichten als de bovenstaande een nog grotere actieradius bereiken!

In Cuypers4all zijn ook andere onderzoeken en artikelen over de architectenfamilie Cuypers te vinden die tot het publieke domein horen. Delen is ons motto, dus iedereen mag gebruik maken van de gegevens die hier staan, maar wel binnen de termen van de Creative Commons licentie.*

Over delen gesproken, je kunt ons en andere onderzoekers helpen door deze pagina te delen via de knop delen onderaan de pagina.

;-) B&M

Vragen? Stuur een mailtje naar bernadette@vanhellenberghubar.org!


Verwijzingen &

  • Hella S. Haasse, 1987, geciteerd naar: Retour Grenoble. Anthony Mertens in gesprek met Hella S. Haasse, Amsterdam 2003, p. 47.
  • De volledige titel luidt: Hubar, Bernadette van Hellenberg, A. J. C (Wies) van Leeuwen, en David Mulder. Bovendonk te Hoeven, Cultuur- en bouwhistorische analyse van het voormalige seminariecomplex van Pierre J.H. en Joseph Th.J. Cuypers. Onder redactie van Marij Coenen. Erfgoed in ontwikkeling. Ohé en Laak/Horn: Res nova-VanHH.org, 2008. http://bit.ly/Cuypers-Bovendonk. Het project werd uitgevoerd met mijn vorige bedrijf Res nova.
  • Dit zal nog duidelijker worden als Gert van Kleef klaar is met zijn promotieonderzoek naar het kerkelijke oeuvre van Joseph Cuypers.
  • Voor deze site hanteren we de Creative Commons licentie, gespecificeerd onder deze link: http://bit.ly/Copyright-CC-BY-NC-SA-4-0. Dus geen commercieel gebruik en absoluut naamsvermelding, zoals geldt voor al onze teksten en foto’s op onze sites. Hiertoe rekenen we ook onze pagina’s op Facebook en Blogger. Voor de goede orde, alles wat ten dienste komt van kennisverspreiding, beheer en behoud van erfgoed zonderen we uit van commercieel gebruik.

De verkorte link van dit item is http://wp.me/P4eh3s-DR of http://bit.ly/1PHUJEz.

← Naar de hoofdpagina van Cuypers assortiment!

← Naar de hoofdpagina van de Joseph Cuypers Collectie